De consequenties van ecologische rechtvaardigheid

Over bevolking, consumptie en de noodzaak van een biocentrisch altruïsme.

Ik heb gedoctoreerd in de natuurkunde en ecologie. Bij mijn doctoraatsverdediging hebben zeven kritische juryleden me vijf uur lang op de rooster gelegd. Welnu, over wat ik hieronder schrijf heb ik acht jaar heel diep en heel kritisch nagedacht. Acht jaar, dat is dus drie keer langer dan mijn doctoraatsonderzoek! Na al die jaren van stevig nadenken, heb ik een argumentatie gedistilleerd waarvan ik oprecht durf te beweren dat ze toch wel bijzonder krachtig is. Met onderstaande redenering wil ik tot de essentie komen, tot de kern van de zaak doordringen. De conclusies zijn allesbehalve aangenaam, dus vandaar dat ik alles geprobeerd heb om een fout in mijn redenering te vinden zodat ik toch rustig kon verder leven. Helaas, nooit in die acht jaar heb ik iemand tegengekomen die op een grondige manier onderstaande redenering heeft kunnen ontkrachten. Voor zover ik weet heeft nog niemand er een speld kunnen tussensteken. Ik daag de lezer uit. Maar u bent gewaarschuwd, want ik denk dat ik hier sterker in mijn schoenen sta dan tijdens mijn doctoraatsverdediging.

Twee grote problemen

Ik herinner me toen ik nog kind was, dat ik me bewust was van twee heel grote wereldproblemen, en dat ik niet wist welk van die problemen prioriteit heeft en aan welk probleem ik mijn weinige zakgeld moest besteden. Nu besef ik dat die twee problemen sterk met elkaar verbonden zijn.

Ten eerste is er de diepe kloof tussen arm en rijk. Ongeveer 30.000 kinderen die elke dag sterven aan extreme armoede, honger en geneesbare ziektes, dat zegt genoeg. Dit is een ernstige rechtvaardigheidscrisis, een genocide van 30.000 moorden per dag. Ten tweede is er de massale uitsterving van planten- en diersoorten. Naar ruwe schatting een 30tal extincties per dag, als gevolg van de nefaste ecologische impact van de mens. Dit is een ernstige ecologische crisis, een ecocide van 30 Apocalypsen per dag. Wie deze twee problemen minacht, verdedigt een zeer immoreel standpunt. We moeten erkennen dat we gelijkwaardigheid (rechtvaardigheid) moeten respecteren zonder het ecologisch draagvlak van de aarde te overschrijden. Twee dringende uitdagingen, vervat in twee getallen en twee woorden: ecologische rechtvaardigheid. Zo simpel is het.

Om de twijfelaars te overtuigen, kunnen we de onecologische onrechtvaardigheid op een wetenschappelijke, kwantitatieve manier weergeven aan de hand van een paar voorbeeldjes, met telkens een drietal cijfers1. Ik wil de lezer alvast afraden om deze cijfers aan te vechten, want u moet dan de strijd aangaan tegen stevige wetenschappelijke studies. Die strijd zal zich afspelen op een moerassig terrein waarin u al gauw dreigt weg te zinken in een inconsistentie, want als u deze wetenschap wantrouwt, dan zou u ook heel veel ander wetenschappelijk onderzoek moeten wantrouwen.

Voorbeeld 1: De CO2-uitstoot met als gevolg de opwarming van de aarde.

De jaarlijkse CO2-uitstoot van een gemiddelde Belg bedraagt zo’n 12 ton, terwijl het wereldgemiddelde op 5 ton ligt. Dat wil zeggen dat vele mensen (ver) onder dat gemiddelde liggen, en dat die mensen vaak (maar niet altijd!) in erbarmelijke omstandigheden leven. Dat is probleem één: een ernstige onrechtvaardigheid. Het klassieke verhaal stelt dat indien wij Belgen het recht hebben om 12 ton uit te stoten, iedereen dat recht zou moeten hebben. We moeten dus arme mensen veel welvaart geven zodat het wereldgemiddelde opgekrikt wordt tot 12 ton. Helaas… een tweede probleem strooit wel erg veel roet in het eten. Uit wetenschappelijke rapporten blijkt dat tegen 2030 de gemiddelde jaarlijkse CO2-uistoot per persoon moet dalen tot onder de 2 ton (en op termijn zelfs tot 0 ton). Als dat niet lukt, zal het klimaatsysteem ernstig wijzigen, met bijzonder immorele consequenties. 2 ton, ons derde getal dat de ecologische grens weergeeft. De getallen 12, 5 en 2 zeggen alles.

