De vijf morele vingers

Vijf ethische basisprincipes vormen de basis van een alomvattende, consistente ethische theorie. Deze vijf basisprincipes kunnen we voorstellen als vijf vingers die ons toelaten elk moreel probleem vast te grijpen. De ethische basisprincipes kunnen we laten samenspelen zoals in een harmonieus pianospel.

 

De duim: het principe van universalisme. Men moet (mag) datgene doen wat iedereen die ertoe in staat is in alle gelijkaardige situaties moet (mag) doen. Een handeling moet (mag) indien je een gedragsregel kunt vinden die die handeling omschrijft en die iedereen die ertoe in staat is moet (mag) volgen. De universalistische gedragsregel mag niet verwijzen naar een willekeurige plaats, tijd, individu of groep. Men mag enkel een goede universalistische gedragsregel overtreden om anderen die de regel niet volgen aan te zetten ze te respecteren. Bv. in (zelf)verdediging een wapen gebruiken om wapenmisbruik te bestrijden.

Net zoals men de duim tegen de vier andere vingers kan plaatsen, zo moeten we et principe van universalisme toepassen op de andere vier basisprincipes. Dus als we een ethische gedragsregel willen afleiden uit de vier onderstaande basisprincipes, moeten we ons de vraag stellen: wat zouden de gevolgen zijn als iedereen (die ertoe in staat is) die afgeleide gedragsregel consistent zou volgen en als die gedragsregel dus een universele wet wordt? Als in zo’n situatie van universele naleving van die gedragsregel de gevolgen de beste zijn volgens de vier onderstaande basisprincipes, dan moeten we zelf alvast die gedragsregel naleven, zelfs al doet niemand anders het (de gedragsregel mag dus niet een vorm hebben zoals: “Doe X, tenzij anderen niet X doen”, want zoiets ondergraaft net het universalisme). We moeten zelf alvast het goede voorbeeld en de gedragsregels volgen die iedereen moet volgen, want we moeten iedereen de kans geven om samen te werken, om ook de goede gedragsregels te volgen en zo samen de beste gevolgen te kunnen realiseren.

Als we een bepaalde handeling willen stellen, dan moeten we altijd een gedragsregel kunnen vinden die die handeling rechtvaardigt (de handeling moet af te leiden kunnen zijn uit de gedragsregel) én die tot optimale gevolgen zou leiden als die gedragsregel een universele wet zou zijn. Indien we niet zo’n gedragsregel kunnen vinden, dan mogen we die handeling niet stellen. Het zou kunnen dat we verschillende gedragsregels kunnen afleiden uit onderstaande basisprincipes, die allemaal tot optimale gevolgen zouden leiden in een ideale situatie van universele naleving. In dat geval moeten we de meest optimale gedragsregel selecteren door die gedragsregels toe te passen op realistischere, niet-ideale situaties zonder universele naleving. De gedragsregel die al zeker de beste gevolgen geeft in ideale situaties, en daarnaast ook de beste gevolgen geeft in niet-ideale situaties, is dan de meest optimale.

Uit het principe van universalisme volgt o.a. de gulden regel (behandel anderen zoals je door hen behandeld wil worden) en de antidiscriminatieregel (behandel gelijken gelijk en ongelijken ongelijk).

De wijsvinger: de waarde van levenskwaliteit en welzijn. Streef naar een rechtvaardige (onpartijdige) verdeling van levenskwaliteit. De levenskwaliteit is de waarde die een onpartijdige persoon zou geven aan het leiden van een bepaald leven. Het houdt verband met het totale welzijn dat een voelend wezen ervaart gedurende gans zijn bewuste leven. We moeten de levenskwaliteiten van alle voelende wezens maximaliseren, waarbij we een sterke prioriteit geven aan het verhogen van de levenskwaliteiten van de wezens in de laagste posities. Met andere woorden: maximaliseer de levenskwaliteiten van de individuen die het slechtst af zijn, tenzij dat ten koste gaat van veel meer levenskwaliteit van anderen (we mogen niet te veel levenskwaliteit en welzijn opofferen voor een verwaarloosbare stijging van de laagste posities, want dat zou niet efficiënt zijn).

Het wijsvingerprincipe kan worden afgeleid met een gedachtenoefening van onpartijdigheid, de sluier der onwetendheid: stel dat je straks het leven zult leiden van iemand, je zult al diens preferenties en gevoelens krijgen, maar je zit nu achter een sluier en je weet niet als wie of wat je zult geboren worden. Elk leven dat je kunt krijgen geef je een waarde, de ‘levenskwaliteit’ of ‘totale levenswelzijn’, die aangeeft hoe graag je dat volledige leven zou willen leiden. De levenskwaliteit omvat alles wat men in een leven zou willen. Als je een zekere risico-aversie hebt (een hogere schrik om het wezen in de laagste positie te worden), dan zou je uitkomen op een prioriteitenethiek qua verdeling van levenskwaliteit, waarbij de laagste posities (de laagste levenskwaliteiten) een hoge maar niet absolute prioriteit hebben. Dergelijke onpartijdigheidsoefening met een hoge maar niet maximale risico-aversie komt overeen met een empathische houding met een lage maar niet minimale behoefte aan efficiëntie (empathie geeft een hogere aandacht voor de laagste posities, maar efficiëntie voorkomt dat je te veel welzijn van anderen zou opofferen, dat er een te sterk verlies aan totaal welzijn van iedereen samen zou zijn).

