De veiligheidsdemografiek. Bevolking en burgerconflicten na de koude oorlog. (Boekbespreking)

(The security demographic. Population and civil conflict after the cold war. R.P. Cincotta, R. Engelman and D. Anastasion. Population Action International, 2003)

Heeft de dynamica van de menselijke bevolking – geboortecijfer, leeftijdsstructuur, distributie,… – invloed op wanneer en waar oorlog zal uitbreken?

Dat een militair, majoor generaal W.H. Draper Jr., één van de stichters is van wat nu Population Action International (PAI) is, is te merken aan deze uitgave. Het is interessant voor een vredesactivist om eens een ietwat ander perspectief te bekijken, want ook (sommige) militairen en inlichtingendiensten zijn terecht bekommerd om de veiligheid; ze willen kunnen voorspellen waar nieuwe gewapende conflicten zullen losbarsten, en ze willen de oorzaken kennen om dergelijke conflicten te vermijden.

De opzet van deze studie is tamelijk eenvoudig: kijk naar alle actieve gewapende (civiele of interstatelijke) conflicten in de periode 1990-2000, gaande van kleine conflicten (met minstens 25 gevechtsgerelateerde doden per jaar) tot oorlogen (meer dan 1000 doden per jaar[1]). Dat waren er 107 in 63 landen (dus meer conflicten en meer landen dan in elk van de voorgaande 4 decennia), met in totaal 2,5 miljoen slachtoffers. Die hoge aantallen zijn genoeg om wat aan statistiek te doen: statistische correlaties[2] werden bestudeerd tussen het risico op een gewapend conflict en de aanwezigheid van 4 kwantitatieve demografische stressfactoren: de jongerenaanwas (vergroening), de urbanisatiegraad, de competitie voor akkerland en vers water, en de HIV/AIDS-besmetting.

Volgens demografen houden deze vier factoren rechtstreeks of onrechtstreeks verband met de demografische transitie (afgekort tot ‘DT’), de verschuiving in de tijd van hoge naar lage geboorte- en sterftecijfers. De algehele conclusie (geteste hypothese) van de studie luidt dat de kwetsbaarheid van een land voor burgerconflicten daalt bij een progressie doorheen de DT. Door deze DT evolueren vele landen naar een zogenaamde veiligheidsdemografiek, een kenmerkende bevolkingsstructuur en dynamica die conflicten minder waarschijnlijk maakt. Deze voortgang was de afgelopen decennia indrukwekkend: in 35 jaar tijd is de totale groeisnelheid van de wereldbevolking, evenals de gemiddelde kindersterfte en de familiegrootte, gehalveerd. Maar deze evolutie is ongelijk, en wordt ernstig bedreigd, omwille van een sterke achterstand in de armste en slechtst bestuurde landen. Laten we even de belangrijkste resultaten en aanbevelingen samenvatten.

Belangrijkste resultaten

-Er is een duidelijke en consistente correlatie tussen het geboortecijfer en burgerconflicten: een daling in het jaarlijkse geboortecijfer van 5 geboortes per 1000 correspondeerde met een daling van 5% op de waarschijnlijkheid op een burgerconflict voor de volgende 10 jaar. Dit is een daling van ongeveer 40% kans op conflict in de beginfase van de DT naar 5% kans in de eindfase. M.a.w. een daling van 35% in de kans op een conflict.

-Sommige staten met een demografisch hoog risico op conflicten hebben dat risico geminimaliseerd door landhervormingen, emigratie, het creëren van urbane werkgelegenheid, het aankaarten van etnische gevoeligheden,…

-De belangrijkste demografische stressfactoren zijn de ‘youth bulge’ (het percentage jonge volwassenen tussen 15 en 30 jaar) en de urbanisatie. Landen met een youth bulge van meer dan 40% of een jaarlijkse groei van de stedelijke bevolking van meer dan 4%, hebben een meer dan dubbel verhoogd risico op conflicten. Een mogelijke verklaring is een hoger (militair) recruteringspotentieel bij jonge werklozen in de steden.

-Landen met een lage beschikbaarheid aan akkerland en/of hernieuwbaar vers water verhogen de kans op conflicten. Waterschaarste wordt vaak aangekaart als een potentiële dreiging voor interstatelijke oorlogen en spanningen tussen etnische groepen, maar de recente conflicten werden toch sterker beïnvloed door landgerelateerde bedreigingen bij traditionele rurale gemeenschappen (geschillen over landverdeling,…).

-Men zou verwachten dat de gevolgen van HIV, zoals een verlies aan maatschappelijk relevante professionelen (leerkrachten,…), een verzwakking van militaire eenheden[3] en een verhoging van het aantal weeskinderen, een verhoogd risico op conflicten inhouden. Maar de beschikbare data zijn (nog) niet voldoende om dit te staven.

