Het quasi-maximinprincipe

Het maximinprincipe: een visie op rechtvaardigheid
Het maximinprincipe zegt dat we moeten streven naar een verhoging (maximalisering) van het welzijn van de wezens die in de laagste positie zitten (dus de minst bedeelde wezens). We kijken dus telkens naar het welzijn van de wezens die er het ergste aan toe zijn, en trachten die hun welzijn te verhogen. De positie van de minst bedeelden moeten we maximaliseren. (Met welzijn bedoelen we hier de totale levenskwaliteit van het hele leven van een individu.)
Het maximinprincipe is van toepassing op alle wezens die kunnen voelen, want volgens dit principe moeten we kijken naar het welzijn van die wezens. Enkel voelende wezens (zoals bv. gewervelde dieren) hebben een subjectief welzijn dat bestaat uit gevoelens zoals vreugde, angst, stress, ontspanning,… Het welzijn van alle voelende wezens telt mee in elke overweging.

Een rationele argumentatie van het maximinprincipe: de sluier der onwetendheid
De filosoof John Rawls kwam tot dit rechtvaardigheidsprincipe vanuit een bepaalde gedachtengang die bekend staat als de “Sluier der onwetendheid”. Stel je voor dat je achter een sluier der onwetendheid zit, wat inhoudt dat je niet weet welk wezen je straks zult worden. Je kunt straks geboren worden als een man, een vrouw, een Afrikaan, een gehandicapte, een koe, een vis,…. Je mag wel kiezen hoe de samenleving zou moeten functioneren, rekening houdend met de wetten van de natuur. Het idee is dan dat je moet rekening houden met de mogelijkheid dat je straks geboren kunt worden als het wezen in de laagste positie, dus het wezen dat het meeste pech heeft en het minste welzijn heeft. Dan zou je willen dat dat wezen toch een zo hoog mogelijk welzijn zou hebben. Dus we zouden onze samenleving zo moeten inrichten dat vooral de wezens die in de minste positie zitten bevoordeeld worden. Ongelijkheid in welzijn mag enkel indien dat ten goede komt aan de wezens in de laagste positie, dus enkel als daardoor het welzijn van de minst bedeelde wordt verhoogd..

Een voorbeeld (met getalletjes)
Stel we hebben twee wezens waarbij elk wezen en welzijn heeft, en waarbij we kunnen kiezen uit verschillende situaties. In de eerste situatie heeft wezen A een welzijn van niveau 100, en wezen B heeft een welzijn van 10. Er is dus een grote ongelijkheid, maar deze situatie is toch beter dan die waar A en B beiden een welzijn van slechts 5 zouden hebben (dus strikte gelijkheid). De eerste situatie is ook beter dan die waar A bijvoorbeeld een welzijn van 10 heeft en B één van 50, want het welzijn van de minst bedeelde (in dit geval is dat persoon A) blijft 10, en dan moeten we kijken naar het welzijn van de volgende minst bedeelde. En die eerste situatie is ook beter dan die waar A een welzijn van 200 heeft en B slechts van 5. Merk op dat in dit laatste geval het totale (opgetelde) welzijn gelijk is aan 205, wat hoger is dan het totale welzijn in de eerste situatie (gelijk aan 110). Maximin wil dus niet het totale opgetelde welzijn van alle wezens verhogen (het zogenaamde utilitarisme wil dat wel). Maximin hecht meer belang aan het welzijn van die wezens die er het ergst aan toe zijn.

Maximin en risicoaversie
De reden waarom we de eerste situatie verkiezen, is omdat we geen risico willen lopen als we achter de sluier der onwetendheid zitten. Want stel dat we straks geboren zouden worden als persoon B, dan hebben we erg veel pech als we zouden kiezen voor een situatie waar B een welzijn van slechts 5 heeft, terwijl een welzijn van 10 voor B ook mogelijk was geweest.
De gedachtengang van de sluier der onwetendheid veronderstelt een hoge mate van risicoaversie (een afkeer voor risico’s). Des te lager de positie van de minst bedeelde (het wezen B), des te hoger is onze risicoaversie en des te sterker zouden we het welzijn van die minste bedeeld willen verhogen. (Bij het utilitarisme, waarbij men het opgetelde welzijn wil maximaliseren, is er risiconeutraliteit, dus helemaal geen risicoversie.)
Voor meer over maximin en risicoaversie, zie hier.

