De ethiek van dierproeven in drie stappen: wetenschap, welzijn en rechten

For a presentation in English: The ethics of animal experiments in 3 steps: science, welfare and rights

In deze tekst beargumenteer ik dat dierproeven onethisch zijn. Het argument is opgebouwd uit drie stappen.

de ethiek van dierproeven in drie stappen

Stap 1) Dierproeven zijn wetenschappelijk onbetrouwbaar: te weinig voorspelbaarheid voor mensen

Laten we om te beginnen eens veronderstellen dat niet-menselijke dieren niet konden voelen, zodat we geen rekening moeten houden met dierenwelzijn en dierenrechten. Zouden we dan beter wel of niet dieren gebruiken in experimenten? Als het antwoord nee is, dan wil dat zeggen dat dieren in werkelijkheid voor niets lijden bij dierproeven.

Het eerste centrale probleem is dat er bij dierproeven te veel vals positieve en vals negatieve testresultaten zijn, waardoor een dierproef te weinig voorspelbaar is voor mensen. Een vals positief testresultaat is een experiment dat een (goed of slecht) effect vertoont bij dieren maar niet bij mensen. Men kan voor zowat elk medicijn (dat geschikt is voor mensen) wel een diersoort vinden waar het ernstige schadelijke effecten veroorzaakt. Voorbeelden zijn aspirine, morfine,… Hetzelfde geldt voor giftige stoffen. Zelfs een alledaags voedingsproduct zoals chocolade is dodelijk voor honden. Dus als men chocolade had getest op honden, was het afgekeurd voor menselijke consumptie. Heel veel stoffen zijn kankerverwekkend bij muizen, terwijl ze geen kanker veroorzaken bij mensen. De ‘positief voorspellende waarde’ ligt bij dierproeven vaak rond de 50% of lager: als iets schadelijk is volgens een dierproef, heeft het 50% kans om ook zo schadelijk te zijn voor een mens. Men kan evengoed schadelijkheid voorspellen door een muntstuk op te gooien. Ook andere indicatoren (negatief voorspellende waarde, sensitiviteit,…) liggen vaak niet hoger dan 50%. Zeggen dat dierproeven een goede voorspellende waarde hebben is daardoor niet consistent met de gangbare medische praktijk. In de medische praktijk legt men de lat veel hoger: men durft bijvoorbeeld pas van een betrouwbare ziektetest spreken als de percentages op vals positieve en vals negatieve testresultaten lager zijn dan 5% (dus bijvoorbeeld een voorspellende waarde hoger dan 95% hebben). Bij medicijnen met schadelijke nevenwerkingen is men nog veel strenger: dan tolereert men vaak nog geen 1% fouten. Het tolereren van hoge percentages valse testresultaten bij dierproeven is niet in overeenstemming met de strengere eisen in de gangbare medische praktijk.

Een teveel aan vals positieve testresultaten bij dierproeven houdt te veel de ontwikkeling tegen van nuttige stoffen en goede medicijnen (bv. digoxin, succinylcholine en vele andere) die niet schadelijk zijn voor mensen maar wel schadelijk effecten vertonen bij sommige diersoorten.

Als dierproeven er al in slagen om weinig vals positieve resultaten te genereren, wordt hun voorspelbaarheid vaak teniet gedaan door het optreden van veel vals negatieve resultaten. Deze tests vertonen geen effect bij de dierproef, maar wel een goed of slecht effect bij mensen. Men kan voor zowat elk medicijn dat goed werkt bij mensen en elke stof die schadelijk is bij mensen wel een diersoort vinden waar het medicijn of de stof geen werking heeft. Ook hier is de ‘negatief voorspellende waarde’ vaak niet beter dan een kans met een muntstuk. Een gevaar van vals negatieve tests is dat schadelijke medicijnen en stoffen op de markt komen die veilig bleken te zijn voor bepaalde diersoorten. Thalidomide (Softenon), Vioxx, cyclosporin en TGN1412 zijn een paar van de vele medicijnen die op de markt kwamen en schadelijke tot zelfs dodelijke nevenwerkingen hebben bij mensen, ook al werden ze veilig geacht na dierproeven. Er zijn ook vele voorbeelden te geven van stoffen die giftig zijn voor mensen maar goedgekeurd werden nadat ze veilig bleken voor bepaalde diersoorten. Dat kan leiden tot vele menselijke doden. Zo heeft de tabaksindustrie jarenlang belangrijke politieke maatregelen kunnen tegenhouden door te verwijzen naar experimenten die aantoonden dat muizen geen longkanker krijgen van sigarettenrook. De schadelijkheid van sigaretten kwam nochtans eerder aan het licht na epidemiologisch onderzoek (dat trouwens geen gebruik maakt van dierproeven).

