Is het dan toch het egoïsme?

Pleidooi voor een biocentrisch altruïsme

Ik heb er jaren over nagedacht. Diep en kritisch. Waarom is het zo moeilijk mensen aan te moedigen om mens-, dier-, en natuurvriendelijk te leven? Met grote verontwaardiging heb ik duizenden tegenargumenten gehoord, vaak zelfs uitdrukkingen die bij mij als verwijten overkwamen. Waarom reageren vele mensen op dergelijke manier als ik (voor de zoveelste keer) een probleem aankaart en wijs op onze verantwoordelijkheid daarbij? Vaak durfde ik het woord niet in de mond nemen. Maar ik denk dat ik na al deze jaren kritisch denken het dan toch moet besluiten. Het heeft te maken met ons egoïsme. Punt.

Lang heb ik getwijfeld aan het schrijven van deze tekst. Ik vind dat het een ‘harde’ tekst is geworden, met radicale standpunten waarvan ik zelf vaak schrik krijg. Ik zal conclusies trekken die ik nauwelijks aandurf te trekken. Toegegeven, ik voel me daar zelf ongemakkelijk bij, en deze tekst schreef ik niet voor mijn eigen plezier. Vaak heb ik vertwijfeld mezelf de vragen gesteld: “Hoe is het mogelijk dat ik dit moet vertellen? Waarom ik? Wat drijft me tot dergelijke ideeën en idealen?” Het is moeilijk en frustrerend om zo vaak te wijzen op onze verantwoordelijkheid in de wereldproblemen, en om vervolgens zo vaak harde tegenreacties te krijgen, want ik heb behoefte aan acceptatie en wederzijds respect. Ik had liever gewild dat die grote problemen er niet waren. Het zou best kunnen dat deze tekst mensen tegen de borst stuit. Als dat gebeurt, vind ik dat ontzettend jammer. Ik wil hier alvast de gelegenheid nemen om me te excuseren, om vergiffenis te vragen. En ook begrip, omdat ik me ongemakkelijk voel bij het vertellen van dit verhaal. Misschien heb ik het bij het verkeerde eind, misschien ben ik gewoonweg fout. Echter, ik heb jarenlang bewust naar zwaktes in mijn redeneringen en standpunten gezocht, ik heb geluisterd naar veel kritiek, maar niets bleek krachtig genoeg om mijn overtuigingen te doen wankelen. Ik voel dat de tijd rijp is, ik moet het aandurven om mijn visie openlijk te verwoorden.

Wat ik hier ga vertellen heeft als bedoeling een inzicht te verschaffen. Ik zal vertrekken met een aantal uitgangspunten in verband met wat waarde heeft. Wat is moreel waardevol? Over deze uitgangspunten kan (of wil) ik niet discussiëren. Het zijn aannames waarvan ik slechts kan hopen dat ze worden gedeeld door anderen. Maar dan komt het, mijn gedreven poging om het fenomeen ‘onvriendelijk gedrag’ te verklaren door de grondoorzaak: ons egoïsme. Met andere woorden: iemand die mijn uitgangspunten deelt en toch onvriendelijk gedrag vertoont, is op dat punt, op dat moment, egoïstisch, hebzuchtig bezig. En iemand die mijn uitgangspunten niet deelt heeft op dat vlak immorele standpunten. Dat is de stelling die ik hier durf te verdedigen. Daar mensen vaak niet willen doorgaan als ‘egoïst’, hoop ik dat onderstaande hen kan aansporen om altruïstischer te worden, om zich ‘vriendelijker’ te gedragen t.o.v. mens, dier en natuur. Eigenlijk is dit mijn zoveelste poging om heldere argumenten te geven om ons onvriendelijke, destructieve gedrag aan te passen, goed beseffend dat zelfs krachtige, heldere argumenten vaak nog onvoldoende blijken te zijn om iemand te overtuigen.

Wat is waardevol?

