De intrinsieke waarde van biodiversiteit

Samenvatting: in dit artikel willen we aantonen dat de biodiversiteit voor een ecosysteem een beetje analoog is aan het welzijn voor een voelend wezen: beiden zijn intrinsiek waardevolle eigenschappen van een entiteit (ecosysteem, voelend wezen) dat onvervangbaar is.

Intrinsieke waarde bij mensen

Intrinsieke waarde verwijst naar het doel (de uiteindelijke reden) van ons handelen. Dat doel kunnen we nagaan met een vragenreeks. Een voorbeeld: waarom is het belangrijk dat we een gewonde persoon helpen? Om zijn leed te verzachten. Waarom is het belangrijk om iemands leed te verzachten? Omwille van diens welzijn. Waarom is welzijn belangrijk? Daarom! Als men dus geen ander antwoord meer kan geven, behalve “Daarom!”, dan heeft welzijn intrinsieke waarde of doel-op-zich-waarde. Welzijn is een doel op zich, en in ons handelen willen we het welzijn van mensen verhogen.

Maar er is meer: we willen niet zomaar het totale welzijn van alle mensen verhogen. We willen bijvoorbeeld niet het welzijn van een meerderheid verhogen door iemand op te offeren. We zouden bijvoorbeeld een persoon kunnen doden om met diens organen (nieren, lever,…) meerdere mensen te genezen met orgaantransplantaties. Het totale welzijn zou daardoor kunnen stijgen, maar toch willen we dat niet. (Zie bv. ook de ethiek van medeleven en het maximin-principe.) Mensen zijn niet louter dragers van welzijn. Elke persoon is uniek en onvervangbaar. Elke persoon heeft uniciteitswaarde. Vergelijk het met vriendschap: een vriend is niet te vervangen.

Samengevat: een mens heeft uniciteitswaarde die we moeten respecteren, en daarnaast heeft een mens ook een welzijn dat intrinsiek waardevol is.

Intrinsieke waarde in de natuur

Mijn stelling is dat niet enkel de mens, maar elk levend wezen een uniciteitswaarde heeft. Een boom is niet zomaar te vervangen door een andere boom. En ook de natuur in zijn geheel heeft uniciteitswaarde. De natuur (het ecosysteem Aarde) is de verzameling van alle levende wezens en van alle interacties die die wezens hebben met hun omgeving. De natuur heeft geen bewustzijn, en dus ook geen welzijn. Maar toch heeft – net als een mens – ook de natuur een eigenschap die intrinsiek waardevol is: de biodiversiteit. De biodiversiteit van de natuur is dus analoog aan het welzijn van een mens: beiden zijn een doel op zich. Die analogie gaan we hier verder doortrekken.

De biodiversiteit is alles wat via natuurlijke evolutie (spontane genetische mutaties en natuurlijke selectie) is ontstaan. Het is dus een samenvattende term die de variatie aan planten- en diersoorten, populaties, landschappen, genen, ecologische processen,… omvat. Biodiversiteit is dus niet enkel het aantal soorten. Zo ook bestaat het welzijn niet enkel uit (lichamelijk) genot, maar omvat het ook gevoelens van vreugde, het vervullen van wensen, de afwezigheid van pijn, angst en stress,… Biodiversiteit is een brede, vage term, maar dat geldt dus ook voor het begrip welzijn. Net zoals bij welzijn belet dergelijke vaagheid ons niet om de waarde van biodiversiteit te respecteren.

Als er soorten uitsterven, daalt de biodiversiteit en is dat een aanwijzing dat het niet goed gaat met de natuur. Zo ook is een verlies aan welzijn van een persoon een aanwijzing dat het niet goed met hem gaat. Een ecosysteem heeft een spontane neiging om zijn biodiversiteit te vergroten, net zoals een persoon streeft naar een verhoging van welzijn. Die neiging maakt dat biodiversiteit en welzijn intrinsiek waardevol zijn. Een soort die uitsterft is misschien te vergelijken met iemand kwetsen door bv. een slag in het gezicht. Mijn stelling is dat het uitsterven van de blauwe vinvis even erg is als het uitsterven van bv. de Homo sapiens (de mensensoort). Zo ook is iemand op zijn linkerwang slaan even erg als iemand op zijn rechterwang slaan. Dat wil niet zeggen dat een wang of een soort op zich intrinsieke waarde hebben. Een soort is niets meer dan een abstract begrip, een verzameling van wezens die onderling vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen. Een dergelijke abstracte verzameling kan moeilijk intrinsieke waarde hebben. Maar toch blijft het uitsterven van een soort heel erg omdat biodiversiteit intrinsieke waarde heeft, en een soort draagt bij aan de biodiversiteit.

