Het antiwillekeurprincipe

Stel dat we ons consistent zouden vasthouden aan één regel: vermijd willekeur. Waar zouden we dan belanden?

Willekeur is moeilijk te definiëren. Het heeft te maken met de afwezigheid van een goede regel die betrekking heeft op alle elementen van een verzameling. Synoniemen van willekeur zijn “grilligheid” en “arbitrair”, en het tegendeel is zoiets als “uniformiteit”, “regelmaat” of “regelgebondenheid”. Er is willekeur wanneer men zonder regel uit een verzameling een element of deelverzameling trekt. Onderstaande voorbeelden geven wel een goed zicht op wat willekeur is. Het antiwillekeurprincipe stelt dat als iets geldt voor één X, dan moet het ook gelden voor alle Y en Z die volgens de regel gelijk zijn aan X (tot dezelfde verzameling behoren als X).

Er is willekeur als we een zinvolle en niet-triviale vraag kunnen stellen: “Waarom X en niet bijvoorbeeld Y of Z?” en als deze vraag niet kan beantwoord worden door een regel die niet expliciet verwijst naar X (of als er geen reden is waarom X zo bijzonder zou zijn). De vraag is zinvol indien Y en Z tot dezelfde verzameling of categorie behoren als X (en dus niet iets totaal anders zijn) en de vraag is niet-triviaal indien Y en Z niet zomaar “niet-X” zijn.

Een voorbeeld: stel dat iemand beweert dat enkel blanke mannen rechten hebben. De categorie in dit voorbeeld is de verzameling van bevolkingsgroepen. Niet alleen blanke mannen vormen een bevolkingsgroep, maar ook bijvoorbeeld Aziatische vrouwen.  We kunnen dan de niet-triviale vraag stellen: waarom blanke mannen en niet bijvoorbeeld Aziatische vrouwen of zwarte mannen? Is er een reden waarom blanke mannen zo speciaal zouden zijn dat enkel zij rechten hebben? Een reden zoals “omdat blanke mannen nu eenmaal blanke mannen zijn” is circulair en dus geen goede reden. Een regel zoals “blanke mannen zijn superieur en krijgen daarom rechten” verwijst expliciet naar de bevolkingsgroep van blanke mannen, en dat mag niet.

Sommige vormen van willekeur zijn onvermijdelijk in de zin dat het logisch onmogelijk is om ze te vermijden. Een ethisch systeem kan bijvoorbeeld niet tegelijk alle denkbare regels omvatten, want dat gaat contradicties opleveren. Andere vormen van willekeur zijn onschuldig in de zin dat iedereen die willekeur kan willen en niemand er bezwaar tegen kan hebben. Dat we rechts moeten rijden op de weg, is willekeur (waarom mogen we niet links rijden maar wel rechts?), maar deze willekeur is onschuldig want het is ons om het even dat iedereen rechts dan wel links rijdt (in sommige landen rijdt iedereen links en daar heeft niemand een probleem mee). De enige mogelijkheden om deze willekeur te vermijden, zijn: zeggen dat men nergens (noch links, noch rechts) mag rijden, of zeggen dat men overal (zowel links als rechts) mag rijden. En dat zijn dingen die we niet willen, want ze leiden ofwel tot een totaalverbod op het gebruik van voertuigen, ofwel tot chaos en verkeersslachtoffers op de weg.

De onvermijdelijke en onschuldige vormen van willekeur zijn vormen die iedereen consistent kan willen. Je kunt iets consistent willen als datgene wat je wil verenigbaar is met een consistente verzameling van de belangrijkste dingen die je wilt (bijvoorbeeld je sterkste morele waarden en voorkeuren). Als datgene wat je wil niet verenigbaar is met die belangrijkste dingen, dan kun je dat ene wat je wil niet op een consistente manier willen. Je kunt niet tegelijk alles willen, want sommige dingen die je wil zijn onverenigbaar met elkaar. Dus als je een aantal morele waarden of voorkeuren hebt die onderling consistent zijn en die je het allerbelangrijkste vindt, en daarnaast wil je nog iets dat botst met die belangrijkste waarden en voorkeuren, dan kun je dat laatste niet op een consistente manier willen.

