Morele intuïties en dierenrechten

In dit artikel bespreken we hoe een consistent ethisch systeem wordt opgebouwd uit vage morele intuïties, en hoe dierenrechten kunnen volgen uit dat ethisch systeem (ook al hebben bv. vleeseters de intuïtie dat ze vlees mogen eten).
In de meta-ethiek is er een positie genaamd moreel intuïtionisme (of moreel emotivisme), die stelt dat ethische oordelen ontstaan vanuit intuïties (een buikgevoel) en bijhorende emoties. Bekende morele emoties zijn empathie en verontwaardiging. Er zijn ook intuïties die moeilijker vast te pinnen zijn. Denk aan het ziekenhuisdilemma: twee patiënten hebben nieuwe organen nodig, anders sterven ze. Er zijn helaas geen organen beschikbaar. Mag de chirurg dan een willekeurige persoon (zonder diens toestemming) opofferen om die twee mensen te redden? Intuïtief antwoorden de meeste mensen dat dat niet mag (ook al redt men daardoor netto één persoon). In een variant op dit dilemma, zijn er twee patiënten die ieder één orgaan nodig hebben, en een derde patiënt die twee organen nodig heeft. Gelukkig hebben we dit keer wel twee organen beschikbaar, maar aan wie geven we ze? Hier antwoorden de meeste mensen spontaan dat de voorkeur uitgaat naar het redden van die twee mensen die elk één orgaan nodig hebben. Want dan redden we het meeste aantal mensen.
Zo zijn er een heleboel morele intuïties. De kunst is om die intuïties te achterhalen (bv. aan de hand van morele dilemma’s), ze te vertalen (verwoorden) in duidelijke, ethische basisprincipes, en vervolgens met die basisprincipes aan de slag te gaan om een consistent, “axiomatisch” systeem op te bouwen. Daar sommige intuïties elkaar kunnen tegenspreken, zullen we waarschijnlijk genoodzaakt zijn enkele basisprincipes te moeten vervormen, weglaten, uitbreiden,… Zo proberen we te komen tot een beperkte verzameling van ethische axioma’s, een beetje vergelijkbaar met een “axiomatisch systeem” in de wiskunde. Met een axiomatisch systeem kan men stellingen afleiden vertrekkende van axioma’s (uitgangspunten) en gebruik makende van niets anders dan logica.
(Merk op het taalgebruik: moraliteit heeft te maken met een spontaan aanvoelen van wat goed of slecht is. Ethiek is dan een kritische reflectie over moraliteit. Vandaar dat we spreken van “morele intuïties” en “ethische axioma’s”. Sommige niet-menselijke dieren hebben wel moraliteit, ze hebben ook gevoelens van empathie en ze vinden eerlijkheid ook belangrijk, maar ze hebben geen ethiek, omdat ze niet rationeel nadenken over hun moraliteit. Van zodra we morele intuïties gaan verwoorden tot axioma’s, doen we aan ethiek.)
We kunnen de beginsituatie (waarbij we enkel wat vage morele intuïties hebben) visueel voorstellen als een sterk verbleekte en vervaagde foto.