Om te beginnen wil ik beschrijven hoe ik zelf tot een aantal morele standpunten ben gekomen. Eigenlijk was dat heel eenvoudig, gewoon een combinatie van intuïtief aanvoelen en vervolgens kritisch nadenken. Als een dierbare pijn heeft, lijdt of gaat sterven, moet die persoon geholpen worden. Daar is – denk ik – iedereen het mee eens. Het welzijn moet gemaximaliseerd worden, het lijden geminimaliseerd. Maar geldt dat enkel voor mensen in je naaste omgeving? Nee, dat voelt niet goed aan, dat is discriminatie. Niemand mag lijden of vroegtijdig sterven. Alle mensen tellen mee en discriminatie is in alle gevallen verkeerd. Iemand in nood moet geholpen worden. De kwetsbaren moeten we beschermen. We mogen niemand kwetsen, en dus moeten we ernaar streven om geen geweld te gebruiken. De universele verklaring van de rechten van de mens opent met de stelling dat iedereen vrij en gelijk in waardigheid en rechten is geboren. Vrijheid en gelijkheid, waardigheid en rechtvaardigheid. Die woorden vormen een mooie melodie.

Maar het is nog niet goed genoeg, we moeten verder durven kijken, voorbij de mensheid. Het antropocentrisme (‘antropos’ is Grieks voor ‘mens’) stelt enkel de mens centraal: enkel de mens heeft rechten, heeft waardigheid. Dit is een soortegoïsme: de menselijke soort denkt enkel aan zichzelf, vindt enkel zichzelf belangrijk.

Maar wat met de dieren? Die mogen we toch ook niet verwaarlozen? Vele mensen zorgen voor huisdieren, en dat is goed, want bv. honden en katten zijn ook waardevol. Maar er is geen enkele reden om niet ook voor andere dieren te zorgen. Mededogen naar de dieren toe is moreel verplicht. Dieren hebben ook rechten, op leven, op welzijn. Een universele verklaring van de rechten van het dier zou een mooie morele stap voorwaarts zijn.

Echter, enkel empathie met dieren die kunnen voelen is nog niet voldoende. Ook bloemen, grote bomen of vlinders zijn prachtig en verdienen onze eerbied. Maar zijn het dan enkel de mooie of grote dieren en planten die waardevol zijn? Van jongs af werd me bijgebracht dat mensen met een ‘lelijk’ uiterlijk, toch ‘mooi’ kunnen zijn vanbinnen. Gehandicapten bijvoorbeeld zijn evenwaardig met mensen die in onze maatschappij aan een (illusoir) schoonheidsideaal voldoen. En dwergen zijn evenwaardig met grote mensen. Uiterlijke schoonheid of grootte is moreel gezien totaal irrelevant, want daar heeft het individu niet voor gekozen. Vandaar dus mijn idee om ook lelijke of kleine dieren en planten op te nemen in onze groep van waardevolle wezens. Laten we daarom simpelweg elk levend wezen respecteren.

Tot slot heb ik een verwondering voor de rijkdom in de natuur. De talrijke verschillende types van ecosystemen en landschappen, de verschillende biologische soorten, de verschillende processen en natuurfenomenen,… dat is geniaal van de natuur. Mocht het bos uit één boomsoort bestaan en verder niets, geen dieren, geen struiken, dan is dat saai. Zogenaamde ‘monoculturen’ zijn minder waardevol. Vandaar mijn inzet om de biodiversiteit te bewaren, evenals mijn eerbied voor de culturele diversiteit van de talrijke volkeren op aarde. Het centraal stellen van het leven in al zijn rijkdom en diversiteit is een morele visie die we ‘biocentrisme’ noemen (of soms ook aangeduid met ‘ecocentrisme’).

De conclusie is dat we een lijstje hebben van alles wat waardevol is en wat bijgevolg bescherming, zorg en respect verdient. Elk levend wezen heeft een recht op leven. Elk levend wezen heeft een intrinsieke waardigheid die we niet mogen onderschatten. Gelijkwaardigheid en geweldloosheid zijn belangrijk, evenals vrijheid en welzijn van elk individu, en verder ook diversiteit en stabiliteit van ecosystemen… Dat zijn mijn uitgangspunten, die we kunnen samenvatten met het woord ‘biocentrisme’. Is iemand het oneens met een punt, dan beschouw ik diens standpunt op dat vlak als immoreel (zonder daarbij die persoon op zich te veroordelen).