De boosdoener in de ethiek is de ongewilde willekeur: de willekeur die niet iedereen consistent kan willen. Het antiwillekeurprincipe stelt dat we alle vormen van ongewilde willekeur moeten vermijden. Als iets geldt voor één X, dan moet het ook gelden voor alle Y en Z die volgens de regel gelijk zijn aan X (dus voor alle Y en Z die tot dezelfde verzameling behoren als X), tenzij iedereen consistent kan willen dat het enkel voor X geldt. Willekeur mag enkel als het niet tegen iemands wil in is.

Symmetrie

Antiwillekeur is nauw verwant met symmetrie. Een voorwerp is symmetrisch of gelijkvormig als het dezelfde vorm behoudt onder een transformatie. Neem een rond glas. Dit glas heeft een rotatiesymmetrie, in de zin dat als je het roteert (rond de verticale as), je geen verschil ziet: de begin- en eindtoestanden zien er hetzelfde uit. Neem daarentegen een koffiekopje. Als je dat kopje roteert, zie je dat de positie van het oor verschuift. Dat oor aan het kopje verbreekt de rotatiesymmetrie, want aan de hand van de positie van het oor weet je of het kopje al dan niet geroteerd werd. De relatie tussen symmetriebreking en willekeur is dat het willekeurig is dat het oor op deze plaats aan het kopje is gehecht in plaats van op een andere plaats. We kunnen de vraag stellen: waarom is het oor hier en niet daar? Een symmetrisch of gelijkvormig voorwerp heeft meer regelmaat (minder willekeur) dan een asymmetrisch voorwerp.

Natuurkundige wetten zijn uniform in de zin dat de wetten op dezelfde manier overal en altijd geldig zijn in het heelal. Die uniformiteit is een vorm van symmetrie: verplaats je naar een andere plek in het heelal, en je zult zien dat Einsteins relativiteitstheorie ook daar geldig is. De zwaartekracht werkt op dezelfde wijze in op alles wat massa heeft, de elektromagnetische kracht werkt uniform in op alles wat lading heeft. En de natuurkundewetten beschrijven de werking van krachten die gebaseerd zijn op symmetrieprincipes (zo is de elektromagnetische kracht het gevolg van een zogenaamde U(1)-ijksymmetrie en de zwaartekracht het gevolg van een lokale Poincarésymmetrie).

Ook in wiskundige systemen zien we uniformiteit en symmetrie. Wiskundige systemen bestaan uit axioma’s of basisprincipes die een uniform karakter hebben, zoals “alle rechte hoeken zijn congruent” in het systeem van de Euclidische meetkunde, en “alle getallen hebben een opvolger” in het systeem van de natuurlijke getallen. In het systeem van de natuurlijke getallen zien we dat het getal 6 de eigenschap heeft dat het een unieke opvolger heeft (namelijk het getal 7). Nu kunnen we ons in dat getalsysteem verplaatsen van het getal 6 naar bv. het getal 31, en we zien dan dat ook dat getal 31 dezelfde eigenschap heeft: het heeft een unieke opvolger (namelijk het getal 32).

Ethische systemen zouden net zoals wiskundige systemen en natuurkundige theorieën uniform moeten zijn in de zin dat de ethische basisprincipes een uniforme of universele geldigheid moeten hebben.

Laten we in wat volgt eerst enkele metafysische voorbeelden van antiwillekeur bekijken: over het bestaan van goden, universa en psyches. Daarna komen enkele ethische voorbeelden aan bod.

Metafysisch voorbeeld 1: atheïsme

Als eerste voorbeeld van het antiwillekeurprincipe kunnen we kijken naar godsdiensten. Elke gelovige is eigenlijk een inconsistente atheïst. Zo gelooft een christen niet in Tohr, Osiris, Krishna, Iluvatar en de vele andere mogelijke godheden. Het bewijs voor het bestaan van God is even groot als het bewijs voor het bestaan van die andere mogelijke godheden, dus is het willekeurig om wel in die ene God, maar niet in al dia andere te geloven. Zeg je dat god X bestaat, dan zou je ook moeten zeggen dat goden Y en Z bestaan, aangezien al die goden gelijk zijn volgens de regel dat we naar het beschikbare bewijs moeten kijken. Maar zeggen dat alle goden bestaan, daar is niemand toe bereid, dus dan is de enige andere optie zeggen dat geen enkele van die mogelijke godheden bestaan. Atheïsme volgt dus uit het antiwillekeurprincipe.