Op deze foto zien we vage vlekken in verschillende kleuren. Die vlekken staan symbool voor onze morele intuïties. Als een vlek een duidelijke kleur heeft, gaat het om een intuïtie die men sterk aanvoelt. Zo ziet men een duidelijk groene vlek in het midden van de figuur. Die vlek staat symbool voor onze intuïtie dat we geen persoon mogen opofferen in het ziekenhuisdilemma. De vorm van die vlek is nog wat onduidelijk, omdat het om een buikgevoel gaat: we weten nog niet wat de precieze reden is waarom we zo denken in het ziekenhuisdilemma.
De blauwe vlekken staan symbool voor vrijheden (actieve rechten of privileges: rechten om zelf iets te mogen doen). Rechtsboven is een duidelijke blauwe vlek: we voelen intuïtief sterk aan dat we iemand niet zomaar iets mogen verbieden en daarbij diens genot mogen afpakken. Zomaar iemand ongelukkig maken, dat mag niet.
De groene vlekken staan symbool voor passieve rechten (claims: rechten waarbij andere personen iets niet mogen doen). Een voorbeeld is het recht om niet opgeofferd te worden voor organen.
De bruine vlekken staan symbool voor andere gevoelens, bv. verontwaardiging bij het zien van onrechtvaardigheid.
We willen nu proberen een duidelijke foto te reconstrueren, met duidelijke, afgebakende kleuren en zo weinig mogelijk witte stukken. De eerste stap is om onze morele intuïties (de vage vlekken) te verwoorden tot ethische principes (duidelijkere vlekken).
Laten we beginnen met de groene vlek. Die heeft een duidelijke kleur, dus het gaat om een intuïtie (emotie) die sterk in ons leeft. Maar waarom kiezen we in het eerste ziekenhuisdilemma voor het laten sterven van die twee patiënten, en in het tweede dilemma niet? Indien we proberen om deze intuïties te verwoorden, dan zouden we bv. tot een volgende formulering kunnen komen: een persoon mag niet opgeofferd en gebruikt worden als louter middel voor iemand anders zijn doelen. Dit is een formulering van een basisrecht (een passief recht om niet gebruikt te worden).
Dit basisrecht geeft het verschil weer tussen de twee ziekenhuisdilemma’s. In het tweede dilemma wordt de patiënt die twee organen nodig heeft niet gebruikt als louter middel, indien we de andere patiënten helpen. Want stel dat die ene patiënt er niet zou geweest zijn, dan zou men nog steeds de andere twee patiënten kunnen redden met de twee organen. In het eerste dilemma daarentegen, moeten we een slachtoffer hebben, anders kunnen we de patiënten niet helpen. We kunnen nog andere dilemma’s erbij halen om preciezer na te gaan wanneer een persoon gebruikt wordt. Ik verwijs hiervoor naar Wanneer wordt het basisrecht geschonden?
Door deze morele intuïtie expliciet te verwoorden in een basisrecht, kunnen we de groene vlek wat inkleuren. Ook de blauwe vlek is een duidelijk principe: het recht op vrijheid, waarmee we ook een groot blauw gedeelte kunnen inkleuren. Dan is er nog de bruine vlek. We voelen ons verontwaardigd als iemand oneerlijk behandeld wordt of ten onrechte benadeeld wordt. Deze intuïtie gaan we verwoorden tot een antidiscriminatieprincipe. Een volgende definitie komt goed overeen met ons intuïtieve aanvoelen van het onrecht bij discriminatie: Discriminatie is het berokkenen van een nadeel aan een individu door het maken van een waardegeladen onderscheid tussen individuen op grond van eigenschappen die in die situatie niet ter zake doen, geen geldig motief vormen of niet moreel relevant zijn. We denken hierbij aan racisme en seksisme: het hebben van een bepaalde huidskleur of bepaalde geslachtsorganen is niet relevant als het gaat om fundamentele rechten.
Zo komen we tot de volgende foto:

De vraag is hoe we nu verder de witte stukken kunnen opvullen. Eén manier, die niet inconsistent is, is alles blauw inkleuren.

Dit komt overeen met een maximale vrijheid, waarbij we onze vrijheid slechts beperkt inperken. Maar: we hebben ook een intuïtieve voorkeur aan coherentie. Er is iets dat niet klopt in deze foto. Omdat we ons niet comfortabel voelen met deze situatie, gaan we een aantal blauwe stukjes een groene of bruine kleur willen geven. De situatie zoals in bovenstaande figuur zou overeenkomen met bv. racisme, waarbij mensen met een donkere huidskleur niet het basisrecht hebben. We komen tot de vierde foto:

Deze ziet er al ietsje beter uit. Deze foto staat symbool voor het huidige ethische systeem in het westen. We zien een groene halve cirkel, die symbool staat voor het basisrecht voor alle mensen. We hebben een bruine vlek als symbool voor antidiscriminatie. We hebben veel blauw, als symbool voor de vrijheden. En dan is er nog een vreemde groene kronkel links in de foto. Die groene vlek was er al in het begin aanwezig, en heeft te maken met onze empathie voor dieren. Spontaan ervaren we empathie, niet alleen met mensen, maar ook met andere voelende wezens. De groene vlek die we in bovenstaande foto zien, staat symbool voor de dierenwelzijnswetten. Die wetten beperken een klein beetje onze vrijheid (er is een klein beetje minder blauw). We mogen dieren niet onnodig leed bezorgen. Maar rondom die vlek is nog veel blauw, wat wil zeggen dat dieren niet het basisrecht hebben. We mogen dieren nog wel gebruiken als louter middel (slaven, lichamen,…), zelfs al is het slechts voor ons genot (smaakgenot van vlees, statuswaarde van bont, amusement in dierencircussen,…).
Het is duidelijk dat er nog iets schort aan bovenstaande foto. Waarom is de onderste helft symmetrisch en de bovenste niet? Waarom is er een groene halve cirkelschijf? Waarom hebben we alle groene vlekken met elkaar verbonden, behalve die ene die links in beeld zweeft? Waarom mag een dier niet onnodig lijden, maar mogen we het wel leed veroorzaken voor ons genot? Waarom zouden we het antidiscriminatieprincipe mogen beperken tot enkel mensen?
Het lijkt wel of bovenstaande foto er één is die gemaakt werd door een persoon met neglect, een psychische aandoening waarbij men geen acht slaat op alles wat links in beeld valt. Men gaat er dan maar vanuit dat het linkse beeldveld blauw is, en dat groene stukje kan men niet zo goed vastpinnen.
Willen we echt consistentie en coherentie, dan zouden we de foto moeten inkleuren als volgt:

We zien dat het groene gedeelte nu ook ongeveer symmetrisch is ingekleurd. Dat wil zeggen dat niet-menselijke voelende wezens ook het basisrecht krijgen, net zoals mensen. We hebben echter een deel van de ‘kruin van de boom’ wit gelaten. Dat deel staat symbool voor misschien wel het enige moeilijke probleem waar een dierenrechtenethiek mee worstelt: wat te doen met de jagende roofdieren? Hebben we de plicht om in te grijpen en een zebra te beschermen tegen een hongerige leeuw? Mogen we dieren in een natuurhulpcentrum opofferen en voederen aan gekwetste of zieke roofdieren? De intuïtie zegt dat we zeer tolerant zijn tegenover jagende roofdieren (behalve als ze op ons jagen). Misschien zitten hier wel nieuwe principes in het spel. Bijvoorbeeld het belang van biodiversiteit,… Misschien ligt er wel sneeuw op die boom op de foto? Of iets anders?
Hoe dan ook, op dat ene kleine “schoonheidsfoutje” (de witte vlek) na, hebben we een vrij duidelijk en consistent ethisch systeem, waarbij de kleurgebieden goed afgebakend zijn.

Laten we nog eens even de kern van het proces samenvatten. We hebben verschillende morele intuïties, elk met een eigen emotionele intensiteit (sommigen wekken sterkere emoties op dan anderen). Die intuïties proberen we te gieten in ethische axioma’s. Elk axioma heeft dan een emotionele kracht en een flexibiliteit: aan sommige axioma’s zijn we emotioneel zeer sterk gehecht, andere axioma’s zouden we durven laten vallen indien nodig, en nog anderen kunnen we een beetje wijzigen,… En zo zoeken we een consistent systeem.
Toegepast op dierenrechten, hebben we drie ethische axioma’s:
1) Alle voelende mensen hebben het basisrecht om niet gebruikt te worden als louter middel. Dit axioma is gebaseerd op morele intuïties die opduiken in bv. dat ziekenhuisdilemma. Het gaat gepaard met relatief sterke emoties (we krijgen de kriebels als we denken aan het opofferen van die bezoeker in het ziekenhuisdilemma), dus laten we het 10 punten geven, wat wil zeggen dat er weinig aan te raken valt.
2) Discriminatie mag nooit. Dit axioma is een formulering van ons intuïtieve gevoel van verontwaardiging bij het zien van bepaald onrecht. Ook dit gaat gepaard met relatief sterke emoties: we geven het ook 10 punten.
3) Respecteer altijd de individuele vrijheid van mensen. Bijvoorbeeld de vrijheid om vlees te mogen eten. Dit axioma is een formulering van de intuïtie dat het niet netjes is om iemands geluk te ontnemen. En het kan zijn dat vlees lekker is en iemand gelukkiger maakt. Dit axioma is echter gevoelsmatig iets minder sterk; we geven het 5 punten. Dat wil zeggen dat we nog wel wat uitzonderingen op dit principe dulden, indien nodig.
We stellen nu vast dat die drie axioma’s geen consistent systeem vormen. Een van de axioma’s moeten we wat inperken. En dat zal het derde axioma zijn, omdat dat emotioneel minder sterk is. Dus passen we axioma 3 een beetje aan (“Respecteer vrijheid, behalve als daarbij iemands basisrecht geschonden wordt”). En zo komen we tot een ethiek van dierenrechten en vegetarisme.