Daar we niet altijd goed weten hoe we het welzijn van een persoon kunnen verhogen tot voorbij een bepaalde basiswelzijn, gaat het er vooral om dat we niemand mogen kwetsen, dus dat we niet iemands welzijn mogen verlagen. Zo ook is het bij biodiversiteit onze eerste plicht om het verlies aan biodiversiteit te stoppen (zeker nu blijkt dat de mens de grootste bedreiging van de biodiversiteit vormt). We hebben dus niet de plicht om bv. via genetische manipulatie nieuwe soorten te creëren om zo de biodiversiteit te verhogen. Dergelijke strategie kan gevaarlijk zijn en onvoorziene nadelige gevolgen hebben. Hetzelfde geldt voor iemands welzijn: er zijn grenzen aan onze pogingen om iemands welzijn te verhogen. We mogen niet paternalistisch worden. Als ik bv. graag lees, zou ik bv. iemand kunnen verplichten om ook te lezen, in de verwachting dat dat zijn welzijn zal verhogen. Maar als blijkt dat die persoon niet graag leest, dan heb ik niet goed bijgedragen aan zijn welzijn. We hebben dus niet de plicht om zomaar wat te proberen om iemands welzijn te verhogen. Het willen verhogen van biodiversiteit door de introductie van genetisch gemanipuleerde organismen is misschien ook te vergelijken met het verhogen van welzijn door drugs toe te dienen.

In het verleden heeft de natuur te maken gehad met ernstige crisissen waardoor de biodiversiteit sterk daalde en talrijke soorten uitstierven zonder dat wij daar verantwoordelijk voor waren. Dat is echter geen geldig argument om de huidige biodiversiteitscrisis niet aan te pakken. Want ook mensen worden vaak geplaagd door allerlei ziektes, en dit feit geeft ons geen vrijgeleide om iemands welzijn te veronachtzamen. Bovendien: in de huidige biodiversiteitscrisis sterven soorten uit, waardoor elke verdere evolutie van die soorten belet wordt. Het behoud van biodiversiteit is dus niet hetzelfde als het willen stopzetten van natuurlijke evolutie. Soorten evolueren, maar niet als ze uitsterven.

Met bovenstaande ethiek kunnen we verschillende problemen die komen kijken bij natuurbehoud beter begrijpen. Een voorbeeld is het zogenaamde substitutieprobleem: mogen we een natuurgebied opofferen (bv. een bos kappen) als we elders een gelijkaardig natuurgebied (met dezelfde soortensamenstelling) aanplanten? Als we enkel kijken naar de biodiversiteit, dan mag dat, want de biodiversiteit daalt niet. Dat is te vergelijken met het geven van een pak slaag gevolgd door een tegenprestatie om het welzijn van die gekwetste persoon te behouden. Maar toch kunnen we niet zomaar dat natuurgebied verplaatsen, want de individuele levende wezens in dat bos hebben een uniciteitswaarde en zijn niet vervangbaar. Er is dus telkens een verlies als we een natuurgebied opofferen en er elders één aanplanten ter compensatie.

Dit bericht werd geplaatst in Blog en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

2 reacties op De intrinsieke waarde van biodiversiteit

  1. Pingback: De 7 principes van ecologische rechtvaardigheid | Stijn Bruers, one world activist

  2. Ferry zegt:

    Maar ligt biodiversiteit ook juist niet aan de basis van veel leed?
    Dat er leeuwen en zebra’s zijn, is een gevolg van diversificatie.
    Het lijkt me dus lastig om de waarde van individueel welzijn en die van biodiversiteit op gelijke hoogte te stellen, als ze allebei een intrinsieke waarde hebben?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s