Een christen is dus voor 99,999% atheïst en pikt er naar willekeur zijn ene god uit. Alle argumenten die de christen oppert tegen atheïsme, kunnen meteen tegen hem gebruikt worden door erop te wijzen dat die christen zelf atheïst is tegenover al die andere mogelijke goden.

Hetzelfde geldt voor de betrouwbaarheid van een heilig boek. Zeggen dat de Torah het juiste heilige boek is, is arbitrair, want de andere mogelijke heilige boeken, zoals de Bhagavat Gita, zijn even (weinig) betrouwbaar. Dus ofwel zegt men dat al die heilige boeken correct zijn, wat onhoudbaar is, ofwel verwerpt men al die heilige boeken als bron van kennis. Boeken die gebaseerd zijn op wetenschappelijk onderzoek hoeft men niet te verwerpen, want die verschillen van die heilige boeken in termen van empirisch bewijs en logica.

Metafysisch voorbeeld 2: vele werelden en multiversa

Kwantummechanische experimenten worden gekenmerkt door willekeur of toeval. Tijdens een experiment wordt één component van de kwantummechanische golffunctie geselecteerd, en die selectie is willekeurig. De vele-wereldeninterpretatie van de kwantummechanica zegt dat de volledige golffunctie bestaat, dat alle componenten van de golffunctie van het heelal bestaan, en dat elke component voor waarnemers zoals wij overeenkomt met een parallelle wereld. Hoewel er volgens deze hypothese gigantisch veel parallelle werelden zouden bestaan, is de theorie toch zuiniger dan de hypothese dat er slechts één wereld bestaat waarbij naar willekeur een component van de golffunctie geselecteerd wordt. De vele-wereldenhypothese gaat namelijk uit van het bestaan van één golffunctie in zijn geheel en heeft geen behoefte aan een selectieregel.

Ons heelal wordt ook gekenmerkt door een specifieke begintoestand (randvoorwaarde), specifieke wetten (vergelijkingen) die de evolutie beschrijven, en specifieke parameters in die vergelijkingen. Het aantal ruimte- en tijdsdimensies, de sterkte van de zwaartekracht ten opzichte van de elektromagnetische kracht, de massa van het proton ten opzichte van het elektron, zijn allemaal parameters die een willekeurige waarde lijken te hebben. Waarom drie en niet vijf ruimtedimensies?

De wiskundige multiversumhypothese (geopperd door o.a. Max Tegmark) geeft hier een eenvoudig antwoord op: ons heelal is een consistente wiskundige structuur, en als deze willekeurige structuur bestaat, dan bestaan ze allemaal (tenzij er aanwijzingen zijn dat ons heelal – de wiskundige structuur waar wij in zitten – in zekere zin bijzonder of uniek zou zijn). Dus alle consistente wiskundige structuren bestaan. (Een wiskundige structuur – bv. de structuur van de natuurlijke getallen – bestaat uit een verzameling van elementen, het domein, en een verzameling van functies of relaties gedefinieerd op dat domein). Alle mogelijke universa bestaan, met alle mogelijke randvoorwaarden, wetten en parameters. Het is dan niet zo toevallig of bijzonder dat wij leven in het heelal dat ons leven mogelijk maakt.

Ook deze multiversumhypothese is in zekere zin veel zuiniger dan de hypothese dat enkel ons heelal, enkel deze willekeurige wiskundige structuur met zijn specifieke randvoorwaarden, wetten en parameters, bestaat. Vergelijk het met de informatie-inhoud van een willekeurig natuurlijk getal versus de informatie-inhoud van het systeem van de natuurlijke getallen in zijn geheel. Wat is voor jou het gemakkelijkste te onthouden: het getal “35629867896”, of “Alle natuurlijke getallen”? Alle natuurlijke getallen zijn te construeren met twee zeer eenvoudige regels: elk getal heeft een unieke opvolger die ook een getal is, en elk getal (behalve 0) is de opvolger van slechts één getal. Dus vertrek van het getal 0, neem daarvan de opvolger en herhaal deze opvolgerfunctie, en zo rollen alle natuurlijke getallen eruit. Het getal 35629867896 construeren is daarentegen veel moeilijker.

