Wanneer wordt het basisrecht geschonden?

In de ethiek van dierenrechten en ecologische rechtvaardigheid https://stijnbruers.wordpress.com/2010/11/08/de-8-principes-van-ecologische-rechtvaardigheid/ speelt het basisrecht een belangrijke rol. Het basisrecht is het recht om niet gebruikt te worden als louter middel voor iemand anders zijn doelen. We denken bv. aan slavernij, kannibalisme, verkrachting, gedwongen mensproeven, mensenhandel, gedwongen orgaantransplantaties, evenals hun ‘dierlijke’ varianten: veeteelt, jacht, bestialiteit, dierproeven, dierenhandel, xenotransplantaties, dierencircussen,… In dit artikel gaan we dieper in op wat bedoeld wordt met de uitdrukking “louter middel”. Of met andere woorden: hoe bepalen we of het basisrecht van een slachtoffer geschonden wordt? Aan welke voorwaarden moet voldaan zijn om te kunnen spreken van een schending van het basisrecht?

VOORWAARDE 1: HET SLACHTOFFER MOET AANWEZIG ZIJN OM HET DOEL TE KUNNEN REALISEREN
Een voorbeeld: stel je staat aan de wissel van een treinspoor. Een razende trein staat op het punt om vijf mensen die zich op de sporen bevinden, dood te rijden. Je kunt die vijf mensen redden door de wissel over te halen, waarbij de trein een zijspoor neemt. Maar op dit zijspoor is één persoon die dan zal sterven. Haalt men de wissel over, dan is dat geen moord van die ene persoon. Het basisrecht van dat slachtoffer werd niet geschonden, omdat de aanwezigheid niet noodzakelijk is: stel dat die ene persoon er niet was, dan zal het plan om de vijf mensen te redden door de wissel over te halen nog steeds werken. Men kan het doel bereiken, ook al was het slachtoffer niet aanwezig.
In een tweede situatie sta je op een brug boven een treinspoor waar vijf personen op zitten. Een razende trein komt aangereden. Mag je nu een zware meneer die naast jou op de brug staat voor de trein duwen om zo de trein te stoppen? De vijf personen zullen gered worden, maar die zware meneer zal sterven. Hier wordt het basisrecht van dit slachtoffer wel geschonden, omdat de aanwezigheid noodzakelijk is. Het plan om de vijf personen te redden zou niet werken als de zware meneer er niet was geweest.
Een ander voorbeeld: mag men een seriemoordenaar opsluiten, met als doel de samenleving tegen hem te beschermen? Hoewel de vrijheid van die moordenaar beperkt wordt, is er geen schending van zijn basisrecht. Het doel van de opsluiting is de veiligheid van de samenleving, maar de moordenaar wordt niet gebruikt als middel hiervoor, want als de moordenaar er niet was geweest, zou het doel zeker ook bereikt worden. Iets anders is de slavernij of de dwangarbeid: de aanwezigheid van de slaaf is wel degelijk belangrijk om het doel (het gedaan krijgen van werk) te realiseren.
Samengevat: een eerste belangrijke voorwaarde is de noodzakelijke aanwezigheid van het slachtoffer. De vraag die we ons moeten stellen is: kan men het gewenste doel nog bereiken indien het slachtoffer er niet zou zijn? Indien ja, dan wordt het basisrecht niet geschonden.
Maar dit is nog geen voldoende voorwaarde. Om een brood te kunnen kopen, gaan we naar de bakker. Zonder bakker wordt ons doel niet bereikt. De bakker is noodzakelijk, maar de bakker wordt daarom nog niet gebruikt als louter middel. De bakker is nog niet onze slaaf.

VOORWAARDE 2: DE VRIJHEID VAN HET SLACHTOFFER WORDT BEROOFD
Er moet sprake zijn van een ernstige vrijheidberoving waar de dader verantwoordelijk voor is; waar de dader een belangrijk aandeel in heeft. Het zou kunnen dat de bakker in een economisch arme situatie zit, en dat hij zich gedwongen voelt om brood te bakken en te verkopen, om zo te overleven. Maar dergelijke vrijheidbeperking is niet de verantwoordelijkheid van de mensen die bij de bakker een brood gaan kopen. Daarentegen, als we iemand met een pistool bedreigen om voor ons brood te bakken, hebben we wel een verantwoordelijkheid in diens vrijheidbeperking. Dan is er sprake van doelgerichte dwang of slavernij.
Maar hoe kunnen we nu nagaan of men verantwoordelijk is voor iemands vrijheidbeperking? Wanneer is er doelgerichte dwang?