Dat is allemaal goed en wel, maar het probleem is dat deze waarden vaak tegenstrijdig zijn. Er zijn duizenden morele dilemma’s. Hoe moeten we tegenstrijdige belangen afwegen? Hebben niet levende dingen, zoals bergen of rivieren ook waarde? En wat dan met door de mens gemaakte dingen zoals monumenten? Is het overleven van een zeldzame soort belangrijker dan het welzijn van een individuele mens? In hoeverre mogen we leven kwetsen of doden om ander kwetsbaar leven te helpen? Hoe kunnen we voor anderen, voor dieren of de natuur zorgen als we niet precies weten wat ze willen? Hoe weten we dat de natuur ziek of gezond is? Mogen we het welzijn van één individu (drastisch) verlagen om dat van vele andere te verhogen? Daar moet nog veel over gediscussieerd worden, maar dat gaan we hier niet doen want het zijn problemen waar ik zelf nog niet helemaal uit ben. Ik wil het over een andere boeg gooien.

Problemen

Laten we een onderscheid maken tussen problemen van eerste en van tweede orde. De problemen van tweede orde zijn dilemma’s waarbij er tegenstrijdige morele waarden zijn. De belangrijkste van die morele waarden werden hierboven opgesomd. Laten we ons hier focussen op de eerste orde problemen. Dat zijn problemen waarbij een morele waarde botst met een egoïstisch belang.

Wat bedoel ik met een egoïstisch belang? Om dat te begrijpen moeten we kijken naar de essentiële behoeften van de mens. Deze omvatten materiële of levensnoodzakelijke behoeften zoals eten, drinken, kleding, onderdak, veiligheid en medische zorg. Daarnaast zijn er talrijke immateriële essentiële behoeften zoals rust, activiteit, liefde, vriendschap, kennis, zingeving, humor, creativiteit, schoonheid, respect, acceptatie, authenticiteit, vrijheid, zelfexpressie, vertrouwen, zekerheid, harmonie,…

Tegenover de essentiële behoeften staan de luxebehoeften. Vaak is het bevredigen van dergelijke luxebehoeften direct of indirect (heel) schadelijk voor ander leven. Bij een verslaving kan het zelfs schadelijk zijn voor het eigen leven. Ook het overdadig bevredigen van vitale behoeften aan bv. voedsel, kleding of onderdak is te verwerpen. Egoïstische belangen bestaan uit luxebehoeften en de drang naar overdaad. De scheidingslijn tussen essentiële en luxebehoeften is vaak niet scherp te trekken. Ook hier kan weer veel over gediscussieerd worden, maar dat is voor een andere keer.

Om toch iets meer te zeggen, zal ik een uitgebreide lijst geven van wat in mijn ogen zoal kan doorgaan als luxeproducten en diensten: dieronvriendelijke of milieubelastende niet-biologische voeding, geïmporteerde goederen van verre landen, gemotoriseerde sporten, terreinwagens, onnodige auto- of vliegtuigreizen, luxehotels, airco’s, airco-refreshers, dure juwelen, (privé- of verwarmde openlucht) zwembaden, villa’s, flessenwater, wegwerpverpakkingen en blikjes, bontkledij, wasproducten met optische witmakers, haarkleurmiddelen, nagellak, esthetische chirurgie, elektronische of plastic gadgets, gloeilampen, vele snijbloemen, kerstbomen en -versieringen, papieren zakdoeken, wegwerpluiers, gemotoriseerde grasmaaiers, sierverlichting, commerciële en lichtreclame, modetrendgevoelige kleding, milieuonvriendelijke verf, afwas- en schoonmaakproducten, wegwerpfototoestellen, skipistes, kunstsneeuw, schaatsbanen in de zomer, slecht geïsoleerde of te grote huizen, heel veel soorten speelgoed, sigaretten en tabak, wapens, milieuonvriendelijk geproduceerde films en concerten, plastic wegwerpbekertjes, heel veel snoep, golfterreinen, pesticiden, energieverslindende plasmaschermen en computerspelen, vleesproducten (van intensieve veeteelt), visproducten van zeldzame vissoorten, genetisch gemanipuleerde organismen, chloorgebleekt of milieuonvriendelijk papier, mobilhomes, circussen met dieren, talrijke kermisattracties, energieverslindende pretparken, (gekooide of zeldzame) verhandelde dieren, kaviaar, sommige (speculatieve) financiële producten en diensten, pornografische of vrouwonvriendelijke producten en diensten, producten van onethische bedrijven of van oneerlijke handel, scampi’s van verwoeste mangrovewouden, chocolade van kinderarbeid, kledij van sweatshops, vruchten van illegaal bezette gebieden, spaarrekeningen van onethische banken die investeren in wapens, energie van fossiele of nucleaire brandstoffen, meubels van zeldzame houtsoorten,… Ik denk dat hiermee het idee duidelijk is. Van elk item in bovenstaande lijst kan ik helder formuleren waarom het levensonvriendelijk, schadelijk of vervuilend is en waarom het een overbodige luxe is. Laten we die boel afschaffen! En laten we voor de rest zo weinig mogelijk energie en grondstoffen verbruiken.