Het quasi-maximinprincipe
Er is echter een situatie waarbij we toch niet zouden willen streven naar maximin, namelijk wanneer de stijging van het welzijn van de minst bedeelde verwaarloosbaar klein is. Stel dat we van achter de sluier der onwetendheid kunnen kiezen voor twee situaties. In de eerste situatie heeft persoon A een welzijn van 100 en B een welzijn van 10. In de tweede situatie heeft A een welzijn van 11 en B een welzijn van 10,01. Het maximinprincipe zou dan willen zeggen dat we de tweede situatie moeten verkiezen, dus dat persoon A een grote opoffering moet maken (een daling van welzijn met 89 punten), voor slechts een zeer minieme stijging van het welzijn van B (met 0,01 punten). Dus in dit geval zouden we toch de eerste situatie verkiezen indien we een hoge (maar geen maximale) mate van risico-aversie hebben. We noemen dit het principe van quasi-maximin (bijna maximin).

Een tweede fundering van het quasi-maximinprincipe: empathie en altruïsme
Het quasi-maximinprincipe volgt niet enkel uit de gedachtegang van de sluier der onwetendheid (waarbij men een hoge maar niet maximale mate van risicoaversie heeft), maar volgt ook uit een belangrijke ethisch gevoel van empathie (mededogen), gecombineerd met een hoog (maar niet maximaal) niveau van altruïsme. Empathie plus altruïsme vormen misschien wel de belangrijkste morele deugd: barmhartigheid, een inzet voor de ander, gedreven vanuit mededogen.
Als we empathie hebben, dan zijn we het meest betrokken met het wezen dat het minste welzijn heeft. Naar dat wezen gaat dan het meeste van onze empathie, omdat dat wezen er het ergst aan toe is. En altruïsme wil dan zeggen dat we bereid zijn ons eigen welzijn te verlagen ten bate van het welzijn van die minst bedeelde. Empathie gecombineerd met volledig altruïsme leidt dan tot het maximinprincipe. En het quasi-maximinprincipe komt dan overeen met een zeer hoge mate van altruïsme.
Het quasi-maximinprincipe volgt dus niet enkel uit het rationele argument van de sluier der onwetendheid (als men een hoge mate van risicoaversie heeft), maar ook uit het emotionele gevoel van empathie (als men een hoge mate van altruïsme heeft).

Een derde fundering van het quasi-maximinpincipe: gelijkheid en efficiëntie
Er is nog een derde weg om tot quasi-maximin te komen. Deze begint met het principe van strikte gelijkwaardigheid: de levenskwaliteit (het welzijn) van de verschillende individuen moet zo gelijk mogelijk verdeeld zijn: liefst iedereen met hetzelfde welzijn. Maar hier zijn uitzonderingen op, die te maken hebben met een voorkeur voor efficiëntie. De eerste uitzondering is dat ongelijkheden toegelaten zijn, zolang het individu in de slechtste positie er baat bij heeft. Dit leidt tot maximin.
Maar bij maximin hebben we nog het  bovenvermelde probleem dat een gelukkig persoon zich in extreme armoede zou moeten storten, om het welzijn van een andere extreme arme een verwaarloosbaar klein beetje te verhogen. Het zou bijvoorbeeld kunnen dat een extreem arme persoon bijzonder inefficiënt is om hulpmiddelen om te zetten in welzijn.  Die persoon is bv. erg kwistig. Volgens maximin zou de persoon met een hoog welzijn en veel hulpmiddelen heel veel van die hulpmiddelen moeten afstaan aan de armste persoon.
Bij quasi-maximin hecht men een kleine (maar niet nul) waarde aan efficiëntie.
Samengevat: quasi-maximin volgt uit
-de sluier der onwetendheid met een hoge (maar niet maximale) risico aversie,
-empathie met een hoog (maar niet maximaal) niveau van altruïsme,
-gelijkwaardigheid met een kleine (maar niet minimale) voorkeur voor efficiëntie.