In de meta-ethiek stelt men de vraag of een ethisch systeem een absolute geldingskracht heeft. Daarop kunnen we moeilijk antwoorden. Waarschijnlijk is het antwoord negatief: er is geen absolute morele standaard, geen God, Zeus, Apollo, Krishna, Tohr, Allah of Quetzal die voor ons dicteert wat de juiste ethiek is. Al wat we hebben, zijn onze eigen morele intuïties en ons logisch denkvermogen.
Die morele intuïties lijken wel op smaakoordelen: we kunnen er niet verder over discussiëren, we kunnen niet bewust onze smaakvoorkeur kiezen. Ik kan niet vrijwillig kiezen om een peer wansmakelijk te vinden. En iedereen heeft zo zijn eigen smaakvoorkeuren…
Toch is er misschien niet helemaal een ethisch relativisme. We merken op dat er eigenlijk een grote consensus is over smaakoordelen. De meeste mensen vinden zoete dingen lekker, en bittere dingen slecht. (Let op het taalgebruik: “slecht” kan zowel verwijzen naar smaak, als naar een ethisch oordeel.) Bijna niemand vindt gras, mensenhaar, boomschors of uitwerpselen lekker. Water lust iedereen.
Bij morele intuïties kunnen we hopen (en vermoeden) dat er ook een relatief grote consensus is. Uit experimentele studies blijkt hoe een grote meerderheid van ondervraagden spontaan dezelfde antwoorden gaven in dilemma’s zoals die van het ziekenhuis. En we hebben ook sterke vermoedens dat bijna iedereen vindt dat een vitaal belang primeert boven een triviaal belang.
We hebben sterke vermoedens dat vele mensen die we kennen gelijkaardige morele intuïties en daaraan gekoppelde emotionele waarden hebben als ons. En de vraag is of er dan een uniek axiomatisch systeem bestaat dat het beste aansluit bij die morele intuïties. De vraag is dus of de foto er voor iedereen ongeveer uit gaat zien als die van een boom met een duidelijk bolvormige groene kruin. We kunnen hopen en vermoeden van wel. De meeste mensen zullen sneller geneigd zijn om iemands vrijheid te beperken, dan om iemands basisrecht te schenden. Zeker als het om een relatief triviale vrijheid gaat, zoals de vrijheid om te genieten van een stuk vlees.
We keren nog even terug naar de analogie tussen morele oordelen en smaakoordelen. Stel dat Jan peren erg lekker vindt. Daarover valt niet te twisten: ik kan Jan niet overtuigen van het tegendeel. Ik geef Jan nu een gerecht, en hij zegt “bah, vies!” Ik zeg nu dat het stukjes blauwgekleurde peer zijn. En we kunnen nu beginnen discussiëren over feiten, over het feit dat de vorm niet de smaak beïnvloedt (een vierkant blokje peer is even lekker als een ronde), dat die blauwe kleur smaakloos is,… Jan moet uiteindelijk erkennen dat het waar is wat ik zeg. En kijk eens aan: ik heb Jan met rationele argumenten overtuigd van het oordeel dat dit gerecht wel lekker is! Zo werkt dat ook in de ethiek. Mensen die vlees eten, zijn misleid of onwetend, zoals ook Jan misleid was door de vorm en de kleur van die peer.
Er is echter één verschil tussen ethiek en smaak: bij ethiek hebben we een overtuigingsdrang, bij smaak niet. Als Jan nog steeds zegt dat dat blauwe gerecht niet lekker is, dan interesseert mij dat niet zo, ik heb niet zo’n drang om hem te overtuigen van het tegendeel. Die overtuigingsdrang zien we wel bij ethiek.

Dit bericht werd geplaatst in Blog en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s