Terra Incognita (boekbespreking)

Terra Incognita, Globalisering, ecologie en rechtvaardige duurzaamheid. Peter Tom Jones & Roger Jacobs, Academia Press 2006.

Een indrukwekkend boek van meer dan 600 pagina’s verdient eigenlijk een indrukwekkende bespreking, maar daar ben ik niet toe in staat. Er staat zoveel materiaal in, vaak uniek in de Nederlandse literatuur, dat het volgens mij verplicht is om te lezen indien men mee in het milieudebat wil stappen.

Het boek is goed gestructureerd in 11 hoofdstukken, verdeeld in 3 delen:

  1. het ecologische vraagstuk, dat meer milieuwetenschappelijk en economisch gericht is,
  2. de wortels van de ecologische crisis doorheen de menselijke evolutie, met een schets van een groene wereldgeschiedenis, en
  3. uitwegen uit de ecologische crisis, met macro- en micropolitieke strategieën.

We zullen een korte beschrijving geven van elk hoofdstuk.

Het inleidende hoofdstuk beschrijft de situatie in het (post)moderne wetenschappelijk onderzoek naar complexe systemen, voornamelijk het klimaatsysteem en de talrijke ecosystemen op aarde. De vlinder van Lorenz vertelt het idee dat de kleine vleugelslag van één enkele vlinder in China een voldoende verstoring kan teweegbrengen in het klimaatsysteem, wat een maand later invloed heeft op het al dan niet aanwezig zijn van een krachtige orkaan in Mexico. Kleine verstoringen, grote gevolgen; de complexe systemen vertonen vaak een niet-lineair, onvoorspelbaar en chaotisch gedrag. Een verdere basiskennis van complexe systemen bevat ideeën zoals plotse bifurcatiesprongen, positieve feedback-lussen, meervoudige (meta)stabiele toestanden, kritische drempelwaarden,… Dit is de taal die klimatologen en ecologen gebruiken om de antropogene klimaatwijzigingen en de gevolgen hiervan voor het aardse leven te begrijpen. De perceptie van de meeste wetenschappers (eerlijkheidshalve moeten we hier spreken van een wetenschappelijke consensus) is dat de aarde zich in een ‘no-analogue state’ bevindt, die heel ernstig moet genomen worden. De kennis van complexe, niet-lineaire, gekoppelde systemen is cruciaal om mee te kunnen spreken over zaken zoals het voorzorgsprincipe,…

Het eerste hoofdstuk is geschikt om korte metten te maken met enkele milieuoptimisten, zoals Lomborg. Dat wordt beschreven in het tweede hoofdstuk. Interessant is hier dat er een kritiek wordt geformuleerd op de vaak aangehaalde relatie tussen economische groei en milieukwaliteit (de Kuznetscurve).

Het derde hoofdstuk is een moderne versie van het ‘grenzen aan de groei’ verhaal van de Club van Rome. Hier komen concepten als eindigheid, thermodynamische (entropische) grenzen, volle versus lege wereld,… aan de orde. Het falen van het neoklassieke milieueconomisch paradigma en de groei in kennis van complexe ecosystemen resulteerde in de opkomst van een veelbelovende recente stroming in de economie: de ecologische economie. De globale strategie van de ecologisch economen in het oplossen van problemen bestaat uit drie stappen. Eerst en vooral moet de ecologisch duurzame schaal, het draagvlak, worden vastgelegd. Hiervoor is kennis van de wetenschappelijke ecologie noodzakelijk. Ten tweede moet gestreefd worden naar een rechtvaardige verdeling, rekening houdend met de schaal. Dit is iets voor de ethiek. De geglobaliseerde aard van de hedendaagse ecologische crisis en de natuurlijke eindigheden, resulteert in een scherpere formulering van het rechtvaardigheidsvraagstuk. Pas als laatste gaat men streven naar (allocatieve) efficiëntie, datgene waarmee de neoklasieke milieueconomen zich bezighielden. De ecologische economie is dus het toonbeeld bij uitstek van een vruchtbare interdisciplinaire samenwerking.

Een concept dat belangrijk is in het begrijpen van de link tussen economie en duurzaamheid, is de notie van het verdisconteren. Mocht je kiezen tussen het krijgen van 100€ nu, of het krijgen van datzelfde bedrag maar dan pas over een jaar, dan zou je rationeel overwegend kiezen voor de 100€ nu, want dat kun je dan uitlenen of beleggen, en in een systeem met positieve rentevoeten zul je over een jaar er extra geld aan verdiend hebben. Dit idee dat 100€ nu meer waarde heeft dan 100€ volgend jaar, leidt bijvoorbeeld tot het feit dat het economisch rendabeler is om een bos nu meteen onduurzaam te kappen en de winsten ervan ergens te beleggen. De kennis van het geldstelsel is dus cruciaal om te komen tot ecologische duurzaamheid. De concrete ideeën die hieruit volgen, zoals démurrage en negatieve rente, komen in een later hoofdstuk nog aan bod.