 

Het quasi-maximinprincipe in de praktijk
Hoewel het bijzonder moeilijk is om het welzijn van verschillende individuen te vergelijken, moeten we toch streven naar een samenleving die dit quasi-maximinprincipe het best benadert. Uit dit quasi-maximinprincipe volgen zeer veel andere morele regels.
Zo kunnen we het antidiscriminatieprincipe afleiden uit dit quasi-maximinprincipe. Want van achter de sluier der onwetendheid moeten we ons realiseren dat we geboren zouden kunnen worden als vrouw, zwarte, homo, niet-menselijk dier,… Dus seksisme, racisme, homohaat en soortisme zijn uit den boze.
Ook economische rechtvaardigheid volgt uit het quasi-maximinprincipe.
-Zo zou een verpleegster een hoger inkomen moeten hebben dan een topsporter, omdat het werk van de verpleegster meer bijdraagt aan het welzijn van de minst bedeelde (het werk van de verpleegster is sociaal nutiger), en dat mag financieel beloond worden. Dus inkomensongelijkheid mag enkel als dat overeenkomt met het quasi-maximinprincipe.
-Mensen die gevaarlijker, langer, zwaarder of moeilijker werk doen, zouden meer mogen verdienen, om hun daling van welzijn door dat werk te compenseren met een hoger inkomen.
-Iemand met een aangeboren talent om dokter te worden of iemand die gemotiveerder is om dokter te worden, zou meer kansen moeten krijgen tot het beroep van dokter, omdat die persoon beter in staat zal zijn om het welzijn van de minst bedeelden te verhogen. Dus ongelijke kansen (op de arbeidsmarkt,…) mag enkel als dat in het voordeel is van de minst bedeelden.
-Een zieke persoon zou meer economische middelen moeten krijgen dan een gezonde persoon, om het lagere welzijn van die zieke persoon te kunnen compenseren. Dus gezonde personen moeten heel altruïstisch zijn en de zieke mensen zo goed mogelijk helpen.
-Als het gedrag van een delinquent persoon (bv. een dief) niet overeenstemt met het quasi-maximinprincipe, dan krijgt die persoon minder rechten (bv. een financiële boete) zodat we diens gedrag kunnen bijsturen. Stelen mag enkel als daardoor aan het quasi-maximinprincipe voldaan is (bv. als een arme dief steelt van de rijken).
-Als het verschil tussen wat persoon A heeft en waar hij recht op heeft (wat hij zou moeten krijgen) groter is dan het verschil tussen wat persoon B heeft en waar B recht op heeft, dan is A sterker benadeeld. In dat geval wordt persoon A meer tekort gedaan dan B en zou eerst en vooral persoon A meer moeten krijgen waar hij recht op heeft. Dit is het “verdienstenprincipe” (ook wel het “grootste verschil principe” genoemd) dat prioriteit verleent aan de meest benadeelde. En dit principe volgt ook uit het quasi-maximinprincipe.

Het quasi-maximinprincipe en het basisrecht
Zoals hierboven aangetoond, kunnen we vele ethische principes afleiden uit het quasi-maximinprincipe (dus de sluier der onwetendheid met een hoge mate van risicoaversie, of de empathie met een hoge mate van altruïsme). Er zijn echter ethische principes die niet af te leiden zijn uit het quasi-maximinprincipe. Een voorbeeld hiervan is het belangrijke principe van het basisrecht: het recht om niet gebruikt te worden als louter middel voor iemand anders zijn doelen. Voor meer over het basisrecht, zie: Het ratio-patho-biocentrisme
(en ook Dieren, dilemma’s en discriminatie).
Dat basisrecht volgt niet noodzakelijk uit de sluier der onwetendheid, noch uit ons gevoel van empathie. Het komt eerder voort uit een gevoel van respect. Iemand behandelen als louter middel is niet respectvol. Met de complementaire (elkaar aanvullende) principes van quasi-maximin en het basisrecht kunnen we al een uitgebreide ethiek uitwerken. Zie ook hier. Voor meer info, lees “Een wiskundige theorie van rechtvaardigheid” op https://stijnbruers.wordpress.com/teksten/

Dit bericht werd geplaatst in Blog en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

2 reacties op Het quasi-maximinprincipe

  1. Pingback: De 7 principes van ecologische rechtvaardigheid | Stijn Bruers, one world activist

  2. Pingback: Wanneer wordt het basisrecht geschonden? | Stijn Bruers, one world activist

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s