Ik zie rondom mij dat mensen massaal luxeproducten en diensten aan het consumeren zijn. Dat is enorm schadelijk voor andere mensen, dieren en planten. Die mensen wil ik aanspreken. Het gaat hier over problemen van eerste orde, en op dat terrein meen ik heel sterk te staan in mijn overtuiging. Als er i.v.m. deze problemen een discussie is, dan durf ik te beweren dat de argumenten van de tegenpartij meestal drogredenen zijn die zijn of haar egoïsme moeten verbergen. Daarom wil ik een aantal redeneringen en foutieve argumenten bespreken. De redeneringen die ik opbouw hebben telkens als uitgangspunten de morele waarden van het biocentrisme.

Laten we de discussie voeren!

“De technologie zal ons wel redden…”

Wat zou er gebeuren indien alle mensen in de arme landen evenveel gaan consumeren als de gemiddelde mens in een rijk land? Dan wordt dat een ramp, omdat grondstoffen heel snel zullen worden uitgeput, de biodiversiteit zal drastisch dalen, ecosystemen zullen verwoest worden,… Dit kan ik staven met sterke wetenschappelijke studies.

Aan de andere kant mogen we hieruit niet concluderen dat de armen arm moeten blijven, omdat dat anders een ramp zou zijn voor de natuur en de toekomstige generaties. Het in stand houden van de armoede is een flagrante schending van het gelijkwaardigheidsbeginsel.

Conclusie: wij in de rijke landen moeten onze consumptie drastisch laten dalen, en ons geld moet dienen om de essentiële behoeften van iedereen, en vooral dan van de armen, te bevredigen. Dat is de enige mogelijke conclusie die het biocentrisme ons oplegt. Toch zijn er vele mensen die denken dat we zo verder mogen blijven consumeren, omdat ze een groot vertrouwen hebben in wetenschappelijke en technologische vooruitgang.

Om het standpunt van die technologieoptimisten aan te vallen, wil ik een klein beetje wiskunde toepassen. De globale vernietiging van het leven op aarde kunnen we meten als het product van drie factoren:

  1. het aantal mensen, vermenigvuldigd met
  2. de gemiddelde productie en consumptie per mens, vermenigvuldigd met
  3. de gemiddelde schade veroorzaakt per eenheid geconsumeerd product of dienst.

Hieruit kunnen we besluiten dat er drie manieren zijn om de schade te verminderen. De technologieoptimisten kijken enkel naar de laatste factor. Propere, groene, ‘vriendelijke’ technologie laat toe om toch veel te consumeren met weinig schade voor mens en milieu. Ik ben het ermee eens dat we naar ethisch verantwoorde technologie moeten zoeken.

Maar hier komt mijn kritische bedenking. Is dat voldoende om de wereld te redden? De toestand in de wereld is dramatisch en moet zo snel mogelijk verbeteren. We moeten dus als de bliksem ethisch verantwoorde, fysisch haalbare, economisch rendabele, ecologisch duurzame én psychisch bevredigende technologie vinden. Technologieoptimisten moeten stevig kunnen bewijzen dat we tijdig voldoende van dergelijke wondertechnologie kunnen vinden en produceren. Ik denk niet dat ze dat op dit moment kunnen aantonen. Ik heb jarenlang met een goede wil geluisterd naar argumenten en studies van talrijke technologieoptimisten, maar ik ben nog steeds sceptisch.

Ik volg de volgende eenvoudige redenering. Wij, in de rijke, overontwikkelde wereld, hebben overvloed aan middelen en geld. Ondertussen zijn er ontzettend veel arme mensen in de wereld, zelfs ook in de rijke landen. En ondertussen sterven er ontzettend veel soorten planten en dieren uit door de activiteiten van de mens. Het uitsterven van soorten is niet zomaar de dood van een individu, maar de dood van de geboorte. Het is het permanente verlies van een volledige soort en daarom moreel gezien heel ernstig! Een individu doden is moord, een soort doden is supermoord. Moreel gezien vind ik het allesbehalve correct dat we een gedeelte van ons geld gaan investeren in de zoektocht naar propere, efficiëntere technologie, om onze welvaart te kunnen behouden terwijl ondertussen de daling van de biodiversiteit en de ellende van de minder gegoeden blijft voortduren.