Het vierde hoofdstuk behandelt de geschiedenis van het haast contradictorische en vaak misbruikte concept van duurzame ontwikkeling. Hier wordt een pleidooi gehouden voor een alternatief van het BNP: de ISEW, de index voor duurzame economische welvaart. Kijkt men naar het verloop van deze indicator, dan blijkt dat het economisch systeem toch niet zo goed botert. Verder worden nog de verschillende perspectieven t.a.v. duurzame ontwikkeling besproken, gebaseerd op het werk van Wolfgang Sachs.

Het vijfde hoofdstuk is een belangrijk hoofdstuk. Het behandelt concepten als sterke en zwakke duurzaamheid, het ecologisch draagvlak, de milieugebruiksruimte, ecologische overshoot, operationele duurzaamheid, kwantitatieve milieu-impact-indicatoren, ecologische schuld,… Het geeft een uitvoerige beschrijving van de ecologische voetafdruk met zijn sterke en zwakke punten. De relevantie van deze concepten is duidelijk, alleen jammer dat het soms nogal een moeilijke en onduidelijke uitleg is.

Waar er in het eerste hoofdstuk een kritiek kwam op het verband tussen economische groei en milieukwaliteit, wordt er in dit hoofdstuk een kritiek gegeven op een ander vaak aangehaald argument: Ricardo’s idee van de comparatieve kostenvoordelen die een relatie leggen tussen internationale handel, economische groei en efficiëntie. Deze kritiek op het neoliberale globaliseringsdiscours is cruciaal om het pleidooi te begrijpen voor een EFTO, een Eco-Fair Trade Organisation, ter vervanging van de WTO.

Hoofdstukken zes, zeven en acht beslaan het tweede deel van het boek, en handelen over de drie stadia in de menselijke-culturele-ecologische geschiedenis. Van de egalitaire jager-verzamelaar-culturen over de agrarische maatschappij naar de industrieel-kapitalistische maatschappij. Er wordt uitvoerig ingegaan op de wereldbeelden van de verschillende culturen, de energetische basis, de economie, de demografie, de dominantie, het macroparasitisme, het landschap,… Zo wordt o.a. het intrigerende en lugubere voorbeeld gegeven van een tribale samenleving op een eiland en diens culturele populatieremmende mechanismen.

In het derde deel worden mogelijke pistes gegeven voor uitwegen uit de ecologische en rechtvaardigheidscrisis. Hoofdstuk negen gaat over een andere economie, met enkele concrete ideetjes van de economische economie en de andersglobaliseringsbeweging, zoals daar zijn Cap & Trade, Contraction & Convergence in een post-Kyoto-akkoord, Pigouviaanse fiscaliteit, stationaire economie, dematerialisering, een EFTO, een International Clearing Union, en alternatieve geldstelsels.

Hoofdstuk tien handelt over een andere technologie. Technologie is niet moreel neutraal, daar het ingebed is in een maatschappij en het Wetenschap-Technologie-Kapitaal (WTK)-bestel. Deze inbedding, samen met het gehanteerde dominante moderne wetenschapsbeeld en de kennis van complexe systemen, betekent dat men sceptisch kan staan tegenover evolutie in bijv. de genetica (GGO’s,…), kernenergie,… Er is sprake van een paradigmaverschuiving en de opkomst van een postmodern, holistisch wereldbeeld, maar de beschrijving hiervan is nogal op het clichématige af, een beetje ongenuanceerd en niet altijd correct naar theorieën van bijv. Einstein toe. Toch geeft het een goede ruwe indruk van de wereldbeelden die circuleren binnen de wetenschap.

Daar vaak het verwijt valt dat ecologisten anti technologie zijn, doen de auteurs een goede poging om aan te wijzen aan welke criteria een goede technologie dan wel moet voldoen. Normen als zachtheid, foutvriendelijkheid, hernieuwbaarheid, het voorzorgsprincipe en het democratische karakter worden besproken, maar naast de zoektocht naar properdere, efficiëntere, minder verkwistende technologie moet ook de norm van sufficiëntie belicht worden. Als auto’s minder gaan verbruiken door een hogere efficiëntie, terwijl er tegelijk meer wordt gereden door een gebrek aan sufficiëntie, dan kan de milieu-impact toch stijgen.

Het idee van sufficiëntie leidt ons tot het elfde en laatste hoofdstuk: van de spirituele verarming, vervreemding en rusteloosheid van de homo economicus naar een ethiek van verbondenheid met de aarde en de medemens, onthaasting en actieve hoop.

Samenvattend kan men stellen dat dit lijvige boek een uniek samenraapsel is van natuurwetenschap, geschiedenis, economie en filosofie. Door het op dergelijke manier te presenteren slagen de auteurs erin om diepere inzichten te geven en verbanden te leggen in de problematiek van een globale rechtvaardige en ecologische duurzaamheid. Een must voor iedereen die begaan is met sociale en milieuvraagstukken, en bovendien is het boek wetenschappelijk gereviewed en mag het daarom het Ginkgo-kwaliteitslabel dragen.

Stijn Bruers

Dit bericht werd geplaatst in Boekbesprekingen. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s