Een vals negatief resultaat kan ook de ontwikkeling van goede medicijnen vertragen. Zo werd de ontwikkeling van het eerste antibioticum, penicilline, jarenlang vertraagd nadat Alexander Fleming vaststelde dat het geen werking had bij konijnen. Uiteindelijk heeft hij het uit wanhoop toch toegepast bij mensen, waar het wel goed bleek te werken. Als hij het eerst had getest op honden, was penicilline waarschijnlijk sneller in gebruik genomen, want voor honden is er wel een goed resultaat. Gelukkig maar dat hij het niet eerst had getest op ratten, cavia’s of hamsters, want voor deze diersoorten is penicilline schadelijk en zelfs dodelijk. Dus wat voorspellen dierproeven nu voor medicijnen?

Het tweede centrale probleem bij dierproeven is dat er geen diersoort (of verzameling van diersoorten) is die een betrouwbaar model vormt voor mensen. Er zijn honderden diersoorten, en die soorten reageren verschillend op giftige stoffen en medicijnen. Zo is penicilline goed, neutraal en schadelijk bij respectievelijk honden, konijnen en cavia’s. De voorspelbaarheid van dierproeven is te vergelijken met de voorspelbaarheid van de lotto: er is meestal wel iemand die het geluksnummer heeft getrokken. Maar dat wil niet zeggen dat men naar de verzameling van lottospelers kan kijken om het geluksnummer te voorspellen, want naar welke speler moeten we luisteren als de spelers verschillende nummers voorspellen? Achteraf aangeven dat er een winnaar is onder de lottospelers, bewijst niets.

Een derde centrale probleem bij het onderzoek naar menselijke ziektes is dat het vaak niet eenvoudig is om gezonde dieren op eenzelfde manier ziek te maken. Het is moeilijk tot onmogelijk om ziektes zoals MS of Parkinson te veroorzaken bij dieren. Wat men vaak doet is de dieren schaden zodat ze gelijkaardige symptomen vertonen (bv. bibberen), maar zo gaat men waarschijnlijk geen medicijn vinden tegen de menselijke ziekte. Verder is er het probleem van leeftijd (men gebruikt meestal jonge gezonde dieren voor de studie van ouderdomsziektes bij oudere mensen), het feit dat bij mensen er vaak meerdere ziektes tegelijk optreden (bv. hartziektes en diabetes samen), de verschillen tussen de dosissen van het toegediende medicijn (dieren krijgen vaak hogere dosissen dan mensen), de onderlinge beïnvloeding van verschillende medicijnen (zieke mensen moeten vaak meerdere medicijnen in combinatie nemen), de snelheid waarmee men in de dierproef het medicijn toedient en het stadium waarin de ziekte gevorderd is (men geeft vaak al het medicijn aan het dier van zodra de eerste symptomen opduiken, terwijl een zieke patiënt nooit zo snel het medicijn toegediend kan krijgen en de patiënt meestal al een verder gevorderd stadium van de ziekte heeft), de snelheid waarmee men de resultaten evalueert (bij een dierproef evalueert men vaak al na enkele dagen, terwijl men bij een zieke mens best enkele maanden wacht om de behandelingsresultaten te evalueren).