Technologie vordert met sprongen die voor het grootste deel onvoorspelbaar zijn. Daarom zijn technologieoptimisten gokkers. Ik zou bijna durven zeggen ‘gokverslaafden’. We kunnen dit als volgt zien: we hebben een bepaalde hoeveelheid geld, en de vraag is hoe we dit het best kunnen spenderen. Gebruiken we het om de minder fortuinlijken te helpen of zetten we het in op een gokspel, hopende dat we meer geld terugwinnen zodat meer onfortuinlijken daar baat bij hebben? De keuze van dat gokspel lijkt ons een slechtere en zelfs immorele keuze. De kans dat we snel genoeg ‘vriendelijke’ technologie vinden, schat ik veel te klein in. Er zijn immers strenge vereisten en randvoorwaarden. We mogen uit ethische overwegingen en respect voor het leven niet alles doen met planten, dieren en mensen. Ook zijn er fysische (thermodynamische) grenzen aan de efficiëntie van motoren e.d. Efficiëntie is mooi meegenomen, maar als het verbruik sterker toeneemt, wordt de situatie er niet beter op. Het is dus niet gegarandeerd dat we sneller dan de sterfte van arme mensen en sneller dan de uitstervingssnelheid van soorten betere technologie kunnen uitvinden. Daarom kunnen we niet bijvoorbeeld tegen de arme mensen in Afrika zeggen: “Sorry, maar we gaan ons geld eerder investeren in de zoektocht naar betere technologie, dan in jullie armoedebestrijding. Als we snel zulke technologie vinden, kunnen jullie ons welvaartsniveau halen. Als we niet snel iets vinden, is dat jammer voor jullie en voor de natuur, maar wij behouden tenminste nog onze overvloed.”

Ik denk dat technologieoptimisten een verborgen agenda hebben. Bovenstaande redenering lijkt mij immers zo eenvoudig en krachtig, dat ik moeilijk kan geloven dat technologieoptimisten echt optimistisch zijn. Er zijn drie mogelijkheden: ofwel zijn technologieoptimisten gewoon dom, ofwel zijn ze niet bekommerd om het lot van diersoorten, toekomstige generaties of arme mensen, ofwel trachten ze hun egoïsme te verbergen en willen ze eigenlijk gewoon verder luxe consumeren. De eerste optie weiger ik aan te nemen, want ik heb respect voor mijn tegenpartij. Als de tweede optie het geval is, dan vind ik hun standpunt immoreel en wil ik hen aanmoedigen tot een biocentrische kijk op het leven. En ja, de derde optie houdt in dat ze op dat vlak egoïstisch zijn, en daar wil ik me eveneens tegen verzetten.

Als reactie op de technologieoptimisten pleit ik voor een technologierealisme, dat rekening houdt met de wetenschappelijke onzekerheden, dat het voorzorgsprincipe respecteert, dat technologische vooruitgang wel goed vindt, maar niet voldoende. Als we terugkijken naar onze bovenstaande wiskunde, dan zou ik naast de derde factor (de technologie) ook aandacht willen besteden aan de eerste twee factoren. De derde factor stelt dat het probleem ligt bij een gebrek aan efficiënte technologie. De eerste twee factoren formuleren het probleem in termen van respectievelijk overbevolking en overconsumptie. Er is niet alleen een gebrek aan efficiëntie in technologie en economie, maar er is ook een gebrek aan sufficiëntie, aan voldoening en tevredenheid met een soberder of eenvoudiger bestaan. Vele efficiënte wagens kunnen even schadelijk zijn als weinig onefficiënte.

Ik wil me verzetten tegen overconsumptie, tegen luxe en het lange lijstje van hierboven, maar ook tegen overbevolking. De mensheid kan niet eindeloos aangroeien, er zijn grenzen. Des te meer mensen, des te hogere eisen moeten we stellen aan de technologie, of des te minder mogen we consumeren. Overbevolking is echter een moeilijk thema, want het gaat eigenlijk over een vitale behoefte van onze soort: de voortplanting. De groei van de mensheid kan stoppen door een verhoogde sterftegraad, maar dat vind ik immoreel. Het is alleszins immoreler dan de tweede mogelijkheid, namelijk dat de groei ook kan stoppen door een verlaging van het geboortecijfer. Een vrijwillige beslissing tot het hebben van weinig kinderen lijkt me beter dan het laten opgroeien van veel kinderen in een wereld waarin wederzijdse competitie om schaarse grondstoffen zal toenemen. Als iemand drie of meer kinderen mag hebben, dan mag iedereen dat. Maar als iedereen dan ook effectief zoveel kinderen gaat hebben, wordt dat voor de Aarde te veel om te dragen.

