Toepassingen van de gulden regel

In een vorig artikel (https://stijnbruers.wordpress.com/2012/06/17/welzijn-de-gulden-regel-en-de-ethiek-van-alcoholgebruik-3/) paste ik de gulden regel toe op de problematiek van alcohol. Er zijn echter nogal wat nuanceringen te maken bij deze gulden regel. In dit artikel pas ik opnieuw de gulden regel toe op een vijftal cases. Die vijf cases stellen telkens de vraag: zou ik, indien ik kon, een product X produceren en verkopen? Ik heb daarbij drie keuzes:

1) ik maak het product niet en verkoop niets.

2) ik verkoop het product aan enkel diegenen die er (met voldoende zekerheid) geen misbruik van zullen maken.

3) ik verkoop het product aan Jan en alleman.

De vraag die ik stel is: wat is voor mij qua keuze moreel gezien het beste om te doen? Iedere producent heeft dan de plicht om datzelfde te doen.

Wat de gulden regel betreft, die luidt voor de eenvoud als volgt: doe dat wat iedereen moet doen. Of iets preciezer: als iedereen X zou doen, en als de gevolgen in die situatie positief zijn voor het welzijn, dan moet ik alvast het goede voorbeeld geven en X doen. (Een positief gevolg voor het welzijn houdt in dat het totale welzijn van alle voelende wezens grosso modo stijgt, maar waarbij het welzijn van de laagste posities een prioriteit krijgen.)

In de vijf toepassingen die volgen, zal ik een bepaalde strategie gebruiken om de gulden regel toe te passen en te beslissen welk van bovenstaande drie keuzes voor een producent de beste is. Eerst kijken we naar wat de “utopische gulden regel” (of “universele gulden regel”), de UGR, als resultaat oplevert voor het welzijn. Deze UGR kijkt naar de situatie wanneer echt iedereen (in een ideale wereld) die bepaalde keuze zou volgen, bv. wanneer niemand product X zou verkopen. Als de UGR een duidelijke voorkeur oplevert voor een bepaalde keuze, is die keuze de moreel beste keuze. Indien de UGR nog onbeslist blijft, indien er een gelijke stand is tussen verschillende keuzes, kijken we naar de “realistische gulden regel” (RGR): wat als niet iedereen die keuze zou maken? Wat als er “slechteriken” in de wereld zijn; mensen die een product X misbruiken? In de echte wereld is zoiets het geval. De RGR luidt dan: doe dat wat iedereen, behalve die bestaande slechteriken, moet doen. Indien de UGR onbeslist is tussen twee keuzes, kan de RGR misschien de knoop doorhakken en een duidelijke voorkeur uitspreken.

Laten we de vijf cases bestuderen, beginnende met de situatie uit het vorige artikel. We beschouwen de situatie van de UGR in de keuze “ik verkoop niet product X” als referentie. Deze referentie komt dus overeen met: “niemand verkoopt (en consumeert) product X”.

Alcoholproductie

In situatie 1, de referentiesituatie, wordt er geen alcohol geproduceerd en verkocht. In de tweede keuze volgens de UGR verkoopt iedereen alcohol enkel aan diegenen die alcohol niet misbruiken. In de praktijk is het onmogelijk te zeggen of iemand aanleg heeft tot alcoholmisbruik, dus komt deze situatie (ruwweg) overeen met de referentiesituatie. De UGR toepassen op de derde keuze geeft: “iedereen kan alcohol verkopen aan eender wie”. Deze derde situatie is, zoals we in het vorige artikel bespraken, minder goed dan de vorige twee situaties, omdat de slachtoffers van alcoholmisbruik in een ernstig lagere welzijnstoestand terecht komen.

De UGR geeft geen uitsluitsel tussen de eerste en de tweede keuze. De RGR ook niet, dus besluiten we: de derde keuze is de slechtste. Ik mag geen alcohol verkopen aan Jan en alleman.

We kunnen ook eens kijken naar een vierde optie: geen alcohol kopen en verkopen, en alcoholconsumptie bestraffen. In de ideale wereld, als iedereen alcoholconsumptie zou bestraffen en zelf geen alcohol zou consumeren, zitten we in dezelfde situatie als de referentiesituatie (er valt niets te bestraffen). De UGR geeft geen uitsluitsel tussen de eerste en de vierde optie, maar de RGR wel. Overheden die alcoholconsumptie verbieden (bestraffen), krijgen te kampen met de “ijzeren wet van het alcoholverbod” (zie https://stijnbruers.wordpress.com/2012/06/17/welzijn-de-gulden-regel-en-de-ethiek-van-alcoholgebruik-3/). Dus alcohol bestraffen is niet goed.