(Wiskundig uitgedrukt zegt dit principe dat we de verwachtingswaarde van een gewogen gemiddelde van levenskwaliteiten van alle beïnvloedbare voelende wezens moeten maximaliseren. De maximalisatie loopt over alle beschikbare keuzes. Elke keuze die we kunnen stellen resulteert in een andere wereldgeschiedenis. In elke keuze nemen we enkel die voelende wezens in rekening die effectief bestaan of zullen bestaan in de overeenkomende wereldgeschiedenis en wiens welzijn beïnvloedbaar is door onze keuzes. Het gewogen gemiddelde loopt over alle wezens die we zo in rekening brengen, waarbij hogere gewichtsfactoren gegeven worden aan de laagste levenskwaliteiten. Een hogere prioriteit wordt dus gegeven aan de laagste posities. De verwachtingswaarde wordt genomen in geval dat de uitkomsten van de levenskwaliteiten onzeker zijn.)

De middelvinger: het basisrecht om niet gebruikt te worden als louter middel voor de doelen van iemand anders. De middelvinger is de langste vinger, dus dit basisprincipe domineert tot op zekere hoogte het vorige principe. Een slachtoffer wordt gebruikt als louter middel als er aan vier voorwaarden voldaan is. 1) De aanwezigheid van het slachtoffer is noodzakelijk om het doel te bereiken (als het slachtoffer niet aanwezig was en het plan om een doel te bereiken zou nog steeds werken, dan wordt het slachtoffer niet gebruikt als middel). 2) De aanwezigheid van de dader is noodzakelijk (als het slachtoffer nog steeds slachtoffer zou zijn indien er geen dader was, dan wordt het slachtoffer niet gebruikt voor het doel van de dader). 3) Als het slachtoffer geen goed geïnformeerde ongedwongen toestemming geeft (dan is er sprake van gebruik als louter middel). 4) Als het lichaam van het slachtoffer een centrale rol speelt in het gebruik, dus als de lichamelijke integriteit wordt geschonden (bv. vleesconsumptie, experimenten, orgaantransplantatie, lichamelijke manipulatie), als er een seksuele handeling is met het lichaam (bv. verkrachting), als het lichaam een activiteit moet uitvoeren (bv. slavernij), als het lichaam ergens moet zijn (bv. opsluiten in een kooi), als het lichaam wordt gefotografeerd of bekeken (bv. naaktfoto, schendingen van lichamelijke privacy), als er een prijs staat op het lichaam (bv. handel)… Het lichaam is immers het enige dat een wezen volledig bezit. We hebben de plicht om zwakkeren te helpen, maar niet als ons lichaam daarvoor een centrale rol speelt. Men kan dus niet zeggen dat we (desnoods zonder onze toestemming, omwille van een plicht) een beetje van ons bloed of een nier moeten afgeven (gedwongen bloed- of nierdonaties), want dat bloed en die nier zijn volledig van ons. Bloed- en nierdonaties zijn moreel goed maar niet verplicht. Men kan wel bv. belastingen heffen (zelfs al is de aanwezigheid van de belastingbetaler noodzakelijk om belastingen te kunnen heffen, en zelfs al geeft de belastingbetaler geen toestemming), want geld is niet volledig van een persoon: het zou kunnen dat een persoon te veel geld verdiende, en als bv. een boer zijn oogst verkoopt, is de handenarbeid wel van de boer, maar de grond is (moreel gezien) niet van de boer. Iemand dwingen om arbeid te verrichten kan dan weer niet, want dan staat het lichaam wel centraal (cfr. slavernij). De waarde van iemands lichaam kan ook na diens dood nog een beetje aanwezig zijn (vandaar bv. dat seks hebben met lijken niet mag, maar men mag wel de organen van een overledene gebruiken).

