De ethiek van het patho-biocentrisme: respect voor alle levende en voelende wezens.

Het pathos-biocentrisme stelt dat levende en voelende wezens centraal staan en rechten moeten krijgen, want de eigenschappen ‘leven’ (bios) en ‘voelen’ (pathos) zijn moreel belangrijk. Het criterium ‘mens’ (antropocentrisme) is niet moreel relevant: als we enkel mensen rechten geven, is dat discriminatie van planten en dieren.

De ethiek van patho-biocenrisme vertrekt van het basisrecht: het recht om niet in belangen geschaad te worden omwille van onze behoeften. Als een wezen het basisrecht heeft, mogen wij (personen die een morele verantwoordelijkheid dragen) dat wezen niet doden of kwetsen om te gebruiken als louter middel voor onze doelen. Dit basisrecht vormt de basis voor andere rechten (op vrijheid, leven en welzijn).

Het basisrecht is dus een bescherming van belangen. De vraag is nu welke wezens belangen hebben. We tonen aan dat de eigenschappen leven en voelen (bewustzijn) belangrijk zijn, en dat bijgevolg levende wezens en voelende wezens rechten hebben.

Levende wezens zijn opgebouwd uit cellen en hebben een zelforganiserende activiteit (een metabolisme) waardoor we kunnen spreken van complexe belangen (bv. het belang om verder te blijven leven of niet gekwetst te worden). Levende wezens moeten bv. actief voedsel en energie verwerken om zichzelf in stand te houden. Voelende wezens (levende wezens met een perceptueel bewustzijn) hebben daarnaast nog een extra eigenschap: ze kunnen hun complexe belangen gewaarworden (bv. angst wijst op belang van veiligheid, pijn wijst op belang van lichamelijke integriteit, stress wijst op belang van welzijn en rust,…).

Verder zijn gevoelens zoals bezorgdheid en empathie belangrijk in ons ethisch handelen. Bezorgdheid en empathie zijn morele deugden. Daar levende en voelende wezens bijzonder kwetsbaar zijn, kunnen we er bezorgdheid voor voelen. En wat voelende wezens nog extra bijzonder maakt, is dat we enkel met hen empathie (mededogen) kunnen voelen.

Andere criteria (sociale intelligentie, rationeel denkvermogen, zelfbewustzijn, taalvaardigheid…) zijn niet relevant omdat we ook het basisrecht toekennen aan bv. baby’s en diep mentaal gehandicapten die nooit die vermogens zullen ontwikkelen.

De definitie van het basisrecht verwijst ook naar onze behoeften. Er zijn universele behoeften die bestaan uit overlevingsbehoeften (voedsel, gezondheid, veiligheid,…), sociale behoeften (vriendschap, communicatie, participatie) en ontwikkelingsbehoeften (kennis, ontspanning, activiteit, creativiteit, vrijheid). Universele behoeften kunnen we vervullen door verschillende strategieen die verbonden zijn aan specifieke voorwerpen, plaatsen, personen of gedragingen (bv.: universele behoefte is voedsel, strategieen zijn vlees, groenten,…). Sommige strategieen zijn schadelijker dan andere. We kunnen bijgevolg een gradatie aanbrengen.

Aan de ene kant hebben we basisbehoeften: dat zijn mens-, dier-, en milieuvriendelijke strategieën die efficient onze universele behoeften vervullen.

Aan de andere kant zijn er de luxebehoeften: strategieën die een grotere ecologische impact hebben (hoge afvalproductie, grondgebruik en grondstoffenverbruik) en die niet zo efficient meer onze universele behoeften kunnen vervullen, omdat die behoeften al tot op zekere hoogte vervuld zijn. Een voorwerp is een luxe als het niet dient om een ongemak te verlichten, maar om een comfort nog extra te verhogen. Het doel van luxe is om plezier te verhogen voorbij een basiswelzijn. Voor elke luxebehoefte bestaat er een basisbehoefte als valabel alternatief. Een voorbeeld: voor de universele behoefte aan activiteit, is wild rondcrossen met een terreinwagen een luxe, terwijl bv. joggen een basisbehoefte is. Zo ook is het eten van dierlijke producten in de meeste gevallen een luxebehoefte, want de meeste mensen kunnen gezond eten en overleven met een zuiver plantaardig voedingspatroon. Ook zijn luxebehoeften vaak te herkennen aan hun sociaal-culturele bepaaldheid (maakbaarheid). Zo denken we aan seksuele status, sociaal aanzien, culturele gewoontes, tradities, behoeften gecreëerd door commerciële reclame, modetrends,… Dergelijke luxebehoeften zijn bv. vluchtig, relatief, veranderlijk of gecreeerd in een sociale context.