Bij het aantonen van de onwetenschappelijkheid van dierproeven is het niet voldoende om zoals hierboven enkele anekdotische voorbeelden te geven van valse testresultaten. Als bv. je grootvader zijn hele leven heeft gerookt en toch 100 jaar is geworden, is dat geen wetenschappelijk bewijs dat roken onschadelijk is. Wetenschap kijkt verder dan louter anekdotes. De mate van onvoorspelbaarheid van dierproeven, en in het bijzonder de hoeveelheid vals positieve en vals negatieve testresultaten, moet bepaald worden door wetenschappelijk onderzoek dat niet gebaseerd is op louter anekdotes. Het meest betrouwbare zijn de overzichtsstudies van systematische reviews en meta-analyses. Systematische reviews bundelen meerdere onderzoeksresultaten van verschillende studies samen op een niet-vooringenomen manier. Meta-analyses zijn statistische analyses van verzamelingen van studies. De studies, systematische reviews van die studies en overzichtsstudies van die systematische reviews worden allen nagelezen door onafhankelijke experts (blind peer review) en gepubliceerd in toonaangevende vaktijdschriften. Als dat onderzoek bovendien nog eens gebeurt door personen die veel kennis hebben van wetenschapsfilosofie, die zich verzetten tegen pseudowetenschap en die wetenschappelijke onderzoeksprincipes (sceptisch, evidence-based, antiautoritair, niet-anekdotisch onderzoek) hoog in het vaandel dragen, dan is de geloofwaardigheid van die overzichtsstudies nog groter. De volgende lijst van overzichtsstudies en boeken geven aan dat dierproeven te onbetrouwbaar zijn (bv. vaak een ‘positief voorspellende waarden’ hebben van 50% of lager).

Overzichtsstudies van systematische reviews.

Akhtar, A., Pippin, J.P. and Sandusky, C.B. (2008) Animal models in spinal cord injury: A review. Reviews in the Neurosciences 19(1): 47–60.

Anisimov V.N., Ukraintseva S.V., Yashin A.I. (2005). Cancer in rodents: does it tell us about cancer in humans? Nat Rev Cancer 5:807-819.

Greek, R. and Menache, A. (2013). Systematic Reviews of Animal Models: Methodology versus Epistemology. Int J Med Sci 10(3):206-221.

Hackam D. G., and D. A. Redelmeier. (2006). Translation of Research Evidence from Animals to Humans. JAMA 296: 1731-1732.

Knight A., Bailey J., Balcombe J. (2006) Animal carcinogenicity studies: 1. Poor human predictivity. Altern Lab Anim 34:19-27.

Knight, A. (2007). Systematic reviews of animal experiments demonstrate poor human clinical and toxicological utility. ATLA 35:641-659.

Knight, A. (2008). Systematic reviews of animal experiments demonstrate poor contributions toward human healthcare. Rev. Recent Clin. Trials 3:89-96.

Mestas, J and Hughes, CCW, (2004). Of mice and not men: differences between mouse and human immunology. The Journal of Immunology, 172: 5.

Perel P, Roberts I, Sena E, Wheble P, Briscoe C, Sandercock P, Macleod M, Mignini LE, Jayaram P & Khan KS (2007). Comparison of treatment effects between animal experiments and clinical trials: systematic review. British Medical Journal 334:197-203.

Pound P., Ebrahim S., Sandercock P., Bracken M.B., Roberts I. (2004). Where is the evidence that animal research benefits humans? British Medical Journal 328:514-517.

Pound, P. & Bracken, M. (2014). Is animal research sufficiently evidence based to be a cornerstone of biomedical research?  British Medical Journal 348:g3387

Seok, J Shaw Warren, H et al, (2013). Genomic responses in mouse models poorly mimic human inflammatory diseases. PNAS 110(9): 3507–3512.

Shanks, N. Greek, R. Greek, J. (2009) Review: Are animal models predictive for humans? Philosophy, Ethics, and Humanities in Medicine, 4(2).

Van der Worp, H.B., Howells, D.W., Sena, E.S., Porritt, M.J., Rewell, S. O’Collins, V. and Macleod, M.R. (2010) Can animal models of disease reliably inform human studies? PLoS Medicine 7(3), e1000245.

Wall, R.J. & Shani (2008) Are animal models as good as we think? Theriogenology 69:2-9.

Boeken

LaFollette H., Shanks N. (1996). Brute Science: Dilemmas of Animal Experimentation. London and New York: Routledge.

Greek R, Greek J. (2002). Specious Science. Why Experiments on Animals Harm Humans. New York: Continuum Int.

Knight, A. (2011). The Costs and Benefits of Animal Experi­ments. Basingstoke, UK: Palgrave Macmillan.