Voorbeeld 2: De ecologische voetafdruk (ruimtegebruik) met als gevolg de vernietiging of degradatie van ecosystemen.

De gemiddelde ecologische voetafdruk van een Belg is ruwweg 5 globale hectaren2. Het wereldgemiddelde ligt op ongeveer 2,2 ha. Opnieuw onrechtvaardig. Welnu, als we niet willen dat planten- en diersoorten uitsterven en dat toekomstige generaties in grote problemen gaan komen, moet de voetafdruk dalen tot (waarschijnlijk ver) onder de 1,8 ha. Anders wordt het ecologisch draagvlak overschreden.

Als mensen door deze twee voorbeelden nog niet overtuigd zijn van de twee grote problemen, dan moeten ze het gevecht aangaan met talrijke ijzersterke wetenschappelijke rapporten. Dus hoe komen we tot een ecologische rechtvaardigheid?

Een wiskundige vergelijking

Neem de volgende simpele vergelijking3:

A = B x C x D.

Hierbij is A de aanslag op de aarde, dat wil zeggen de totale ecologische impact van het menselijk huishouden. A is het product van drie factoren: de bevolking (B), de gemiddelde consumptie per persoon (C) en de gemiddelde druk (D) van een geconsumeerd product. D is dus de gemiddelde ecologische impact per eenheid product.

We gaan hier niet verder in hoe die gemiddelden van consumptie en ecologische druk op een wetenschappelijk correcte manier worden berekend. Een eenvoudig voorbeeldje zal het voldoende duidelijk moeten maken. Neem de CO2-uitstoot van het wegverkeer in België. B is dan 10 miljoen mensen, C is het gemiddeld aantal gereden kilometers per persoon (ongeveer 10.000km) en D is de CO2-uitstoot per kilometer van een gemiddelde wagen (ongeveer 160gr CO2 per km). De aanslag van het wegverkeer is dan een CO2-uitstoot van 16 miljoen ton. Vervolgens kunnen we de totale CO2-uitstoot van alle menselijke activiteiten in alle landen optellen om de totale klimaataanslag (de aanslag op het aardse klimaatsysteem door de wereldwijde CO2-uitsoot) te bepalen: A(klimaat) = 30 miljard ton. Voor de ecovoetafdruk hebben we A(voetafdruk) = 13,2 miljard ha, wat meer is dan de beschikbare biocapaciteit van de aarde.

Twee doelstellingen

De twee problemen – samengevat in de twee woorden ‘onecologische onrechtvaardigheid’ – worden vertaald in twee doelstellingen die we het eenvoudigst kunnen weergeven als:

Doelstelling 1 (de ecologie): A < E : de aanslag op de aarde moet kleiner zijn dan E, het ecologisch draagvlak (of de ecologische grens, de beschikbare biocapaciteit) van de aarde.

Doelstelling 2 (de rechtvaardigheid): C, de consumptie, moet sociaal rechtvaardig verdeeld worden4. We verwijzen naar de sociale rechtvaardigheidstheorieën, en kunnen ons hier beperken tot de stelling dat de huidige situatie allesbehalve rechtvaardig is omdat sommigen veel meer consumeren dan anderen terwijl ze er niet meer voor gewerkt hebben en er niet meer recht op hebben dan anderen.

Wat stellen we nu vast? De meeste mensen ontkennen dat er een bovengrens E bestaat, of dat die momenteel reeds overschreden is. Het is echter duidelijk dat het ecologisch draagvlak overschreden is, want biologen en ecologen stellen vast dat er planten- en diersoorten uitsterven door menselijk toedoen. Volgens de ‘negationisten’ (zowel klassieke economen als de meeste socialisten,…) kunnen we C rechtvaardig verdelen door de arme mensen eenzelfde economische welvaart te geven als de rijken. Maar het probleem is dat dergelijke strategie een verhoging van C tot gevolg heeft, en dat bijgevolg A nóg groter wordt dan E.