We kunnen elke wiskundige structuur op een systematische manier een uniek getal geven, net zoals men de huizen in een straat op een systematische manier een adres kan geven. De structuur die ons heelal beschrijft, zou dan bv. het getal 35629867896 als adres kunnen hebben. De vraag waarom enkel ons heelal bestaat, is dan hetzelfde als de vraag waarom enkel dat ene getal bestaat. Dat lijkt willekeurig, want wat is er zo bijzonder aan 35629867896? Waarom niet 7854? Het is veel zuiniger en veel minder willekeurig te zeggen dat alle getallen bestaan en niet enkel dat ene, magische getal. Hetzelfde voor het bestaan van alle consistente wiskundige structuren, alle consistente universa, en alle gebouwde huizen. Een Theorie van Alles die zegt “alle wiskundige structuren bestaan”, is eigenlijk veel zuiniger dan een Theorie van Alles die een opsomming geeft van de randvoorwaarden, wetten en parameters van ons heelal. Als ons heelal bestaat, dan bestaat elk heelal dat in gelijke mate aan dezelfde regel voldoet, en de regel is dat het een consistente wiskundige structuur moet zijn.

In deze zin passen de vele-wereldenhypothese van de kwantummechaica en de wiskundige multiversumhypothese veel beter bij het zuinigheidsprincipe (Ockhams scheermes dat alle onnodige ingewikkeldheden en willekeurigheden wegscheert), dan de alternatieve hypothesen die te sterk afhangen van willekeur.

Metafysisch voorbeeld 3: het bestaan van andere psyches

We stellen vast dat er andere wezens zijn die erg vergelijkbaar gedrag en anatomie hebben als ons: gelijkaardige reacties, hersenprocessen,… Het zou dan ook toevallig zijn dat enkel wij een bewustzijn hebben. Het antiwillekeurprincipe zegt dus dat andere wezens ook net zoals wij een psyche hebben indien die wezens gelijkaardige relevante kenmerken hebben als wij.

Metafysisch voorbeeld 4: inductie

Bij een inductieve redenering leidt men een algemene regel af aan de hand van een beperkt aantal specifieke waarnemingen. Deze redenering is gangbaar in de empirische wetenschap en is de tegenpool van een deductieve redenering die gangbaar is in de logica en de wiskunde, waarbij men een individueel geval afleidt uit een algemene regel.

Een voorbeeld van een inductieve redenering is: de zon kwam op vanochtend, gisteren, eergisteren,… dus de zon komt elke ochtend op. Het probleem van inductie is dat de redenering geen logische redenering is. Men kan nooit zeker weten (met een zelfde zekerheid als een logische of wiskundige zekerheid) dat de zon morgenochtend wel zal opkomen.

Maar stel nu dat de zon morgen niet zou opkomen. Dan kunnen we ons de niet-triviale vraag stellen: waarom komt de zon morgenochtend niet op en gebeurt dat niet op een andere dag, zoals vanochtend of gisteren? Wat is er zo speciaal aan morgenochtend dat morgenochtend de zon niet opkomt en alle andere dagen tot nu toe wel? Misschien is het niet plaatsvinden van een zonsopgang morgenochtend gewoon pure willekeur. Maar bij het formuleren van fundamentele natuurwetten hebben we een afkeer van willekeur: we verkiezen wetten zonder willekeurige uitzonderingen. Misschien heeft het universum op het niveau van fundamentele wetten ook wel een afkeer voor willekeur. Het universum lijkt wel vol regelmaat te zitten.

Ethisch voorbeeld 1: antidiscriminatie

Het antiwillekeurprincipe is cruciaal in de ethiek. Als eerste voorbeeld is er het antidiscriminatieprincipe: we mogen niet naar willekeur een morele gemeenschap afbakenen van wezens die rechten krijgen.

Er is al zeker sprake van morele discriminatie tussen twee partijen A  en B (bv. man en vrouw, blanke en zwarte) indien:

1)    A en B verschillend moreel gewaardeerd worden (bv. zeggen dat A meer intrinsieke waarde of een hogere morele status heeft dan B), én

2)    A en B systematisch verschillend behandeld worden (bv. het ontzeggen van rechten van B ten opzichte van A) , én

3)    er geen rechtvaardiging is of de rechtvaardiging van bovenstaande twee punten gebeurt op grond van moreel irrelevante criteria (kenmerken die geen aanvaardbaar motief vormen om A en B in die situatie verschillend te behandelen), wanneer A en B beiden voldoen aan dezelfde moreel relevante criteria (identificeerbare of meetbare eigenschappen) om ze meer gelijk te waarderen en te behandelen.