Maar wetenschappelijke systematische reviews zijn nog niet voldoende om een volledig geloofwaardig beeld te krijgen van de onvoorspelbaarheid van dierproeven. We hebben ook een goede verklaring nodig voor het hoge aantal vals positieve en vals negatieve tests. Die verklaring vinden we in de evolutietheorie en de complexiteitstheorie. Complexiteitstheorie zegt dat kleine verschillen op één niveau grote gevolgen kunnen hebben op een ander niveau.  Biologische wezens zijn erg complex, en relatief kleine verschillen in genen, fysiologie of metabolisme kunnen relatief grote verschillen opleveren qua effecten van medicijnen en giftige stoffen. Daarnaast zegt de evolutietheorie dat er niet zomaar kleine, maar zelfs wezenlijke verschillen zijn tussen diersoorten (en populaties, geslachten,…) op het niveau van genen, fysiologie en metabolisme. Een duidelijk voorbeeld zijn chimpansees, die ruwweg 98% van hun genen gemeenschappelijk hebben met mensen: chimpansees zijn niet vatbaar voor drie ernstige menselijke ziekten: HIV, hepatitis en malaria.

Bacteriën, virussen, medicijnen en toxische stoffen die momenteel onderzocht worden, werken in op erg specifieke niveaus. Het huidige toegepast medisch en toxicologisch onderzoek bestudeert invloeden die erg specifiek zijn per soort (en zelfs per geslacht, ondersoort, individu, leeftijd,…), waar kleine subtiele verschillen tussen soorten toch zeer relevant worden. Het onderzoek speelt zich niet meer af op de ‘ruwe’ niveaus waar dieren sterke overeenkomsten vertonen met mensen, zoals onderzoek naar de globale werking van spieren of de bloedcirculatie. Het huidige biomedische onderzoek richt zich meer en meer op invloeden op bv. specifieke genen of enzymen die een complexe interactie hebben met andere genen of enzymen, en op deze niveaus zijn de verschillen tussen soorten erg belangrijk. Verder zorgen verschillen in laboratoriumomstandigheden versus het dagelijks leven voor relevante verschillen in testresultaten. Zo is er de stress bij proefdieren, die de resultaten kan verstoren omdat stress een invloed kan hebben op de precieze werking van medicijnen en giftige stoffen.

Dierproeven kunnen wel verbeterd worden. Voornamelijk op het vlak van het selecteren van de meest geschikte diersoort om een menselijk effect te modelleren, is er enige vooruitgang mogelijk. Daarentegen leiden nieuwe technologische innovaties tot vaak snellere vooruitgang in de betrouwbaarheid van alternatieven voor dierproeven. De kans is groot dat deze betrouwbaarder zijn dan dierproeven, omdat deze alternatieven mensspecifiek zijn. Als alternatieven van dierproeven denken we aan een mix van epidemiologisch onderzoek (bv. ontdekking van longkanker bij rokers), klinische studies (zieke patiënten die vrijwillig medicijnen testen), microdosering (nieuwe methoden om potentieel risicovolle stoffen in kleine dosissen voorzichtig te testen bij menselijke vrijwilligers), menselijke (stam)cel- en weefselculturen, human-on-a-chip (menselijke weefsels aangebracht op chips) en genenchips (DNA-microarrays om de complexe interacties tussen menselijke genen te bestuderen), computersimulaties, wiskundige modellen, autopsies, MRI-scanners, nanotechnologie,…

Resultaten met deze alternatieven zijn veelbelovend. Het zou best kunnen dat deze alternatieven momenteel reeds minder vals positieve en vals negatieve testresultaten opleveren dan dierproeven, omdat ze gebruik maken van menselijke genen, cellen, weefsels, organen en lichamen. In dat geval zijn dierproeven schadelijk voor mensen, in de zin dat ze door hun extra vals positieve en vals negatieve testresultaten voor extra misleiding zorgen, en dat ze schaarse onderzoeksmiddelen en geld verspillen terwijl men efficiënter kan inzetten op de betrouwbaardere alternatieven.

Als dierproeven schadelijk zijn voor mensen (dus los van schade voor de proefdieren in termen van dierenleed), moeten we ook kunnen verklaren waarom er dan nog zoveel dierproeven plaatsvinden. We kunnen inderdaad deze verklaring geven: een combinatie van vier psychologische G’s.

-Gewoonte: net zoals vlees eten voor mensen een gewoonte is, ondanks de gezondheidsrisico’s, milieu-impact en schendingen van dierenrechten, zo vormen dierproeven een gewoonte bij biomedische onderzoekers. Gewoontes kennen een traag veranderingsproces.