We moeten schendingen van het basisrecht zoveel mogelijk verhinderen. Hierbij hebben complexere wezens een uitgebreider basisrecht in de zin dat ze een claim op het basisrecht hebben in meer situaties. Er is een gradatie in complexiteit van wezens. Levende wezens (biologische cellen, planten,…) zijn tamelijk complexe wezens met genetische informatie, een celwand en een metabolisme. Ze hebben belangen in voeding en voortplanting. Responsieve wezens zijn iets complexere levende wezens, met een zenuwstelsel dat toelaat te reageren. Zoals robotten hebben ze nog geen bewustzijn. Voelende wezens zijn nog complexer: ze hebben een complex zenuwstelsel ontwikkeld dat een perceptueel bewustzijn en bijhorende subjectieve positieve en negatieve ervaringen (stress, vreugde,…) creëert. Ze hebben met andere woorden de mogelijkheid ontwikkeld om een subjectief welzijn te hebben, en hebben die mogelijkheid nog niet definitief verloren. Het subjectief welzijn is de verzameling van positieve en negatieve lichamelijke sensaties en psychische emoties. Tot slot zijn er de denkende wezens: voelende wezens die een zelfbewustzijn en begripsvermogen hebben. Ze hebben niet enkel belangen (zoals levende wezens), ze reageren niet enkel op hun belangen (zoals responsieve wezens), ze ervaren niet enkel hun belangen (zoals voelende wezens), maar ze begrijpen ook hun belangen. Deze denkende wezens hebben de meest complexe emotionele levens, met een toekomstperspectief, dromen,…

Deze gradatie in complexiteit van belangen kan gekoppeld worden aan een gradatie in doelen (behoeften). Luxebehoeften zijn de meest triviale doelen: ze hebben een positieve bijdrage tot iemands welzijn indien ze vervuld zijn, maar deze behoeften worden gecreëerd door de samenleving en we kunnen omstandigheden creëren waar die behoeften niet langer dienen vervuld te worden om het welzijn te verhogen. Deze luxebehoeften worden sterk beïnvloed door mode, statuswaarde of commerciële reclame, en zijn bijgevolg manipuleerbaar, variabel en relatief. Basisbehoeften zijn behoeften die niet noodzakelijk zijn om een gezond leven te leiden, maar ze dragen wel sterk bij tot iemands welzijn en ze zijn stabiel en niet maakbaar door de samenleving. Voorbeelden zijn: sociaal contact, kennis, recreatie,… Vitale behoeften (medische behoeften) zijn behoeften die voldaan moeten zijn om een voldoende lang gezond leven te leiden. Voorbeelden zijn medicijnen en gezondheidszorg. Tot slot zijn er de biologische overlevingsbehoeften. Dat zijn levensnoodzakelijke behoeften die niet enkel belangrijk zijn voor een individu, maar ook belangrijk zijn voor populaties en de biodiversiteit. Ze zijn ontstaan door natuurlijke evolutie. Voorbeelden zijn voeding, drinken, seksuele activiteit,… Zowel vitale als overlevingsbehoeften zijn noodzakelijk voor individuen en biologische populaties, maar overlevingsbehoeften zijn ook ‘normaal en natuurlijk’ (zie het ringvingerprincipe).

Bovenstaande figuur laat zien dat bv. voelende wezens niet mogen gebruikt worden als louter middel voor vitale, basis- en luxebehoeften (de kruisjes in de figuur). Een voelend wezen mag nog wel gebruikt worden voor overlevingsbehoeften, dus predatie in de natuur is nog wel toegelaten. Het bejagen en eten van denkende wezens is niet toegelaten, want die hebben een iets sterker basisrecht dat ook geldt tegenover overlevingsbehoeften.

De middelvinger is niet oneindig lang, dus iemands basisrecht mag nog wel geschonden worden indien anders het wijsvingerprincipe heel ernstig geschonden zou worden.

De ringvinger: de waarde van biodiversiteit. Bescherm de biodiversiteit, want de biodiversiteit van ecosystemen is analoog aan het welzijn voor voelende wezens: beiden zijn intrinsiek waardevolle eigenschappen van een unieke en onvervangbare entiteit (ecosysteem, voelend wezen). Die entiteit heeft een neiging om meer van die intrinsiek waardevolle eigenschap te bekomen.