De mainstream milieubeweging erkent wel dat momenteel A > E, maar om A te verlagen streeft de mainstream milieubeweging voornamelijk naar een daling van de factor D. Een reductie van D is op zich zeer waardevol, want dankzij de milieubeweging zal bv. Europa tegen 2012 de gemiddelde CO2-uitstoot van een wagen reduceren tot 130gr/km (door de producenten te dwingen om lichtere wagens met efficiëntere motoren te bouwen). Maar toch moeten we ons de vraag stellen of dergelijke strategie wel voldoende is. We kennen allemaal het rebound-effect waardoor mensen denken dat ze meer met de wagen mogen rijden omdat die milieuvriendelijker is.

Technologische ontwikkeling is niet voldoende

Het klassieke verhaal van de mainstream (shallow of oppervlakkige) milieubeweging richt zich op de factor D. De mens hoopt door een nieuwe, propere, zuinige, milieuvriendelijke technologie en een omvorming (vergroening) van de productie de factor D te kunnen reduceren zodat A kleiner wordt dan E.

Toch is het duidelijk dat enkel een technologische ontwikkeling verre van voldoende is om bovenstaande twee dringende problemen op te lossen, want de vereiste technologie moet

  1. biologisch-fysisch haalbaar zijn (dus de wetten van de fysica respecterend: er zijn grenzen aan de snelheid van plantengroei of de efficiëntie van motoren),
  2. financieel-economisch haalbaar zijn (dus niet onbetaalbaar duur: er zijn grenzen aan het kostenplaatje),
  3. ecologisch duurzaam zijn (dus hernieuwbare energie en grondstoffen),
  4. ethisch verantwoord zijn (dus de intrinsieke waarde van alle leven respecterend: er zijn grenzen aan wat we met mens, dier en natuur mogen doen) en
  5. ze moet zeer snel ontwikkeld worden. We mogen geen geduld hebben, want die mensen sterven vandaag aan honger of geneesbare ziektes, en die soorten sterven vandaag uit door overexploitatie van de natuur.

Leg je deze vijf criteria voor aan een technologieoptimist, dan wordt hij met verstomming geslagen. Persoonlijk denk ik dat niemand echt oprecht gelooft dat we dergelijke ‘wonder’technologie op tijd gaan uitvinden. Ik heb jarenlang gezocht en geluisterd naar argumentaties, maar tot nu toe heeft niemand me kunnen overtuigen en heeft niemand me kunnen laten zien dat we morgen de factor D voldoende zullen kunnen dalen.

Overconsumptie en overbevolking bestrijden

De factoren B en C zijn de verantwoordelijkheid van de consumenten en van alle mensen. Het interessante is dat we B en C kunnen reduceren door vrijwillige keuzes te maken, zelfstandige beslissingen die we zelfs van vandaag op morgen kunnen nemen. De verantwoordelijkheid om D te reduceren ligt daarentegen bij de producenten, wetenschappers en ingenieurs. Het moeilijke van een D-reductie is dat utvindingen niet altijd te voorspellen zijn, dat ze te traag gebeuren, dat ze kostelijk zijn en dat het geen vrijwillige keuzes zijn die iedereen kan maken. Ik kan niet zeggen dat ik morgen een superzuinige wagen ga uitvinden en goedkoop ga ontwikkelen, maar ik kan wel beslissen om morgen niet (of veel minder) met de wagen te rijden. Daar moet ik niet rijk of slim voor zijn. Met consumptieplanning kan ik zelf beslissen om minder producten te kopen, en met gezinsplanning kan ik ook beslissen om minder kinderen te krijgen. Interessant is ook dat hier het onderscheid tussen shallow (oppervlakkige) en diepe ecologie op een heldere manier zichtbaar wordt. De shallow ecology en het grootste deel van de milieubeweging focussen op de reductie van enkel de factor D (denk maar aan spaarlampen, recyclage, zuinigere wagens,…). Deep ecology en radicale ecologie leggen daarnaast ook een sterke nadruk op de reductie van B en C. Ik denk dat daarom de radicale ecologie beweging een realistischere en effectievere (want uitgebreidere) aanpak heeft om de onecologische onrechtvaardigheid van onze samenleving te bestrijden.