-Groepsdruk: in bv. dierproefcommissies gaat men nogal vaak mee met de anderen die achter de dierproef staan. Het is psychologisch niet altijd evident om als biomedisch wetenschapper op te staan en in te gaan tegen de opinie van de meerderheid.

-Geloof: het is psychologisch niet evident om als biomedisch wetenschapper tot de vaststelling te komen dat de dierproeven waar men vroeger zo op vertrouwde, niet zo betrouwbaar blijken te zijn en dat het onderzoek dat men altijd heeft uitgevoerd voor onnodig leed en risico’s zorgde. Het geloof in dierproeven kan nog worden versterkt door de ‘publication bias’, waarbij positieve onderzoeksresultaten een systematisch hogere kans hebben om in vaktijdschriften gepubliceerd te worden.

-Geld: vaak zijn er bij dierproeven (voornamelijk in de farmaceutische industrie) financiële belangen en jobs gemoeid.

Dit zijn enkele verklaringen van het voortbestaan van dierproeven ondanks de vermoedelijke onwetenschappelijkheid ervan. We kunnen uit het wetenschappelijk onderzoek concluderen dat de kans reëel is dat dierproeven te onbetrouwbaar zijn voor toegepast medisch/toxicologisch onderzoek dat als doel heeft effecten bij mensen te voorspellen. Die onbetrouwbaarheid, in vergelijking met de alternatieven, is schadelijk voor mensen. Dierproeven zijn nog wel geschikt voor toegepaste diergeneeskunde (bv. om kanker bij muizen te behandelen) en misschien ook nog voor fundamenteel wetenschappelijk onderzoek (bv. om onderzoekshypothesen te formuleren). Het is niet mogelijk te achterhalen of een fundamenteel wetenschappelijk onderzoek zonder dierproeven sneller zou vooruitgaan dan een onderzoek met dierproeven. Dat fundamenteel onderzoek kan dan wel bij voorkeur plaatsvinden op planten en dieren die waarschijnlijk geen bewustzijn en gevoelens hebben, om zo dierenleed uit te sluiten.

Stap 2) Dierproeven zijn ethisch onverantwoord: te veel welzijnsverlies bij dieren

Laten we in deze twee stap het dierenwelzijn erbij betrekken. Zoals gezegd zijn de verschillen tussen mensen en dieren te groot geworden voor het toegepast biomedisch onderzoek naar menselijke ziektes. Maar dieren zijn wel gelijk aan mensen wat betreft globale functies zoals het hebben van spieren, ademhaling, of bloedcirculatie. Dat zijn niet de details die relevant zijn voor medisch/toxicologisch onderzoek en waarbij soorten sterk verschillend zijn. Een andere globale functie waar dieren sterke gelijkenis vertonen met mensen, is het hebben van een bewustzijn en gevoelens. En net deze functie is moreel gezien belangrijk. Helaas voor de dierproefnemer zijn mensen en dieren dus moreel gezien gelijk qua welzijnsbeleving, maar wetenschappelijk gezien te verschillend qua precieze biomedische werking. Dierproefnemers gaan ten onrechte uit van net het omgekeerde: ze denken dat dieren betrouwbare modellen zijn voor biomedisch onderzoek naar menselijke ziektes, maar dat ze op het vlak van gevoelens te verschillend zijn, zodat men het dierenleed niet zo sterk in rekening moet brengen.

In een welzijnsethiek moeten we ieders welzijn in gelijke mate in rekening brengen. De gebrekkige betrouwbaarheid van dierproeven zou wel eens het welzijn van mensen lager kunnen houden dan bij alternatief biomedisch onderzoek, en als we het dierenleed en de vroegtijdige sterfte van de proefdieren erbij tellen, is het allesbehalve evident dat dierproeven het totale welzijn (van alle voelende mensen en dieren samen) maximaliseren.

Een welzijnsethiek kan ook een zekere prioriteit geven aan het welzijn van de laagste posities, de ergste lijders. Kijken we naar het soms extreme leed dat dieren in experimenten ondergaan, dan is het nog minder evident dat dierproeven het welzijn van de ergste lijders bevorderen. Het verlies aan welzijn bij proefdieren is vaak erger dan het leed van zieke menselijke patiënten, omwille van het kweken, opsluiten, invasieve ingrijpen en vroegtijdig doden van de dieren. Het dierenleed bij experimenten is door dierenactivisten reeds sterk gedocumenteerd.

