Een argumentatie tegen het eten van vlees

Uitgangspunt 0. Een consistente ethiek wordt geprefereerd boven een inconsistente.

Uitgangspunt 1. Het doden en eten van mensen (evenals elk ander onvrijwillig gebruik van mensen zoals bij slavernij, mensproeven, mensenhandel,…) is immoreel en verboden omdat het een schending is van een basisrecht – het recht om niet zonder vrijwillige toestemming gebruikt te worden als louter middel voor iemand anders zijn doelen. Dat basisrecht blijft geldig, zelfs als het gaat om bv. ernstig mentaal gehandicapte weeskinderen of alleenstaande zwaar dementerende bejaarden, zelfs als dat basisrecht ons recht om iemand te mogen doden ontneemt, zelfs als er veel of weinig mensen (of dieren) zijn die een schending van dat basisrecht niet immoreel vinden, zelfs indien er vroeger veel of weinig slavernij of kannibalisme was, en zelfs indien het niet duidelijk is van wanneer we dat basisrecht moeten toekennen aan een mens in wording. Het criterium ‘persoon zijn’ (of ‘mens zijn’) heeft een vage grens omdat er een vrij vloeiende lijn is te trekken van eicel – embryo – foetus – baby – kind – volwassene. Maar dergelijke vage grens ondergraaft niet het idee van het basisrecht dat bv. van toepassing kan zijn vanaf het stadium dat een foetus een duidelijk bewustzijn (gevoel) heeft ontwikkeld. Het basisrecht vormt een fundament van de mensenrechten, en bovendien is er zelfs in sommige noodsituaties (als vitale behoeften in het gedrang komen) een enorme weerstand om dat recht te schenden door mensen te doden om ze te gebruiken voor de bedreigde vitale behoeften.

Uitgangspunt 2. Discriminatie is een aparte behandeling (het ontzeggen van rechten) van individuen of groepen waarbij een morele rechtvaardiging gebaseerd is op moreel irrelevante criteria. Een morele rechtvaardiging van een aparte behandeling kan enkel gesteund worden op eigenschappen of principes die moreel gezien relevant en belangrijk zijn. [Een morele rechtvaardiging zegt waarom je de ene partij wel en de andere partij niet op een bepaalde manier mag behandelen. Als ik bv. wel sla eet en geen tomaten omdat ik tomaten niet lekker vind, en als ik daarbij zeg dat je zowel tomaten als sla mag eten, is mijn smaakvoorkeur geen morele rechtvaardiging van mijn aparte behandeling. In dat geval is er geen discriminatie van de sla die ik opeet. Als ik echter zeg dat we niet tomaten mogen eten maar wel sla omdat sla niet rood en rond is, en als de criteria ‘rood’ en ‘rond’ niet moreel relevant zijn, dan is er wel sprake van discriminatie van de sla.]

Uitgangspunt 3. Alle vormen van discriminatie zijn immoreel en dienen te worden opgeheven door het uitbreiden van de morele gemeenschap (de verzameling van wezens die aanspraak kunnen maken op rechten) tot alle individuen die waarschijnlijk of zeker voldoen aan de moreel relevante criteria. Die uitbreiding moet zeker gebeuren indien er geen sprake is van het in gevaar komen van vitale belangen (het belang om te overleven van individuen of soorten). Discriminatie is immoreel, zelfs indien er in de natuur (bij dieren of soorten) veel voorbeelden te geven zijn van aparte behandelingen op basis van moreel irrelevante criteria. Discriminatie kan alleen uitgaan van mensen die een morele verantwoordelijkheid dragen. Wezens die geen morele verantwoordelijkheid dragen hebben geen moreel denkvermogen en kunnen dus niet beseffen dat ze discrimineren.

Uitgangspunt 4. Moreel relevante criteria zijn criteria die een duidelijke betrekking hebben op morele begrippen (zoals het concept van rechten), of die volgen uit waardevol geachte gevoelens die van belang zijn bij het morele beslissingsvermogen van mensen (zoals emoties die ten grondslag liggen aan het toekennen van rechten aan anderen). Onder irrelevante criteria vallen o.a. uiterlijke kenmerken (huidskleur, geslacht, gedrag,…) en genetische eigenschappen (ras, genetische verwantschap,…).