Vandaar dus dat we niet onze aandacht enkel mogen richten op de factor D, maar dat we ook ons moeten focussen op B en C. Zo komen we tot de conclusie dat we ook overconsumptie en overbevolking5 moeten bestrijden om de twee grote problemen op te lossen. Rest ons nog aan te duiden hoe we op een ethisch verantwoorde wijze B en C kunnen doen dalen. Zo spreekt het voor zich dat een daling van B door mensen neer te schieten niet aangewezen is.

Een daling van B kan door het creëren van rechtvaardige voorwaarden voor een vrijwillige zwangerschapsbeperking. In deze formulering zitten alle ethisch relevante aspecten in besloten. Het gaat om een daling van het geboortecijfer en niet een verhoging van het sterftecijfer. We schrijven ‘zwangerschapsbeperking’ in plaats van ‘geboortebeperking’, want om de problematiek rond abortus te vermijden moeten we best het geboortecijfer laten dalen door het beperken van zwangerschappen. Een vrijwillige beperking is in eerste instantie beter dan een dwangmaatregel. Om die vrijwillige beperking mogelijk te maken moeten we voorwaarden creëren: gratis toegang tot goede anticonceptie, beter onderwijs voor meisjes, meer ontwikkelingskansen voor vrouwen, betere sociale zekerheid, betere seksuele voorlichting, minder sociale druk (vanuit religies, mannen,…) om kinderen te krijgen, betere sensibilisering m.b.t. het ecologische rechtvaardigheidsvraagstuk, consistentere financiële maatregelen (de verhouding van het kindergeld voor het eerste en het tweede kind aanpassen, geen financiële stimulansen invoeren om bv. vergrijzing tegen te gaan door het geboortecijfer op te krikken),… En tot slot spreekt het voor zich dat die voorwaarden rechtvaardig moeten zijn: ze mogen bv. geen kansarmen en vrouwen benadelen ten opzichte van rijkeren en mannen.

Een daling van C kan door het creëren van rechtvaardige voorwaarden voor een vrijwillige overschakeling op milieuvriendelijke strategieën om onze basisbehoeften te vervullen. Ook in deze formulering zit alles in besloten. Het gaat om het vervullen van basisbehoeften en niet om het nastreven van luxe. Een basisbehoefte vervullen moet op een mens-, dier- en milieuvriendelijke manier. De basisbehoefte om ons te verplaatsen kunnen we vervullen door met een vervuilende wagen te rijden, of in de plaats een milieuvriendelijkere fiets en het openbaar vervoer te nemen; de basisbehoefte aan activiteit kunnen we vervullen door met een brommer te gaan rondcrossen, of in de plaats milieuvriendelijker te gaan joggen; de basisbehoefte aan eten kunnen we vervullen door een hoge vleesconsumptie of in de plaats dier- en milieuvriendelijkere veganistische maaltijden te nemen. Het is beter dat iedereen vrijwillig en ongedwongen overschakelt op dergelijke milieuvriendelijke strategieën. En tot slot moeten we daarvoor rechtvaardige voorwaarden creëren; denk maar aan de hogere prijs van biologische voeding, waardoor armere mensen onrechtvaardig benadeeld worden in hun keuze. Milieuvriendelijke alternatieven moeten aantrekkelijker gemaakt worden.

Het is duidelijk dat een daling van B als van C niet alleen uit eigen individuele keuzes bestaat, maar dat de politiek die keuzes ook moet aanmoedigen. Maar om die maatschappelijke verandering tot stand te brengen moeten er mensen zijn die het lef en de moed hebben om nu reeds die eigen keuzes te maken. Dat zijn mensen die bereid zijn om tegen de stroom in te roeien. En hier komen we tot de essentie. Ik heb genoeg van het argument dat ik nooit al de mensen zal kunnen overtuigen om te consuminderen, om soberder te gaan leven en minder kinderen te krijgen. Ik wil me dit keer richten tot u, de individuele lezer. Het is waar dat ik niet in staan ben om tegen morgen 6 miljard mensen te overtuigen, maar waarom kan ik u nu niet overtuigen? Waarom komt u niet onmiddellijk tot de conclusie dat u de verantwoordelijkheid draagt om nu de juiste keuze te maken, ja, dat u de morele plicht heeft om het goede voorbeeld te geven? Wie gaat er anders de politieke moed hebben om de maatschappij te transformeren? Bovenstaande redenering is toch erg eenvoudig en logisch correct? Wat u nodig heeft is niet geld of een hoge intelligentie, maar wel een moreel bewustzijn, een verantwoordelijkheidsbesef en enige wilskracht. Als ik u kan overtuigen, dan kunt u meewerken en andere mensen helpen overtuigen. Zo kan het aantal overtuigden exponentieel stijgen zodat we voldoende sterk staan om samen een alternatieve samenleving en economie op poten te zetten.