Biodiversiteit bestaat uit de variatie aan genen, biologische populaties (soorten,…) en biologische processen (predatie,…). Biodiversiteit is alles dat het directe gevolg is van evolutionaire processen (te onderscheiden van bv. menselijke uitvindingen). De waarde van biodiversiteit kan vertaald worden naar het volgende principe over toelaatbaarheid van gedrag: als een gedrag zowel ‘normaal’, ‘natuurlijk’ als ‘noodzakelijk’ is, is het toegelaten, zelfs al worden daarbij andere basisprincipes (zoals de wijs- en middelvinger) geschonden. ‘Natuurlijk’ betekent dat het gedrag een direct gevolg is van evolutionaire processen (genetische mutaties en natuurlijke selectie). Met andere woorden: het gedrag is een component van de biodiversiteit. ‘Normaal’ wil zeggen dat het gedrag erg vaak voorkomt, en ‘noodzakelijk wil zeggen dat de wezens die dat gedrag vertonen ziek zouden worden en vroegtijdig zouden sterven of dat populaties zouden uitsterven, indien die wezens dat gedrag niet meer zouden kunnen hebben. Dus ‘normaal+natuurlijk+noodzakelijk’ betekent dat heel veel biodiversiteit zou verdwijnen als dat bepaalde gedrag volledig zou stoppen. Predatie vormt een schending van het middelvingerprincipe en misschien ook van het wijsvingerprincipe, maar toch is predatie toegelaten en hebben we niet de plicht om roofdieren te verhinderen om te jagen. Het is niet wenselijk dat een dergelijke plicht (volgens het duimprincipe) een universele wet zou worden, want predatie is normaal en natuurlijk, en voor veel roofdieren ook noodzakelijk. Een universele regel tegen predatie zou resulteren in een massaal verlies aan intrinsieke waarde van biodiversiteit. Volgens de Academy of Nutrition and Dietetics  is voor mensen echter predatie (en algemener het eten van dierlijke producten) niet noodzakelijk. Dus mensen mogen geen dierlijke producten eten, want dat schendt het middelvingerprincipe. Iemand zonder diens toestemming opofferen voor orgaantransplantaties is ook niet toegelaten, want dergelijke operatie schendt het basisrecht en is niet natuurlijk (het is een doelbewuste uitvinding).

De pink: getolereerde partijdigheid. De bovenstaande principes zijn afgeleid vanuit een onpartijdig standpunt. Om een te veeleisende partijdige ethiek te vermijden, is er de kleine pink, die toelaat om een klein beetje van de andere vingers af te wijken. Als we de duim tegen de pink houden, komen we tot het pinkprincipe: partijdigheid is enkel toegelaten als we gelijkaardige niveaus van partijdigheid kunnen tolereren bij alle andere wezens. Als je bv. de keuze hebt tussen het helpen van meerdere individuen, mag je een zekere prioriteit geven aan het helpen van die individuen met wie je een sterkere persoonlijke of emotionele betrokkenheid voelt (zelfs als bv. het wijsvingerprincipe wordt geschonden), op voorwaarde dat je gelijkaardige keuzes en prioriteiten van andere helpers zou tolereren. Je mag jou kind redden in plaats van twee andere kinderen, als je kunt tolereren dat iemand anders zijn kind had gered in plaats van jouw twee kinderen. Maar je mag niet iemand anders opofferen en diens organen gebruiken om jouw twee kinderen te redden, want dat schendt het middelvingerprincipe, en de middelvinger is de langste, dominante vinger. Het pinkprincipe zegt ook dat we mogen ingrijpen in predatie en een prooi mogen beschermen, indien we een sterke band voelen met die prooi.

De handpalm: universele liefde, medeleven en respect. De bovenstaande vijf morele vingers vormen een consistent ethisch systeem. Ze kunnen beschouwd worden als vijf morele ‘krachten’, net zoals de basisnatuurkrachten die een consistent systeem van de fysica vormen. Naast de morele principes (vingers) is er ook onze liefhebbende, zorgzame attitude, die gesymboliseerd wordt door de handpalm. De morele handpalm houdt de vijf vingers samen en stelt het subjectieve gevoel voor van betrokkenheid met alle levende wezens, en een empathie met alle voelende wezens. We moeten universeel medeleven, respect en liefde ontwikkelen voor alle leven, en ook voor personen die immorele handelingen doen. Deze onvoorwaardelijke liefde is te vergelijken met de liefde van liefhebbende ouders voor hun kind: zelfs indien hun kind verschrikkelijk immorele dingen doet, zullen de ouders hem nog steeds liefhebben en niet haten of minachten. Ze zullen er alles aan doen om dat immorele gedrag van hun kind te stoppen, ze zullen hun kind niet zomaar vertrouwen, en ze kunnen zelfs overgaan tot geweld om hun kind te stoppen. Maar dat is dan een ‘beschermend geweld’ dat altijd gepaard gaat met een gevoel van liefde voor hun kind. Zo is ook liefdevol beschermend geweld in activisme mogelijk.

Dit bericht werd geplaatst in Artikels, Blog en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

2 reacties op De vijf morele vingers

  1. Ling zegt:

    Waar is de vinger die de kracht van de mannelijke hormonen voorstelt als drijfveer van de vooruitgang en de zovele technische verbeteringen die het leven aangenamer maken.
    Bijvoorbeeld : De durf van de gebroeders Wright om van de grond te gaan……

    • stijnbruers zegt:

      Wel, dat is de wijsvinger🙂 Een technologie die het leven aangenamer maakt (en die voornamelijk bijdraagt aan het welzijn van de laagste posities), zou goed zijn volgens het wijsvingerprincipe (de welzijnsethiek)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s