Samengevat: we hebben een onderscheid tussen morele criteria (leven en voelen), en tussen onze behoeften (basis en luxe). Die kunnen we nu aan elkaar koppelen, zodat we twee morele richtlijnen bekomen. Omdat voelende wezens iets extra’s hebben dat gevoelloze levende wezens niet hebben, kunnen we voor hen een sterker basisrecht toekennen.

Richtlijn 1: alle levende wezens (opgebouwd uit levende cellen) hebben het basisrecht om niet gedood of gekwetst te worden voor onze luxebehoeften. In deze zin zijn alle levende cellen (de basisbouwstenen van levende wezens zoals planten en dieren) gelijkwaardig.

Richtlijn 2: alle voelende wezens (bewuste subjecten) hebben het basisrecht om niet gebruikt (gedood, gekwetst of opgesloten) te worden voor onze basis- en luxebehoeften. In deze zin zijn alle bewuste subjecten (ruwweg alle gewervelde dieren, inktvissen en kreeftachtigen) gelijkwaardig. We kunnen eventueel nog wel een uitzondering maken voor overlevingsbehoeften, zoals volkeren in het hoge noorden die in hun overleven afhankelijk zijn van jacht en visvangst. Maar wij mogen mensen en andere voelende dieren niet verhandelen, bezitten, gebruiken als slaven, vermoorden, uitbuiten…

Niet alleen hebben individuele levende en voelende wezens het basisrecht, ook biodiversiteit is waardevol los van het nut voor de mens. Als een planten- of diersoort uitsterft is dat even erg als het uitsterven van de mensheid. Hoewel alle levende wezens gelijkwaardig zijn, zijn er dus enkele uitzonderingen: als het wezen kan voelen, of als het deel uitmaakt van een bedreigde soort (of op een andere manier belangrijk is voor de biodiversiteit), dan heeft dat wezen eigenlijk meer recht op leven omdat we voelende of met uitsterven bedreigde wezens niet mogen doden.

Om ervoor te zorgen dat er geen soorten uitsterven door menselijk toedoen, moeten we onze consumptie en ons bevolkingsaantal reduceren, want onze ecologische impact wordt bepaald door de bevolking en de consumptie per persoon. Bevolkingsvermindering kan door een vrijwillige keuze om zwangerschappen te verminderen (beperken tot 1 of geen kind per vrouw).

Bovenstaande twee richtlijnen zijn formuleringen van resp. het biocentrisme en het pathocentrisme. De eerste richtlijn vinden we terug binnen de diepe-ecologie-beweging, waar men stelt dat alle levende wezens gelijke intrinsieke waarde hebben en niet mogen gedood worden, tenzij voor onze basisbehoeften. De tweede richtlijn vormt de basis voor de dierenrechtenbeweging. Beiden kunnen we op een elegante manier combineren tot het patho-biocentrisme. Concreet wil dat zeggen: kiezen voor vrijwillige zwangerschapsbeperking, soberheid (milieuvriendelijk leven met zo laag mogelijke ecologische impact) en veganisme (geen gewervelde dieren en hun producten gebruiken). 

Stijn Bruers

Dit bericht werd geplaatst in Blog. Bookmark de permalink .

Een reactie op De ethiek van het patho-biocentrisme: respect voor alle levende en voelende wezens.

  1. Pingback: Het ratio-patho-biocentrisme | Stijn Bruers, one world activist

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s