De ijzeren wet van het alcoholverbod kan ook een ander dilemma genereren. Stel dat iemand zelf alcohol stookt en die gevaarlijke alcoholische dranken (met onzekere en hoge percentages alcohol, plus extra gifstoffen in) verkoopt. Ik zou dan veiligere alcohol kunnen brouwen en die verkopen, om er zo voor te zorgen dat die gevaarlijke alcohol minder verkocht wordt (diens markt inpalmen) en er dus minder schade wordt veroorzaak (hoewel mijn veiligere alcohol ook enige schade zal veroorzaken). De UGR zou kunnen luiden: “Men mag geen alcoholdrank produceren, tenzij iemand anders een schadelijkere alcoholdrank zou produceren.” Als iedereen deze regel naleeft, is er geen alcoholprobleem, en in de reële wereld zou er minder schade zijn van mijn alcohol. Maar toch denk ik dat een goede UGR niet dergelijke “tenzij iemand anders” constructie mag hebben, omdat dat het wezenlijke element van universalisme ondergraaft. Het universalisme zegt immers iets te moeten doen, zelfs al doet iemand anders dat niet.

Messenproductie

In het vorige artikel besprak ik de vergelijking met de verkoop van messen. Ook een mes kan misbruikt worden door bv. een moordenaar. Volgens de UGR is een wereld waar messen verkocht worden beter dan een wereld zonder messen, want een mes kent zeer veel nuttige toepassingen, en de moordenaar had (ongeveer) even gemakkelijk een ander gevaarlijk voorwerp (bv. een scherpe steen)  kunnen nemen voor zijn moord. Dat kleine extra gemak om een mes te gebruiken voor de moord (en dus een kleine “extra doodsoorzaak” van het gebruik van het mes) weegt niet op tegen de zeer talrijke nuttige toepassingen van een mes. De RGR biedt verder geen uitsluitsel, het is moeilijk om selectief messen te verkopen aan enkel diegenen die messen nooit zullen misbruiken, dus conclusie: ik mag moreel gezien messen verkopen aan iedereen (behalve als het echt duidelijk is dat de koper er een moord mee gaat plegen).

Wapenproductie

Dit is iets moeilijker dan messenproductie. In een ideale wereld, waarin er geen wapens geproduceerd of verkocht worden (keuze 1, de referentiesituatie), is er minder leed dan in een wereld waar wel wapens verkocht worden aan eender wie. Dus keuze 3 valt al zeker af. Maar in de UGR komt keuze 2 op hetzelfde neer als keuze 1: in keuze 2 verkoop ik enkel wapens aan diegenen die (met voldoende betrouwbaarheid) die wapens enkel gebruiken om misbruik van wapens tegen te gaan. In de UGR worden er enkel wapens verkocht aan mensen die wapens niet misbruiken, en als er geen misbruik is, hoeven er ook geen wapens verkocht te worden volgens keuze 2. Keuze 1 en 2 zijn dus gelijk in de UGR.

De moeilijkheid komt in de realistischere RGR. Stel dat ik geen wapens verkoop, aan niemand, terwijl iemand anders wel wapens verkoopt aan eender wie. Bandieten kunnen dus aan wapens geraken, terwijl ik (en iedereen die de ethische plicht zou volgen) geen wapens verkoop aan bv. goede politiemensen die dat wapenmisbruik kunnen bestrijden. Dat wordt gevaarlijk; het is zoals een land zonder defensie, dat aangevallen wordt door een oorlogszuchtig land. Volgens de RGR is het dan beter om wel wapens te verkopen, maar dan enkel aan diegenen die die wapens gebruiken om het wapenmisbruik van die schurken tegen te gaan. Ik mag dus wel wapens produceren en verkopen, maar dan erg selectief: enkel aan de mensen die er enkel misbruik mee zullen bestrijden. Keuze 2 is dan de beste: een ethisch verantwoorde wapenproducent heeft dus de plicht om erg selectief te verkopen (iets wat in de realiteit bij geen enkele wapenfabrikant het geval is).

De goede regel is dus: gebruik enkel wapens tegen misbruik van wapens. Men mag dus wel een regel (“gebruik geen wapens”) schenden indien men ermee schendingen van die regel (wapenmisbruik) rechtstreeks bestrijdt. Dit is zoals in wettige zelfverdediging: sla niet iemand, tenzij het de enige manier is om te zorgen dat iemand niet slaat. Dergelijke (zelf)verdediging met wapens is verschillend van het volgende dilemma: stel dat iemand gevaarlijke wapens maakt; gevaarlijk in de zin dat ze door onnauwkeurigheden veel onnodige slachtoffers veroorzaken. Ik kan goedkopere en accuratere wapens maken, waarmee minder ‘collateral damage’ zou plaatsvinden. Men zou dan mijn wapens kopen en minder van die gevaarlijke, en uiteindelijk zal er zo minder schade mee veroorzaakt worden. De regel zou nu kunnen luiden: “verkoop geen wapens, tenzij iemand anders onveiligere wapens zou verkopen (en je met jouw verkoop die andere verkoop zou reduceren)”, maar zoals hierboven beschreven, is een dergelijke “tenzij iemand anders”-regel geen goede UGR.