-In de nabije toekomst zijn de hoogste demografische risico’s op gewapende conflicten geconcentreerd in sub-Sahara-Afrika, het Midden-Oosten en Zuid-Azië. 25 landen hebben kritische niveaus bereikt in de drie voornaamste demografische stressfactoren (youth bulge, urbanisatie en competitie voor akkerland).

Aanbevelingen

De studie van PAI bevat ook enkele interessante aanbevelingen, vooral m.b.t. internationale samenwerking voor het bevorderen van de DT in de armste landen. Omwille van nationale en internationale veiligheid, raden ze aan om meer te investeren in (seksuele) gezondheid en opvoeding in ontwikkelingslanden. Hoewel dat voornamelijk een zaak is voor de gezondheids- en sociale dienstensector en de internationale donoren voor ontwikkelingssamenwerking, wordt gesteld dat ook militaire, diplomatieke en inlichtingendiensten een belangrijke rol kunnen spelen, o.a. door het verschaffen van steun en betrouwbare informatie aan beleidsmakers. De aanbevelingen kunnen in vier aspecten worden onderverdeeld.

1) Promotie van de DT.

  • Het mobiliseren van politieke wil voor betere diensten die vrouwen en koppels in staat stellen om zelf te kiezen voor de timing en de frequentie van zwangerschappen en geboortes. Uit studies blijkt dat dergelijke aanpak het geboortecijfer sterk kan doen dalen, voornamelijk in landen met een hoge vruchtbaarheidsgraad.
  • Het ondersteunen van internationale inspanningen die de educatie van meisjes verlengen en versterken, die de toegang van vrouwen tot inkomengenererende activiteiten bevorderen, en die kindersterfte doen dalen.
  • Het benadrukken aan beleidsmakers dat er verbanden bestaan tussen bevolkingsdynamica en gewapende conflicten, en die bijgevolg de fondsen kunnen veiligstellen voor programma’s voor gezinsplanning, gezondheidszorg, vrouweneducatie, HIV/AIDS-preventie en -behandeling,…

2) Bevorderen van de toegang tot kwaliteitsvolle reproductieve gezondheidszorg voor vluchtelingen, lokale bevolking en militair personeel.

  • Het inschakelen van militair personeel voor het verlenen van logistieke en organisationele steun aan organisaties (zoals het United Nations Population Fund UNFPA en het UN High Commissioner for Refugees UNHCR) die reproductieve gezondheidszorg verstrekken in post-conflict-regio’s.
  • Financiering van uitgebreide toegang tot informatie en diensten m.b.t. contraceptiva.
  • Het aanmoedigen van regeringen om HIV/AIDS-preventie en -behandelingsprogramma’s te introduceren bij de gewapende strijdkrachten, evenals het probleem aankaarten bij militair personeel en hun families.

3) Ondersteunen van de rechterlijke, opvoedkundige en economische status van vrouwen.

  • Politieke en sociale hervormingen aanmoedigen die er voor zorgen dat meisjes naar school kunnen blijven gaan en dat vrouwen economische kansen krijgen, kan de DT bevorderen. Meer gekwalificeerde vrouwen in belangrijke en zichtbare diplomatieke en militaire rollen kan ook als model dienen voor veranderende attituden.
  • Het aanmoedigen van vrouwen om te werken bij politieke instellingen en om te participeren in conflictpreventie en post-conflict-onderhandelingen. Dat kan resulteren in een verschuiving van prioriteiten die menselijke ontwikkeling bevorderen i.p.v. continue strijd.
  • Het aankaarten van geweld tegen vrouwen, vooral in vluchtelingen- en post-conflict-situaties.

4) Demografie betrekken in de analyse door het opnemen van demografische data en projecties in veiligheids- en andere studies.

Stijn Bruers


[1] Merk op dat het aantal verkeersslachtoffers in België ook groter is dan 1000. Dus volgens dit criterium (maak abstractie van het onderscheid tussen gevechtsslachtoffers en verkeersslachtoffers) zouden we kunnen (moeten) spreken van een burgeroorlog in België.

[2] Statistische correlaties tonen enkel aan dat twee factoren samen kunnen optreden. Ze vertellen daarom nog niets over causale (oorzaak-gevolg) relaties. Die laatste komen pas ter sprake bij het zoeken naar mogelijke verklaringen.

[3] Ook hier weer valt de ‘militaire’ invalshoek op: er wordt een sterke nadruk gelegd op de aanwezigheid van HIV/AIDS bij militair personeel in talrijke (vooral Afrikaanse) landen. Militairen zijn kwetsbaarder voor onveilige seksuele contacten, en bovendien wordt er gesteld dat een verzwakt militair apparaat ook de nationale veiligheid in het gedrang brengt (hoewel er op gewezen wordt dat een sterk militair regime gemakkelijker politieke oppositie kan onderdrukken…).

Dit bericht werd geplaatst in Boekbesprekingen. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s