Een criterium is al zeker moreel irrelevant, als het een eigenschap is waar een individu niet aan kan doen of niet voor gekozen heeft (waar het individu dus niet verantwoordelijk voor kan zijn), en als het een arbitraire (willekeurige) en vergezochte eigenschap is (die dus het gevaar inhoudt voor opportunisme). Voorbeelden zijn: uiterlijke kenmerken (huidskleur, geslacht, gedrag,…), genetische eigenschappen (ras, etniciteit, genetische verwantschap…), het behoren tot een willekeurige groep (uit een reeks van groepen), en afstamming zijn van bepaalde geprivilegieerde (voor)ouders.

We moeten consistent tegen elke vorm van discriminatie zijn. Dus we mogen niet naar willekeur sommige vormen van discriminatie tolereren en andere niet. Niet enkel racisme en seksisme zijn voorbeelden van discriminatie. Ook speciesisme (discriminatie op basis van soort) is een vorm van immorele discriminatie. Immers: men heeft er niet voor gekozen om al dan niet als mens geboren te worden of om al dan niet een (voor)ouder te hebben met bepaalde geprivilegieerde eigenschappen die men typisch menselijk acht (bv. een diep mentaal gehandicapte die ouders met een rationeel denkvermogen heeft). En naast de groep van mensen als biologische soort zijn er nog veel andere groepen denkbaar, zowel op basis van biologische eigenschappen of op andere gronden. Er is bijvoorbeeld een hele reeks van biologische rangorden: populatie  (blanken), ondersoort (Homo sapiens sapiens), soort (Homo sapiens), genus (Homo), familie (mensapen), infraorde (smalneusapen), orde (primaten), infraklasse (placentadieren), klasse (zoogdieren), onderstam (gewervelden), stam (chordadieren), rijk (dieren). De soort Homo sapiens hieruit pikken, is arbitrair. Wij zijn net zo goed smalneusaap als dat we mens zijn. Wij zijn net zo goed primaat als dat we mens zijn.

Verder is er nog het probleem dat het mogelijke bestaan van mens-dier hybriden, chimeras of genetisch gemodificeerde mensen, en het ooit bestaan hebben van gemeenschappelijke voorouders van mensen en niet-menselijke dieren, op het biologische feit wijst dat de groep van mensen inherent nooit duidelijk af te bakenen is. Iemands morele status mag niet afhangen van het niet-bestaan van dergelijke vage randgevallen.

Het antiwillekeurprincipe in de ethiek leidt niet enkel tot antiracisme en antiseksisme, maar ook tot antispeciesisme. Alle ethische standpunten moeten dus overeenstemmen met het antispeciesisme. Neem bv. het standpunt dat abortus niet mag, omdat een pasbevrucht embryo een levend menselijk wezen is dat het recht op leven (preciezer: het recht om niet intentioneel gedood te worden) krijgt. Antispeciesisme zegt dan dat we het woordje “menselijk” moeten schrappen. Maar dan zou ofwel elk levend wezen een gelijk recht op leven moeten krijgen, ofwel zou men een niet-willekeurig principe moeten vinden waaruit volgt dat sommige wezens wel en andere niet een recht op leven krijgen, ofwel moeten we het recht op leven laten vallen en andere rechten hanteren (zoals bv. het recht op levenswelzijn, zie onder). Gezien tegenstanders van abortus nog wel levende wezens intentioneel doden om op te eten, is de eerste optie niet gewenst. De tweede optie is moeilijk, en de derde optie impliceert dat sommige vormen van abortus wel zouden mogen.

Ethisch voorbeeld 2: veganisme

Ook in onze voedselkeuze speelt het antiwillekeurprincipe een rol. Het eten van mensenvlees (bv. het kweken en slachten van mentaal gehandicapte mensen) is immoreel, en in zowat elke cultuur is er een moreel taboe over het eten van vlees: in de VS eet men geen paarden, wij eten geen honden en katten, moslims en joden eten geen varkens, Indiërs eten geen koeien,… Opnieuw is het willekeurig te zeggen dat sommige dieren wel en andere dieren niet mogen opgegeten worden wanneer al die dieren gelijk zijn in de zin dat er geen moreel relevant verschil is tussen die dieren. Zo is een varken minstens even zachtaardig en intelligent als een hond, dus waarom wel een varken en geen hond eten? Net zoals een christen een inconsistente atheïst is omdat hij niet gelooft in Osiris, zo ook is een vleeseter een inconsistente veganist omdat hij reeds een moreel taboe heeft bij het eten van sommige wezens (bv. een verbod op het eten van mensen en honden). Elk argument dat een vleeseter oppert tegen veganisme kan weerkaatst worden door te zeggen dat datzelfde argument bij de vleeseter reeds niet werkt als het gaat om bv. het eten van honden.