Een welzijnsethiek zegt dat dierproeven nog wel mogen, mits ze het welzijn van alle voelende wezens bevorderen. Als strategie dient men daarom de 3 V’s te respecteren:

-verminderen van het aantal dieren bij een experiment,

-verfijnen van het experiment zodat het minder welzijnsverlies veroorzaakt bij de dieren, en

-vervangen van dierproeven door alternatieven waar mogelijk.

Zowat alle dierproefnemers beweren deze drie V’s te respecteren in hun onderzoek. Gezien de wetenschappelijke onbetrouwbaarheid van stap 1 hierboven, is dat erg betwijfelbaar. Gezien het feit dat dierproefnemers in het verleden vaak gelogen hebben over het dierenleed dat gedocumenteerd werd door dierenactivisten die in labo’s infiltreerden en inbraken, hebben dierproefnemers in het verleden hun geloofwaardigheid verloren. Gezien te weinig dierproefnemers momenteel die acties van dierenactivisten steunen, verliezen huidige dierproefnemers ook hun geloofwaardigheid: als dierproefnemers beweren dat die vroegere gruwelijke experimenten ‘rotte appels’ waren, zouden ze de acties van dierenactivisten net moeten toejuichen in plaats van veroordelen, en zouden ze niet hun onderzoek mogen afschermen van pottenkijkers.

Maar dierproefnemers verliezen al zeker hun geloofwaardigheid door het feit dat ze meerdere keren per dag de drie V’s schenden: zowat alle dierproefnemers eten dagelijks nog dierlijke producten van de intensieve veeteelt en visserij. Als biomedische wetenschappers zouden ze op de hoogte moeten zijn van de voedingswetenschap die zegt dat een veganistisch voedingspatroon geschikt is voor alle mensen (zie de positie van de Academy of Nutrition and Dietetics). Dierlijke producten zoals koemelk zijn vervangbaar (bv. door soja-, haver-, rijst-, amandel-, hazelnoot- of kokosmelk), en koeien in de zuivelindustrie kennen een ernstig verlies aan welzijn. Slechts een beperkt aantal dierproefnemers vermindert de eigen consumptie van dierlijke producten. En geen enkele dierproefnemer kiest consequent voor dierlijke producten die op veel diervriendelijkere manier worden geproduceerd. Men kan veeteelt wel “verfijnen” zodat er minder dierenleed plaatsvindt, maar zelfs biologische veeteelt scoort nog slecht op het vlak van dierenwelzijn. Het is eenvoudiger om consequent veganistisch te eten dan om consequent te kiezen voor dierlijke producten die voldoende diervriendelijk geproduceerd werden.

Op het vlak van voeding kiezen alle dierproefnemers er dus voor om meerdere keren per dag de drie V’s te schenden. Dit argument heeft niet de bedoeling om op de man te spelen en dierproefnemers te beschuldigen van inconsistentie. Maar het laat wel zien dat die wetenschappers bijzonder veel geloofwaardigheid verliezen als ze beweren de drie V’s te respecteren in hun onderzoek. De vervangbaarheid van dierlijke producten door plantaardige alternatieven in voeding is immers wetenschappelijk gezien veel duidelijker dan de vervangbaarheid van dierproeven door alternatieven. Als onderzoekers een dergelijke grote morele blinde vlek hebben bij hun dagelijkse voedingskeuzes, kunnen wij (en de dierproefnemers zelf) er dan wel op vertrouwen dat ze geen morele blinde vlek hebben in hun professioneel werk met dierproeven? Dit is een ernstige geloofwaardigheidskwestie. Deze morele blinde vlek van dierproefnemers op het vlak van voeding is consistent met het vermoeden dat dierproeven het welzijnsprincipe schenden en onnodig leed veroorzaken, ondanks de ontkennende beweringen van diezelfde dierproefnemers. Het feit dat dierproefnemers zelfs niet willen erkennen dat ze dagelijks de drie V’s schenden, toont aan dat ze vatbaar zijn voor verwrongen oordelen en inschattingen (“cognitieve bias” in de psychologie). Dergelijke psychologie achter hun vleesconsumptie helpt dan ook verklaren waarom ze blijven vasthouden aan dierproeven.

