Dilemma’s en discriminatie: dierenrechten als ethische consistentie

In het januarinummer van Zoeklicht bespreekt Eddy Bonte de problematiek van dierenrechten (1). Dit artikel voorziet een reactie en tracht een korte schets te geven van een “bewijs” van dierenrechten. We trachten hierbij te vertrekken van morele uitgangspunten (principes, waarden en gevoeligheden) die de meeste vrijzinnig humanisten wel kunnen onderschrijven (2). Nochtans stellen we vast dat veel vrijzinnigen geen voorstander zijn van dierenrechten, vegetarisme of veganisme (3).

Het automatisch mensdenken
Wat opvalt in discussies over dierenrechten is dat men vaak uitgaat van een kloof tussen mens en (niet-menselijk) dier. Men dicht automatisch eigenschappen toe aan “de mens”. Ook Eddy Bonte tracht die kloof te rechtvaardigen, als hij schrijft: “Dieren zijn tot niets van dit alles in staat: ze zijn zich niet bewust van hun condition animale, bezitten geen besef van vroeger en later, weten van geen plichten, zijn onbekend met emancipatie. […] Rechten zijn in flagrante tegenspraak met complete, aangeboren en niet-corrigeerbare afhankelijkheid.”
Maar… als empathische wezens kunnen wij vrezen dat volgens deze opgenoemde criteria ook bv. ongeneesbaar diep mentaal gehandicapte weeskinderen uit de boot vallen (4). We mogen er nochtans van uitgaan dat zowat alle humanisten wel rechten toekennen aan dergelijke gehandicapte mensen, ook al hebben die mensen geen notie van rechten en plichten of kunnen ze geen sociaal contract tekenen. Dit aspect vormt een inconsistentie in de ethiek van een omnivore humanist. Ja, het zullen de mentaal gehandicapten zijn die de dieren zullen bevrijden. Dit brengt ons tot het probleem van discriminatie.