Goed, voortplanting is een vitale behoefte, net als eten. Te weinig eten en je sterft. Te weinig voortplanting en de soort sterft. Dat is vanzelfsprekend niet goed. Maar teveel eten is zeker ook niet goed, dat zou egoïstisch zijn. We mogen niet constant eten. Op dit moment eet ik niet, maar dat wil niet zeggen dat mijn recht op voeding momenteel geschonden is. Conclusie: teveel voortplanting is niet goed, dat zou soortegoïsme zijn. Teveel voortplanting resulteert in een te sterke aangroei van de mensensoort, en andere dieren en plantensoorten zullen daardoor uitsterven.

Vele mensen steigeren bij de gedachte dat ik pleit voor een daling van het geboortecijfer (vooral dan in landen met een te hoog geboortecijfer). Dat vinden ze een te drastische beperking van de vrijheid om zelf te beslissen over de gezinssituatie. Maar het is vreemd dat een dergelijke reactie uitblijft als het gaat over bv. monogamie. Is dat ook geen inperking van de vrijheid? Een gedwongen beperking van het aantal geboortes is een schending van het recht op vrijheid. Maar teveel geboortes is een schending van bv. de waarde van biodiversiteit. Twee morele waarden zijn hier dus in conflict, we hebben een tweede orde probleem, en dergelijke problemen zijn vaak moeilijk. Ik kan alleen maar hopen dat mensen mijn boodschap begrepen hebben en vrijwillig kiezen voor een voldoende laag geboortecijfer. Om een richting te geven, wil ik stellen dat het geboortecijfer voorlopig minder dan twee geboortes per vrouw is, zodat de wereldbevolking op termijn kan dalen tot een duurzaam niveau. Ik besef voldoende dat dit een moeilijke stelling is.

“Je stelt het te simpel voor.”

Ook een vaak gehoorde reactie is dat bovenstaande redeneringen te eenvoudig zijn, en dat maakt mensen sceptisch. Het vreemde is dat eigenlijk deze reactie ook te simpel is. Nog nooit heb ik criteria gehoord i.v.m. de complexiteit van een redenering opdat ze geloofwaardig wordt. Simpele redeneringen kunnen wel degelijk correct zijn. Een dergelijke reactie lijkt me daarom waardeloos, en het is een reactie die ik zelf nooit zou gebruiken om kritiek te geven op mijn tegenpartij. Ook hier weer heb ik een vaag vermoeden dat de tegenpartij hierbij zijn hebzucht wil camoufleren. Op naar de volgende tegenreactie dan maar…

“Je mag niet overdrijven.”

Ook dit is weer een snelle tegenreactie, waarbij de criteria van overdrijving mij niet geheel duidelijk zijn. Een seriemoordenaar zou kunnen opperen dat het verbod op moord een overdrijving is, dat het te ver gaat, te radicaal is. Hij zou kunnen zeggen dat er een ‘gulden middenweg’ is: niet te weinig, maar natuurlijk ook niet teveel moorden. Een paar, dat mag. Laat het duidelijk zijn dat bij mij een dergelijke houding niet deugt, en dat ik dit voorbeeld als analogie wil nemen voor iemand die overconsumeert. Ik denk dat iemand die zegt dat ik overdrijf, hebzuchtige belangen wil verdedigen.

“Doemdenkers, zo erg is het allemaal niet.”

Hier ga ik niet veel woorden aan besteden. Vanuit een biocentrische visie kun je zien dat de situatie rampzalig is. Zoveel geweld, leed en destructie verdient echt wel de naam apocalyps. Een kind dat sterft van de honger, dat is een apocalyps, tenzij je dat kind niet zo waardevol vindt. Dat de mensheid gaat uitsterven of de aarde helemaal gaat vergaan weet ik niet, en laat ik voorlopig in het midden. Maar als door het toedoen van de menselijke hebzucht één soort – laat staan duizenden – uitsterft, dan is dat een doemscenario voor die soort en voor de waardigheid van het leven. De stelling dat het allemaal wel meevalt, is een vorm van negationisme en is immoreel.