Dat het te simplistisch is, dat ik overdrijf, dat het doemdenken is, dat ik het vingertje ophef, hoor ik hier en daar vaak zeggen. Maar dat is allemaal niet relevant. Waarom geven mensen vreemde argumenten op bovenstaande verhaal, zelfs al is het een zeer heldere en constructieve redenering? Het is zelfs zo’n rechtlijnige argumentatie dat de enige mogelijkheid die ik zie is dat mensen ofwel een immorele visie hebben (dat ze te weinig bekommerd zijn om het leed van anderen en om het uitsterven van soorten) ofwel hun hebzuchtig gedrag willen camoufleren (dat ze hun persoonlijke belangen en luxepleziertjes willen verdedigen). Waarschijnlijk ligt de grondoorzaak van het tweelingprobleem ‘onecologische onrechtvaardigheid’ dus bij een immorele en egoïstische houding van vele mensen: het laten primeren van eigen triviale belangen boven de vitale belangen van anderen. Het is immoreel wegens een gebrek aan empathie en zorgzaamheid voor het meest kwetsbare leven, en egoïstisch wegens een gebrek aan wilskracht en onbaatzuchtigheid om anderen te helpen. Om een ecologische rechtvaardigheid te realiseren is het bijgevolg niet meer dan logisch dat mens en maatschappij moeten transformeren, van een egocentrisch egoïsme naar een biocentrisch altruïsme.

Naar een biocentrisch altruïsme

Daar technologierevoluties hoogst waarschijnlijk niet voldoende zijn om een ecologisch rechtvaardige samenleving te bereiken, moeten we ook de strijd aangaan tegen overconsumptie en overbevolking. Ecologische rechtvaardigheid impliceert een zoektocht naar een samenleving en een economie gebaseerd op biocentrisch altruïsme, waarbij niet alleen ikzelf, niet alleen de mens, maar élk leven centraal staat, en waarbij we zonder egoïsme en hebzucht strijden voor een waardig leven voor mens, dier en natuur. Enkel door deze ethiek van biocentrische solidariteit met alle leven kunnen discriminerende en onderdrukkende machtsrelaties worden opgeheven.

Biocentrisch altruïsme is een nieuwe vorm van religieuze spiritualiteit. De spiritualiteit is belangrijk omdat we zonder een innerlijke kracht ons nooit kunnen bevrijden van onze hebzucht en ons ego. Strijden tegen overconsumptie terwijl mensen grote ego’s en oneindige verlangens hebben, dat gaat niet. En religie (naar het Latijnse woord voor ‘stevig binden’) is belangrijk omdat dergelijke innerlijke vrijheid niet los kan staan van een stevige verbondenheid met alle leven. De wilskracht hebben om milieuvriendelijker te leven en anderen te helpen terwijl mensen een gebrekkige medelevende verbondenheid met de ander hebben, dat gaat niet. Biocentrisme is een religieuze verbondenheid met alle leven, en altruïsme is een spirituele overwinning op ons ego. Voor het eerst in de geschiedenis hebben we een religieuze spiritualiteit die zich niet bezighoudt met bovennatuurlijke, onwaarneembare zaken en bijgeloof (goden, het hiernamaals, magische krachten,…), die zich niet dogmatisch vasthoudt aan een oud boek, die zich niet in bidden en meditatie terugtrekt, die wars is van rituelen en regeltjes, die niet het eigen geloof met bruut geweld wil opdringen. Het biocentrisch altruïsme is een religieuze spiritualiteit die gericht is op het leven op aarde en die zich maatschappelijk engageert. Het zal deze spiritualiteit zijn die nodig is om de twee grootste morele problemen op aarde aan te pakken.