Wetenschappelijk onderzoek (productie van wetenschappelijke kennis)

Dit is een iets subtielere case. Wetenschappers zijn producenten van kennis. Kennis is macht, en macht kan misbruikt worden. Een voorbeeld is de formule E=mc² van Einstein, die 40 jaar na de ontdekking gebruikt werd om kernwapens tot ontploffing te brengen. Was het dan ethisch verantwoord van Einstein om dat onderzoek in de fysica te doen?

Laten we eerst kijken naar de referentiesituatie, waarbij geen nieuwe kennis geproduceerd wordt. Is een dergelijke wereld minder goed dan een wereld waar wel kennis geproduceerd wordt? In die laatste wereld kan die geproduceerde kennis geheim blijven (enkel doorgegeven worden aan wetenschappers die er verantwoord mee kunnen omgaan), wat overeen komt met keuze 2, of open zijn, wat de derde keuze zou zijn. In de ideale samenleving, volgens de UGR, is er geen wezenlijk verschil tussen keuzes 2 en 3. In situatie 2 zal er iets minder goed wetenschappelijke vooruitgang zijn door de geslotenheid, maar is er een iets lager risico op misbruik van kennis. Het beste is dat kennis zoveel mogelijk open is, maar als die kennis een groot risico kent op misbruik (bv. voor de productie van massavernietigingswapens), is het beter dat cruciale details van die kennis geheim blijven, kwestie van misbruik te beperken.

Het lijkt intuïtief evident dat keuze 1 minder goed is dan keuzes 2 en 3. Maar is dat wel zo, gezien de realiteit dat kennis wel degelijk misbruikt kan worden? Denk aan de atoombom; we mogen niet naïef zijn. De potentiële voor- en nadelen (de potentiële baten en risico’s) van nieuwe kennis zijn quasi onmogelijk in te schatten; zeker bij fundamenteel onderzoek. We kunnen daar moeilijk een uitspraak over doen, behalve dan een goed geloof in de mensheid hebben. De vreugde bij het ontdekken van nieuwe kennis is daarentegen wel een zekerheid die we wel duidelijk positief kunnen laten meetellen. Dat kan de slinger iets meer naar het “pro onderzoek” doen uitslaan. En er is meer: als ik kies voor keuze 1, kan een slechterik nog steeds zelf onderzoek doen, en uiteindelijk een gevaarlijk wapen maken. Ik heb dan niets om mij te verdedigen, want ik heb geen kennis. Dus in die zin is kiezen voor optie 1 in de realistische wereld (volgens de RGR) zeker geen goed idee. (Cfr. de case van wapenproductie.)

Conclusie: volgens de UGR is keuze 1 mogelijks geen goed idee, volgens de RGR is keuze 1 zeker geen goed idee. We hebben dus niet de plicht om al het wetenschappelijk onderzoek te stoppen.

Vleesproductie

Als vijfde voorbeeld nog de situatie van de uitbuiting van dieren in de veeteelt. Men kan beargumenteren dat als wij geen vlees meer produceren en verkopen, de mensen dan wel vlees van andere veetelers gaan kopen, en die andere veetelers passen mogelijks minder goed dierenwelzijnswetten toe. Of met andere woorden: als we in België of Nederland geen bont meer produceren, importeren we bont van China, en daar zijn de dieren er nog veel erger aan toe. Moeten we toegeven aan dergelijk dreigement en dan maar de nertsenkwekerijen hier tolereren?

Allereerst kunnen we zeggen dat, in tegenstelling tot alcohol, de overheid wel degelijk met goede resultaten in staat kan zijn om de consumptie en verkoop van dierlijke producten te verbieden. Illegale veeteelt is niet zo evident en is gemakkelijker op te sporen dan illegale alcoholstokerij. Het is onwaarschijnlijk dat de Iron Law of Prohibition ook opgaat voor de veeteelt.

Maar nu de vraag of wij dan ook maar aan veeteelt moeten doen. Volgens de UGR is het duidelijk: de referentiesituatie (wijzelf doen niet aan veeteelt) is de beste: als niemand aan veeteelt doet, worden er geen dieren gebruikt als louter middel. Deze UGR geeft reeds uitsluitsel, hoewel keuze 1 volgens de RGR mogelijks niet optimaal is. Maar de UGR heeft prioriteit op de RGR: als de UGR reeds uitsluitsel biedt, is de zaak opgelost: we mogen zelf geen dierlijke producten produceren en verkopen, zelfs niet als de anderen het veel erger aanpakken met de dieren. Men zou ook hier, net zoals bij bovenstaande dilemma’s van de gevaarlijkere alcohol en de gevaarlijkere wapens, een andere regel kunnen voorstellen: “Doe niet aan veeteelt, tenzij iemand anders aan ergere veeteelt doet (en je met jouw veeteelt die ergere veeteelt kan reduceren).” Maar dat is geen goede UGR.

Dit bericht werd geplaatst in Blog en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s