Uitgangspunt 5. Een recht is een bepaalde wijze van een bescherming van een belang. Rechten kunnen enkel aan belanghebbenden (rechthebbenden) toegekend worden door personen met een morele verantwoordelijkheid. Dat zijn personen met een rationeel/moreel denkvermogen en die dragen bijgevolg de plicht om het recht te respecteren. De verzameling van rechthebbende wezens kan groter zijn dan de verzameling van moreel verantwoordelijke wezens.

Uitgangspunt 6. Levende wezens hebben een zelforganiserende activiteit waarbij we kunnen spreken van belangen (bv. het belang om verder te blijven leven of niet gekwetst te worden), bewuste levende wezens hebben een gevoelswereld waardoor ze hun belangen kunnen gewaarworden (angst wijst op belang van veiligheid, pijn wijst op belang van lichamelijke integriteit, stress wijst op belang van welzijn en rust,…) en zelfbewuste levende wezens zijn zich bewust van hun belangen, hun toekomst en hun dood.

Tussenstap 1. Uit uitgangspunten 5 en 6 volgt dat de criteria ‘levend wezen’, ‘bewust levend wezen’ en ‘zelfbewust levend wezen’ betrekking hebben op het concept van rechten, want die criteria verwijzen naar belangen, en belangen vormen het fundament van rechten (zonder belangen geen rechten).

Uitgangspunt 7. Gevoelens van bezorgdheid, empathie en medeleven zijn van invloed op ons ethisch handelen. Het hebben of ontwikkelen van dergelijke gevoelens (in combinatie met het verstand) is waardevol. [Een gevoel van empathie kan leiden tot discriminatie als dat gevoel gericht is op een enkel één partij (terwijl de andere partij ook een gevoelswereld heeft). Bv. enkel empathie voelen met je eigen vrienden en familieleden is niet goed, maar daarom is het gevoel van empathie op zich nog niet verkeerd. Daarom is het verder ontwikkelen van die gevoelens in samenwerking met het verstand belangrijk.]

Uitgangspunt 8. Daar alle levende wezens belangen hebben, zijn ze kwetsbaar, en kunnen we dus bezorgdheid voelen. Daarenboven hebben bewuste levende wezens een gevoelswereld dat toelaat om er empathische en medelevende gevoelens voor te hebben.

Tussenstap 2. Uit uitgangspunten 4, 7, en 8 en tussenstap 1 volgt dat het criterium ‘bewust levend wezen’ (naast ‘levend wezen’ en ‘zelfbewust levend wezen’) moreel relevant is. [Dit wordt ook bevestigd in de discussie m.b.t. abortus en embryonaal stamcelonderzoek en therapie, waar het criterium bewustzijn (voelen) wordt aangehaald om de grens te trekken tussen ‘menselijk embryo’ en ‘mens’.]

Uitgangspunt 9. Het verschil tussen mensensoort en diersoort is moreel irrelevant, want er zijn geen betrouwbare moreel relevante criteria aan te wijzen die alle mensen (zoals alleenstaande dementerende bejaarden of mentaal gehandicapte weeskinderen) wel hebben en dieren niet. Er is geen enkele duidelijke reden waarom het biologisch-genetische criterium ‘soort’ wel belangrijk zou zijn terwijl andere biologisch-genetische criteria zoals ras (blanken), sekse (mannen), familie (mensapen), orde (primaten), klasse (zoogdieren) of stam chordadieren) niet belangrijk zouden zijn. Het genetische criterium ‘soort’ wel relevant vinden terwijl andere vormen van genetische verwantschap irrelevant geacht worden, is arbitrair en kan daarom geen stevig fundament zijn in een moreel systeem. Bovendien toont de steun voor embryonaal stamcelonderzoek (waarbij menselijke embryo’s worden gebruikt en gedood) aan dat de genetische soortverwantschap volgens vele mensen toch niet moreel relevant is. Er is ook geen enkele objectieve of geloofwaardige aanwijzing waarom alle en alleen mensen (inclusief bevruchte eicellen en exclusief onbevruchte eicellen) zoiets als een ziel zouden hebben, want vroeger dachten gelovigen dat bv. enkel blanken een ziel hadden.