Appendix: de ImPACT-vergelijking

Tot slot wil ik nog een extra nuancering aanbrengen in bovenstaande ABCD-vergelijking. Die nuancering laat ons toe op een elegante manier een aantal strategieën beter te kaderen. Daarvoor schakel ik over naar de Engelse taal, en combineer ik de IPAT-vergelijking met de Kaya-vergelijking6 die vaak gebruikt wordt in ecologische en klimatologische modeleringen. Het resultaat is de bijzonder elegante ImPACT-vergelijking7:

Im = P x A x C x T

Im is de totale milieu-impact (Voorbeeld 1: totale CO2-uitstoot door het wegverkeer. Voorbeeld 2: de totale ecologische voetafdruk van de wereldbevolking.)

P is de ‘population’, de bevolking (het aantal mensen).

A is de ‘affluence’, een maat voor (economische) welvaart. (Vb.1: het aantal gereden kilometers per persoon. Vb. 2: het BNP per persoon.)

C is de ‘consumption intensity’. (Vb. 1: de energie-intensiteit van een wagen: het energieverbruik per aantal gereden kilometers. Vb. 2: de materiële/energetische consumptie per eenheid BNP.)

T is de ‘technology factor’. (Vb. 1: de CO2-uitstoot per eenheid verbruikte energie van een wagen. Vb. 2: de ecologische voetafdruk per eenheid geproduceerd goed of
dienst.)
Het mooie aan deze ImPACT-vergelijking is dat we zo kunnen inzien dat we onze impact kunnen reduceren op 4 manieren.

  1. P dalen.
  2. A dalen. Dit is ‘consuminderen’, waarbij het woord ‘sufficiëntie’ centraal staat. Het komt overeen met de eerste van de drie E’s: energiebesparen (bvb. minder kilometers rijden).
  3. C dalen. Dit is ‘consumanderen’, waarbij gewerkt wordt rond efficiëntie. Het stemt overeen met de tweede van de drie E’s: energie-efficiëntie (bvb. efficiëntere automotoren die minder CO2 uitstoten).
  4. T dalen. Dit is ook ‘consumanderen’, maar dan door het gebruik van alternatieve energie en milieuvriendelijke technologie, het derde van de drie E’s: energie anders opwekken, hernieuwbare energie (bvb. auto’s op zonne-energie die geen CO2 uitstoten,…).

De mainstream (shallow) milieubeweging richt de aandacht op een reductie van C en T, factoren die in handen zijn van de producenten en ingenieurs. De radicale milieubeweging daarentegen zegt dat enkel een focus op C en T niet voldoende is, en dat we ook P en A kunnen laten dalen. Een daling van P en A kan overigens op een vrijwillige basis gebeuren. Daar moeten we niet rijk of slim voor zijn.

Stijn Bruers

Voetnoten

  1. Deze cijfers zijn afkomstig van belangrijke wetenschappelijke rapporten van het IPCC (www.ipcc.ch), het UNEP (www.unep.org) en het Living Planet Report van het WWF.
  2. Een globale hectare is een hectare waarbij rekening gehouden werd met de vruchtbaarheid van die grond.
  3. Dit is de Nederlandse vertaling van de bekende IPAT-vergelijking: Ehrlich, Paul R. and John P. Holdren, 1971. Impact of Population Growth. Science, 171:1212-17.
  4. Ruwweg kunnen we stellen dat de consumptie van de armen, C(arm), ongeveer gelijk moet zijn aan die van de rijken, C(rijk). De C-factor in de ABCD-vergelijking is een gewogen gemiddelde van C(arm) en C(rijk).
  5. Eigenlijk is het een beetje bedrieglijk om aparte woorden te gebruiken voor overconsumptie en overbevolking, want zoals uit de ABCD-vergelijking blijkt, zijn deze bevolking en consumptie zeer sterk aan elkaar gekoppeld. Het is fout om overbevolking te begrijpen als dat de bevolking (B) groter zou zijn dan een maximum toegelaten bevolkingsaantal (Bmax). Het probleem is dat A > E en niet dat B > Bmax of C > Cmax.
  6. Het gerucht doet de ronde dat een Japanse onderzoeker Kaya deze vergelijking voor het eerst presenteerde.
  7. Zie bv. R. York, E. A. Rosa en T. Dietz, STIRPAT, IPAT and ImPACT: analytic tools for unpacking the driving forces of environmental impacts, Ecological Economics, Volume 46, Issue 3, October 2003.
Dit bericht werd geplaatst in Blog en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s