VOORWAARDE 3: DE DADER MOET AANWEZIG ZIJN OM HET SLACHTOFFER TE MAKEN
Iemand is de dader van een vrijheidsberoving, als diens aanwezigheid noodzakelijk is, of als er een causale interactie is tussen de dader en het slachtoffer. In het geval van de bakker: stel dat de koper er niet was, dan zou de bakker nog steeds in een economisch arme situatie zitten. Dus dan is de koper geen dader (het economisch systeem zou dan de dader kunnen zijn, maar dat economisch systeem gebruikt de bakker niet als middel). Maar als de koper een pistool naar de bakker richt, is er wel sprake van doelgerichte dwang.
De situatie van een arme bakker die uit economische noodzaak zich gedwongen voelt om brood te bakken, is geen schending van het basisrecht, maar dat wil niet zeggen dat er geen andere rechtvaardigheidsprincipes kunnen geschonden zijn in deze situatie. Zie bijvoorbeeld het quasi-maximin rechtvaardigheidsprincipe. Hetzelfde geldt voor de economische uitbuiting van arme arbeiders door rijke werkgevers: hier is geen sprake van slavernij (schending van het basisrecht van de arbeiders), maar nog wel van uitbuiting en onrecht (schending van het quasi-maximinprincipe).
Een vrijheidsberoving zelf is nog niet altijd voldoende om te spreken van een gebruik als louter middel. Er is een vierde voorwaarde.

VOORWAARDE 4: DE DADER SCHENDT DE LICHAMELIJKE INTEGRITEIT VAN HET SLACHTOFFER ZONDER DIENS TOESTEMMING
Mogen we iemand (zonder zijn toestemming) zijn haar afknippen tijdens de slaap, en met dat haar iets nuttigs doen (bv. pruiken maken, medicijnen maken,…)? Er is geen vrijheidsberoving (het slachtoffer werd tijdens de slaap niet opgesloten of bedreigd), maar toch werd hij gebruikt als louter middel. Want zonder zijn toestemming werd zijn lichamelijke integriteit geschonden.
Verkrachting, gedwongen mensproeven, kannibalisme, mensen van bruggen duwen om treinen te stoppen, en zonder toestemming iemands lichaam(sdelen) gebruiken, vormen schendingen van het basisrecht. Maar er is echter nog een situatie denkbaar: de babyhandel (met als doel er munt uit te slaan). Hierbij is er geen sprake van vrijheidberoving (een baby wordt niet opgesloten of bedreigd), en er is ook geen schending van lichamelijke integriteit. Toch wordt het basisrecht geschonden, omwille van de volgende voorwaarde.

VOORWAARDE 5: HET SLACHTOFFER IS EIGENDOM
Bij babyhandel beschouwt men die baby’s in juridische zin als eigendom dat men kan kopen en verkopen. Het basisrecht kan dus ook geschonden worden als iemand een eigendomsstatus heeft, zelfs al is er geen schending van lichamelijke integriteit of van vrijheid. Iemand beschouwen als koopwaar is simpelweg onrespectvol. Dit geldt in het bijzonder voor mensenhandel en slavernij.

CONCLUSIE
Laten we de bovenstaande voorwaarden systematisch samenvatten. Een dader schendt het basisrecht van een slachtoffer:
1) als de aanwezigheid van het slachtoffer noodzakelijk is om het doel te verwezenlijken,
2) als de aanwezigheid van de dader noodzakelijk is om het slachtoffer te veroorzaken (of als er een causale interactie is tussen dader en slachtoffer),
3) en als het slachtoffer het bezit is van de dader, de dader de lichamelijke integriteit van het slachtoffer schendt zonder diens toestemming, of de dader de vrijheid van het slachtoffer beperkt.
Het volgende schema vat dit samen.

Aan de hand van dit schema kunnen we toch al vrij precies aangeven wanneer het basisrecht geschonden wordt.

Dit bericht werd geplaatst in Blog en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op Wanneer wordt het basisrecht geschonden?

  1. Pingback: De 8 principes van ecologische rechtvaardigheid | Stijn Bruers, one world activist

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s