Uitgangspunt 10. We gaan ervan uit dat zwakzinnige mensen die niet (hersen)dood zijn bewuste levende wezens zijn.

Uitgangspunt 11. De kans dat gewervelde dieren een bewustzijn hebben is even groot als de kans dat zwakzinnige mensen (dementen, mentaal gehandicapten) een bewustzijn hebben, want de anatomische, fysiologische en gedragsmatige criteria die we gebruiken om te bepalen of een zwakzinnige mens een bewustzijn heeft, gelden ook voor gewervelde dieren zoals koeien of varkens.

Tussenstap 3. Uit uitgangspunten 10 en 11 volgt dat we ervan uit moeten gaan dat gewervelde dieren zoals koeien of varkens ook duidelijk bewuste levende wezens zijn. Gewervelde dieren hebben dus gelijkaardige belangen als bv. zwakzinnige mensen.

Tussenstap 4. Uit uitgangspunten 1, 2, 4, 9 en tussenstappen 2 en 3 volgt dat er sprake is van discriminatie: soortisme (of speciëcisme, een aparte behandeling op basis van soort) is net als seksisme en racisme een aparte behandeling op basis van moreel irrelevante criteria (zoals genetische verwantschap of uiterlijke kenmerken).

Uitgangspunt 12. Het toekennen van rechten (zoals het basisrecht om niet gebruikt te worden als middel voor onze doelen) aan duidelijk bewust levende wezens (bv. gewervelde dieren met een animaal zenuwstelsel) is geen bedreiging voor onze vitale belangen (bv. als het gaat om vlees eten), want we kunnen gezond leven met een evenwichtig, gevarieerd veganistisch dieet (verrijkt met vitamine B12). [Met ‘onze’ en ‘we’ wordt verwezen naar alle mensen en volkeren die geen vlees nodig hebben om te overleven. Veruit de meeste inwoners van bv. West-Europa behoren daartoe, maar bv. Eskimo’s niet.]

Tussenstap 5. Uit uitgangspunten 3 en 12 en tussenstap 4 volgt dat we de morele gemeenschap moeten uitbreiden door ook niet-menselijke bewust levende wezens rechten toe te kennen. In het bijzonder het basisrecht om niet gebruikt te worden als middel voor onze doelen.

Uitgangspunt 13. Als onze eigen triviale belangen primeren boven de vitale belangen van een ander rechthebbend wezen, is dat een ernstige vorm van egoïsme. Als een rechthebbend wezen opzettelijk en met voorbedachten rade wordt gedood om als middel te dienen voor onze triviale belangen, moeten we spreken van moord. Onze eigen trivialere belangen mogen niet primeren boven de vitale belangen van andere rechthebbenden.

Uitgangspunt 14. De enige redenen waarom we nog vlees eten zijn gemakzucht, genot, gewoonte of geld (of onwetendheid over gezonde voeding of ethiek).

Uitgangspunt 15. Onwetendheid kan met kennis verholpen worden, en belangen als gemakzucht, genot, gewoonte of geld zijn trivialer dan het vitale belang om te blijven leven.

Tussenstap 6. Uit uitgangspunten 13, 14 en 15 en tussenstap 5 volgt dat vlees eten moreel even erg is als moord op bv. zwakzinnigen (in het bijzonder alleenstaande dementerende bejaarden of mentaal gehandicapte weeskinderen).

Uitgangspunt 16. Het doden en gebruiken van zwakzinnigen is (in niet-noodsituaties) even immoreel en strafbaar als het doden van geestelijk gezonde volwassen mensen.

Conclusie: Uit uitgangspunten 0 en 16 en tussenstap 6 volgt de logische consequentie dat vlees eten verboden moet worden en net zoals moord beoordeeld moet worden. Ook de productie en de handel in vlees door het kweken en verhandelen van dieren moet zoals het gevangennemen, kweken en verhandelen van mensen en mensenvlees verboden worden. Ook andere vormen van uitbuiting van bepaalde dieren moeten verboden worden omwille van het basisrecht.

Dit bericht werd geplaatst in Blog en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s