Het antidiscriminatieprincipe
Een humanist is tegen elke vorm van onderdrukkende discriminatie. Een voorbeeld van automatisch mensdenken is dat men discriminatie soms definieert als: “het onrechtmatig onderscheid maken tussen mensen of groepen.” Maar waarom zouden we de definitie a priori mogen beperken tot mensen? Waarom mag een racist dan niet zijn definitie beperken tot blanken? Nee, we gaan voor een betere, neutrale definitie: “Discriminatie is het berokkenen van een nadeel aan een individu door het maken van een waardegeladen onderscheid tussen individuen op grond van eigenschappen die in die situatie niet ter zake doen, geen geldig motief vormen of niet moreel relevant zijn.”
De vraag is dan wat er bedoeld wordt met het cursief gedeelte. De stelling is dat er geen enkel moreel relevante eigenschap is dat alle en alleen mensen hebben. Verwijzen naar (de potentie tot het hebben van) mentale vermogens of familiebanden tellen al niet, want bovenvermelde mentaal gehandicapte weeskinderen voldoen niet aan dergelijke criteria. Blijft er één mogelijkheid over: die gehandicapten hebben rechten omdat ze behoren tot de soort Homo sapiens. We kunnen echter acht argumenten geven waarom het criterium “Homo sapiens” (het behoren tot een bepaalde soort) niet moreel relevant is en waarom het criterium “voelen” (het hebben van een perceptueel bewustzijn) dat wel is.
1) Het behoren tot een soort is niet gekoppeld aan het hebben en kunnen gewaarworden van complexe belangen. Er is geen magisch “belangen-gen” dat alle en alleen mensen hebben. Een recht is een bescherming van een belang, en enkel voelende wezens hebben complexe belangen die ze subjectief kunnen gewaarworden (gevoelens dienen om na te gaan of een belang al dan niet geschonden is).
2) Eén van onze meest waardevolle morele deugden is empathie. En empathie kan men op een zinvolle wijze voelen met alle en alleen voelende wezens (wezens met een functioneel en voldoende complex zenuwstelsel). Sommige mensen beperken hun empathie tot bv. blanke of mannen, maar van nature voelen we empathie met alle voelende wezens, inclusief met dieren (iedereen die een huisdier heeft kan dat beamen). En ook vele dieren voelen empathie, zelfs over de soortgrenzen heen (5).
3) Het soortcriterium is arbitrair: de meeste westerlingen behoren tot de populatie (ras) van blanken, de ondersoort Homo sapiens sapiens, de soort Homo sapiens, de genus Homo, de familie van mensachtigen, de superfamilie van mensapen, de infraorde van smalneusapen, de orde van primaten, de klasse van zoogdieren, de onderstam van gewervelden, de stam van chordadieren,… Waarom zouden we verwijzen naar de derde biologische rangorde? Waarom niet de morele gemeenschap beperken tot de eerste (zoals de racisten doen)? Of uitbreiden tot de achtste (primaten) of de negende (zoogdieren) of…?
4) Het genetische soortcriterium verwijst net zoals bij racisme naar uiterlijke of genetische kenmerken. En daarvan weten we dat die niet moreel relevant geacht worden.
5) Stel dat u straks geboren zult worden als een mentaal gehandicapte, een varken of een boom. U weet niet wie u zult worden, maar u weet wel dat ik één van die drie wezens straks een stevig pak slaag ga geven. Als u mag kiezen wie ik zeker geen pak slaag mag geven, dan zult u (indien u rationeel bent) snel kiezen voor de diep mentaal gehandicapte en het varken. Moet u echter kiezen tussen de mentaal gehandicapte en het varken, dan is dat veel moeilijker. Uit dit “onpartijdigheidsargument” blijkt duidelijk dat gevoel wel relevant is, en het behoren tot een soort niet.
6) De soortgrens kan men doorbreken met genetische manipulatie of kruisingen (hybriden). Net zoals een paard en een ezel kunnen kruisen tot een muilezel (die weliswaar zelf meestal onvruchtbaar is – daarom behoren paard en ezel tot twee verschillende soorten), is het best mogelijk dat een mens en een chimpansee ook zouden kunnen kruisen tot een “chimens”. Tussen diersoorten komt men wel meer van dergelijke kruisingen tegen: dolfijn en orka, leeuw en tijger, ijsbeer en grizzly, schaap en geit,…. De vraag is: wat zou het morele statuut van een chimens zijn? Krijgt hij mensenrechten?
7) De biologische soortdefinitie verwijst naar de mogelijkheid tot het kunnen krijgen van vruchtbare nakomelingen. Het is vergezocht om dat gegeven te gebruiken als basis voor mensenrechten. Ook onvruchtbare mensen krijgen rechten, en het doet er niet toe of de naaste familieleden van die onvruchtbare mens al dan niet vruchtbare nakomelingen hadden kunnen krijgen met andere wezens.
8 ) Uit discussies rond embryonaal stamcelonderzoek en –therapie blijkt dat gevoel en bewustzijn ook een belangrijke rol spelen in het funderen van mensenrechten. Pas bevruchte embryo’s worden gebruikt en gedood voor wetenschappelijk onderzoek. En dat mag, zegt men, omdat die embryo’s nog geen bewustzijn en gevoelens hebben ontwikkeld.
We kunnen verwachten dat deze acht argumenten wel voldoende zouden moeten zijn om aan te geven dat er zeer waarschijnlijk sprake is van discriminatie bij onze behandeling van dieren. De meeste ethische systemen (met uitzondering van ethisch egoïsme en moreel relativisme) verwerpen discriminatie.