“Versoberen? Dat is niet goed voor de werkgelegenheid, voor de economie.”

En de economie is niet goed voor de ecologie, voor het leven. Onze kapitalistische neoliberale economie werkt met uitbuiting, dat is immorele werkgelegenheid. Het produceren van dodelijke wapens, van luxeproducten, dat is immorele werkgelegenheid. We doen het verkeerde werk. Vanuit een hebzuchtige blik is zoveel mogelijk geld verdienen het enige doel van arbeid, en de ademloze geldverdiener heeft geen tijd meer om van het leven te genieten. Hij komt in de greep van de wereldwijde megamachine terecht. En dan heb ik het nog niet over de superrijken, de winstmaximaliserende multinationals die mensenrechten schenden, de ongelijke verdeling van inkomens, de oneerlijke handel,… We moeten uit dit radeloze vervreemdende systeem stappen. Ik kan talrijke argumenten geven waarom onze economie niet biocentrisch is. Het kapitalistisch systeem van materiële productie, eigendom en winstmaximalisatie is zelfs gefundeerd in egoïsme. De economie groeit in de verkeerde richting, onze ‘morele groei’ loopt ver achter.

Het beschermen en verzorgen van kwetsbaar leven, het produceren van mens-, dier- en milieuvriendelijk voedsel,… er is nog veel werk in de wereld. En waarom moeten we zoveel werken en produceren? We moeten ook plaats maken voor niet-materiële waarden. Het is waar dat ik geen economische blauwdruk heb voor een utopische wereld. Ik stel voor dat we ons eigenbelang opzij zetten en massaal gaan zoeken naar een beter, rechtvaardiger en duurzamer economisch systeem. Daar is ook nog werk aan de winkel…

“Je gaat de mensheid niet kunnen bekeren. Denk je dat jij alleen de wereld kunt redden? Waarom zou ik soberder moeten gaan leven als de rest toch gewoon verder doet?”

Het is waar dat ik mijn kansen om de ganse mensheid te bekeren wel heel erg laag inschat. Wat de tegenpartij hier beweert is dat ik de mensheid niet kan bekeren, want de mensheid is nu eenmaal egoïstisch. Maar één individu, die ene persoon die tegenover mij zit, dat moet toch lukken? Dus ik wil zijn reactie herformuleren: zou hij even oprecht stellen dat “je mij niet kunt bekeren, want ik ben nu eenmaal hebzuchtig en ik denk enkel aan mezelf…”?

Dat de rest verder de wereld blijft vervuilen en vernielen is geen argument om de eigen verantwoordelijkheid te ontlopen. Het biocentrisch altruïsme is bereid tegen de stroom in te roeien, desnoods alleen. Dat is moeilijk, maar het is de enige moreel correcte optie. Het feit dat de rest van de mensheid zich nog te vaak op een antropocentrische en egoïstische wijze gedraagt, rechtvaardigt niet dat wij ons ook zo mogen gedragen.

Bovendien zoek ik steun en samenwerking. Als ik één individu kan overtuigen mee te roeien, dan staan we sterker en kunnen we de volgende persoon aanspreken. Drie roeiers… Zo kan er een sneeuwbaleffect ontstaan.

“We hebben er hard voor gewerkt, nu mogen we toch ook wel genieten, hé?”

Tja, ik vind het jammer dat iemand hard werkt om veel te consumeren, en dat ik dan kom zeggen dat diens consumptiegedrag heel schadelijk is. Er zijn mensen die heel hard werken… om anderen te dienen, om kwetsbaar leven te beschermen, te verzorgen, te helpen. Dat is nobel…

“Leef jij wel consequent? Jij verbruikt toch ook nog…”

Dit is een leuke… Het is ongelooflijk hoe vaak ik deze opmerking te horen kreeg. Ik begin het zelfs grappig te vinden, want het is eigenlijk zo bizar. Moreel bekeken is het feit dat ik nog vervuil totaal irrelevant voor de morele verantwoordelijkheid van de tegenpartij. Wat de tegenpartij beweert, is eigenlijk: “OK, ik ben egoïstisch, maar kijk eens naar jezelf, jij bent niet beter dan ik. Jij bent ook egoïstisch, jij stelt het voorbeeld, dus ik mag ook verder egoïstisch zijn.” Dat is een foutieve redenering. We moeten een onderscheid maken tussen de boodschap en de boodschapper. Als een vervuiler zegt dat vervuiling slecht is, heeft hij wel een correct standpunt (maar een foutief gedrag).