Stap 3) Dierproeven zijn ethisch onverantwoord: te veel rechtenschendingen bij dieren

Het welzijnsprincipe van stap 2 gaat niet ver genoeg. Gedwongen mensproeven zijn verboden, zelfs al zou blijken dat dergelijke mensproeven zeer effectief en betrouwbaar zijn (dat ze het globale welzijn van andere mensen sterk zouden bevorderen), zelfs al zou men de drie V’s toepassen, en zelfs al zou men enkel ongeneesbaar diep mentaal gehandicapte weeskinderen gebruiken. Dergelijke gehandicapte mensen zijn de kwetsbaarste van de kwetsbaarste mensen. Deze mensen hebben geen ouders of naaste familie die kunnen opkomen voor hun rechten, ze hebben zelf geen mentale vermogens om te kunnen opkomen voor hun rechten of om een vrijwillige geïnformeerde toestemming te geven, en ze zullen ook nooit dergelijke mentale vermogens ontwikkelen. Met andere woorden: ze zijn even kwetsbaar en hebben geen hogere mentale vermogens dan proefdieren.

De strategie van de drie V’s is dus ethisch gezien nog niet voldoende. Die mentaal gehandicapten hebben naast het recht op welzijn nog een ander fundamenteel recht: het basisrecht om niet gebruikt te worden als louter middel voor iemand anders zijn doelen. Iemand behandelen als louter bezit of gebruiksvoorwerp, zoals bij slavernij, is niet respectvol. Dit basisrecht weegt zwaarder door dan het recht op leven en welzijn van andere mensen: zelfs al zou slavernij (en gedwongen mensproeven) het globale welzijn ten goede komen, dan nog mogen we niet iemand gebruiken als louter middel.

Het hebben van een bewustzijn (met bijhorende gevoelens en welzijn) is het moreel relevante criterium dat die mentaal gehandicapte weeskinderen hebben. Maar ook niet-menselijke voelende dieren hebben deze eigenschap. Het antidiscriminatieprincipe zegt daarom dat alle voelende dieren met dezelfde moreel relevante eigenschappen (dezelfde belangrijke mentale vermogens) als mentaal gehandicapte weeskinderen ook dezelfde claim op het basisrecht moeten krijgen. Als we geen gedwongen mensproeven mogen doen, dan mogen dierproeven ook niet. Een onderscheid maken tussen mensen en niet-mensen, en daarmee het gebruik van niet-mensen in experimenten proberen te rechtvaardigen, is een vorm van immorele discriminatie. Want het behoren tot de mensensoort is niet moreel relevant: het soortcriterium is te arbitrair, vergezocht en vaag, het is niet gekoppeld aan het hebben van belangen en welzijn, en niemand heeft ervoor gekozen om geboren te worden als mens.

Dat dierproeven betrouwbaar en voorspelbaar zijn voor mensen, is niet zo waarschijnlijk, maar nog wat onzeker (stap 1). Dat dierproeven het totale welzijn van alle voelende wezens verhogen, is al wat onwaarschijnlijker (stap 2). Dat dierproeven het welzijn van de ergste lijders bevorderen, is nog minder waarschijnlijk (stap 2). Maar dat dierproeven het basisrecht van voelende wezens respecteren, is duidelijk niet het geval. Na stap 1 zouden vele dierproeven waarschijnlijk moeten stoppen. Na stap 2 zouden er nog meer moeten verboden worden. Na stap 3 zouden ongeveer alle dierproeven moeten verboden worden: enkel dierproeven die we ook bereid zijn te doen bij mentaal gehandicapte weeskinderen, zouden dan nog toegelaten zijn (bv. experimenten die naar alle waarschijnlijkheid het welzijn van de dieren zelf bevorderen).

Dierproefnemers kunnen enkel dierproeven rechtvaardigen vanuit een discriminerende ideologie: speciesisme, een discriminatie op basis van soort. De ethische inconsistentie van dierproefnemers ligt in hun morele afkeur van elke vorm van discriminatie (racisme, seksisme,…) zonder dat ze een rechtvaardiging kunnen geven om een uitzondering te maken voor speciesisme.

Dit bericht werd geplaatst in Blog en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s