Dilemma’s en het basisrecht
Een tweede pijler in een rechtenethiek, is het basisrecht. Stel dat een huis afbrandt. In het huis zitten mijn kind en uw kind. Ik redt mijn kind eerst. Is dat discriminatie van uw kind? Nee: ik zou uw keuze tolereren als u uw kind eerst redt. In dit brandend-huis-dilemma kan “gevoelsmatige ongelijkwaardigheid” (ik zie mijn kind liever) gepaard gaan met “getolereerde keuzegelijkwaardigheid” (ik respecteer uw keuze en ga niet tegen u zeggen dat uw kind minderwaardig is en dat u mijn kind had moeten redden). En wat meer is: zelfs al red ik mijn kind uit het huis, dan besluit ik niet dat ik uw kind mag opofferen om diens organen te gebruiken indien mijn kind een dodelijke orgaanziekte heeft. Deze dilemma’s lijken hetzelfde (mijn vs. jouw kind), maar onze kinderen hebben een gelijk basisrecht: het recht om niet gebruikt te worden als louter middel voor iemand anders zijn doelen.
Dit basisrecht is zeer sterk: zelfs als men in een ziekenhuis vijf patiënten kan genezen met orgaantransplantaties, dan nog mag de chirurg indien er een orgaantekort is geen willekeurige bezoeker opofferen. In dit ziekenhuisdilemma blijkt dat het basisrecht van die bezoeker sterker is dan het recht op leven van vijf mensen.

De onmogelijke driebalk van de vleeseter
Het principe van het basisrecht en het antidiscriminatieprincipe kunnen we nu samenvoegen om te komen tot een ethiek waarbij alle voelende wezens het basisrecht hebben. Een omnivoor of carnist (6) wordt nu geconfronteerd met een inconsistentie die we symbolisch kunnen weergeven als een onmogelijke driebalk (7).

Naar analogie van deze optische illusie spreken we hier van een ethische illusie. Elk hoekpunt staat symbool voor een principe (alle voelende mensen hebben het basisrecht, we mogen nooit discrimineren, en we mogen vlees eten), maar men kan niet de drie principes consistent met elkaar verbinden. Eén principe moet sneuvelen, en we kunnen verwachten dat dat onze vleesconsumptie gaat zijn. Het goede nieuws is dat iedereen (zelfs zwangere vrouwen en topsporters) gezond kunnen leven met een goed gepland 100% plantaardig (veganistisch) voedingspatroon (8).
In tegenstelling tot wat Bonte schrijft, zijn dierenrechten geen gevaarlijke nonsens. Ze zijn consistent, en ze verhogen onze empathie, vredelievendheid en ecologische duurzaamheid. Denk maar aan de gigantische milieu-impact en gezondheidsrisico’s van de veeteelt.

(1) Eddy Bonte, “Konijn te zijn. Dierenrechten als absolutisme”, Zoeklicht, jan-feb 2011, p.4-6.
(2) Voor een veel uitgebreidere argumentatie verwijzen we naar het recent verschenen boek “Het Dierendebacle”, Stijn Bruers, Free Musketeers, 2010.
(3) Een uitzondering hierop is Floris Van den Berg, “Filosofie voor een betere wereld”, Houtekiet, 2009.
(4) De auteur is zelf peter van een mentaal gehandicapt Vietnamees weeskind.
(5) Er zijn bv. langdurige vriendschappen waargenomen tussen oryx en leeuw, leeuw en mens, vis en hond, hond en orang-oetan, hert en kat, kat en muis, slang en hamster, stier en ezel,… Zie bv. Marc Bekoff, “Het Emotionele Leven van Dieren”, Marc Bekoff, Ankh-Hermes, 2008; Jeffrey Masson, “When Elephants Weep: The Emotional Life of Animals”, Delta, 1995.
(6) Melanie Joy lanceerde de term carnisme om de ideologie van hedendaagse vleeseters te benoemen.
(7) Dit is een sterk vereenvoudigde voorstelling van de argumentatie in Het Dierendebacle. In dat boek komen ook meer dan 150 tegenwerpingen van vleeseters aan bod. Al die drogredenen worden weerlegd met vaak meerdere tegenargumenten.
(8) “Position of the American Dietetic Association and Dietitians of Canada: Vegetarian Diets”, Journal of the American Dietetic Association 103 (6) 2003.

Dit bericht werd geplaatst in Blog en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s