Deze reactie is een typisch voorbeeld van ‘shoot the messenger’: ‘luister niet naar de boodschapper met slecht nieuws’. De enige verklaring van dergelijk gedrag die ik kan bedenken, is een reflex om zelfbehoud. Iemand met egoïstische belangen wordt niet graag bekritiseerd.

“Het is te moeilijk, ik kan niet versoberen, ik kan niet tegen de stroom in roeien.”

Voor dergelijke houding heb ik veel respect, want het getuigt van oprechtheid. Er zijn mensen die een biocentrische visie hebben of zouden willen hebben, maar die een biocentrisch leven vol altruïstische overgave en belangeloze dienstbaarheid te zwaar vinden. Ze geven toe dat ze te weinig wilskracht en discipline hebben. Dat ze voldoende wilskracht hebben om eerlijk te zijn is toch al lovenswaardig.

Ook voor mij is het vaak moeilijk, en ook ikzelf leef zeker niet altijd consequent volgens mijn idealen. Dat had de tegenpartij al door. Ik verbruik nog producten die misschien toch nog bij de ‘luxe’ zouden kunnen behoren. Niettemin beschouw ik het biocentrisch altruïsme als een open zoektocht. Vele egoïstische verlangens heb ik reeds overwonnen. Vele moeten er nog overwonnen worden. Waar het zal eindigen, hoever ik zal geraken, dat weet ik niet. Iedereen die mee de zoektocht naar het ideale biocentrisch altruïsme aangaat, verdient op dat vlak respect. Iemand die zoekt, die tracht zijn verslaving(en) te overwinnen, verdient alle steun en zeker niet een demotiverende kritiek.

Naar een biocentrisch altruïsme

In de afgelopen jaren heb ik nog talrijke tegenargumenten en drogredenen gehoord. In plaats van die allemaal te bespreken, stel ik gewoon voor dat iedereen bij zichzelf eens nagaat of de eigen argumenten geen vorm van egoïsme verbergen.

Ik droom van een wereld waarbij iedereen zich op een biocentrische altruïstische wijze gedraagt. Zelf streef ik ernaar om afstand te doen van mijn luxebezittingen, omwille van het welzijn van allen. Ik wil een onuitputtelijke schat zijn voor de behoeftigen en ik wil hen bijstaan met allerlei vormen van hulpverlening. Ik wil een beschermer zijn voor hen die onbeschermd zijn. Ik wil altijd bij de armen en kwetsbaren zijn om hen te dienen. Ik wil me verzetten tegen onrechtvaardigheid en ongelijkwaardigheid, tegen onderdrukking en onvrijheid. Ik wil verder streven naar de overwinning op mijn hebzuchtige begeerten. Ik wil de tegenpartij aanmoedigen om ook biocentrisch en onbaatzuchtig te leven, en dat wil ik bereiken met zo weinig mogelijk geweld.

Een leven in dienstbaarheid is soms erg moeilijk, want je moet oppassen voor ontgoochelingen, frustraties en respectloze reacties. Maar vaak is het ook mooi, boeiend en uitdagend. Als ik naar mezelf kijk, voel ik me gemiddeld genomen zeer vreugdevol, omwille van de verbondenheid die ik voel met alle leven. Zorgzaamheid naar anderen toe schept vreugde. Het besef dat ik deel uit mag maken van een mondiale beweging die strijdt tegen onrecht, die zich verzet tegen vernieling, geeft mij een gevoel van trots. Het beschermen van kwetsbaar leven geeft energie. Het overwinnen van talrijke hebzuchtige verlangens en verslavingen werkt bevrijdend. Het laat een glimlachende tevredenheid ontstaan. Altruïsme geeft een warm gevoel. Geen angst, geen jaloezie, geen kille afhankelijkheid, geen blinde consumptiedwang en geen stress meer. Het biedt een andere kijk op dagdagelijkse persoonlijke probleempjes. Samenhorigheid, solidariteit, creativiteit, openheid, verdraagzaamheid, gastvrijheid, tevredenheid, gelukzaligheid, nieuwsgierigheid, schoonheid, evenwichtigheid,… dat is leven, eenvoudig in middelen, maar rijk in doelen. Begrijp je?

Dit bericht werd geplaatst in Blog en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s