Geen Indiër roept dat het niet eten van koeien leidt tot massale werkloosheid in de landbouw. Geen Israëliër roept dat niemand hem iets te zeggen heeft over het niet mogen eten van varkens. Geen Europeaan roept dat het verbieden van kattenvlees ervoor zorgt dat kattenvlees in de illegaliteit terecht komt, wat het aanlokkelijker maakt en wat de uitbuiting van katten zou doen toenemen door het gebrek aan controle op de naleving van kattenwelzijnswetten. Geen Belg roept dat honden zodanig gedomesticeerd zijn dat als we geen honden zouden eten de honden als soort zouden uitsterven. Geen Brit roept dat door het verbieden van paardenvlees we afstevenen op een dictatuur. Geen Amerikaan roept dat door het niet eten van paardenvlees de paarden niet eens geboren worden en dus helemaal geen leven hebben. Geen Fransman roept dat het verbieden van walvissenvlees leidt tot meer dierenleed doordat men dan meer, kleinere dieren gaat opeten. Geen Zuid-Afrikaan roept dat als men geen olifant mag eten men dan helemaal niets meer mag eten. Geen Duitser zegt dat men wel honden mag eten omdat de hond als vlees in de winkel dan toch al dood is. Geen Nederlander zegt dat we nog honden mogen eten omdat we toch niet de Chinezen kunnen overtuigen om geen hondenvlees meer te eten. Geen moslim zegt dat we ons niet moeten bezig houden met een verbod op varkensvlees omdat oorlog en armoede in de wereld toch veel ergere problemen zijn dan het eten van varkensvlees. Geen Italiaan zegt dat we dolfijnen mogen eten omdat dolfijnen toch doodgaan en dat wilde dolfijnen toch een vrij leven hebben gehad. Geen Spanjaard zegt dat we honden mogen eten omdat straathonden en wilde honden in de natuur er toch veel erger aan toe zijn dan de honden in hondenkweekbedrijven. Geen Portugees zegt dat we katten mogen eten omdat de katten de wereld zouden gaan overbevolken als we ze niet eten. En niemand in al die culturen klaagt dat het niet mogen eten van die taboedieren een beperking is van de keuzevrijheid. Zowat elk argument dat men vleeseters hoort zeggen om hun vleesconsumptie te rechtvaardigen, kan eenvoudig weerlegd worden door erop te wezen dat in de meeste culturen dat argument al niet meer van toepassing is. Het is te vergelijken met de argumenten die een godsdienstig gelovige oppert tegen atheïsme: die kunnen ook meteen weerkaatst worden door te wijzen op de eigen inconsistentie. Een Christen gelooft niet in Wodan (en is dus zelf al behoorlijk atheïst) net zoals een vleeseter geen honden eet (en dus zelf al behoorlijk vegetariër is).

Ethisch voorbeeld 3: regel universalisme

Het principe van regel universalisme zegt dat men de regels moet volgen die iedereen (die ertoe in staat is) in alle gelijkaardige situaties moet volgen, en dat men enkel de regels mag volgen die iedereen (die ertoe in staat is) in alle gelijkaardige situaties mag volgen.

Hier speelt het antiwilllekeurprincipe een duidelijke rol. Als je iets wil doen, dan moet je een rechtvaardigingsregel kunnen geven die universaliseerbaar is, in de zin dat iedereen die regel mag volgen. Kun je zo’n regel niet geven, dan mag je dat gedrag niet doen. Natuurlijk mag zo’n regel niet verwijzen naar een individu of een specifieke beschrijving. Stel dat ik tegen iemand wil liegen. Ik zou dan als rechtvaardigingsregel kunnen hanteren: iedereen die Stijn Bruers heet en geboren is op 1 februari 1981, mag in deze situatie liegen. Maar als ik zo’n regel mag gebruiken ter rechtvaardiging om te liegen, dan mag iedereen een gelijkaardige regel gebruiken. Als ik in mijn regel een willekeurige eigennaam (bv. Stijn Bruers) mag gebruiken, dan mag iedereen regels opstellen met willekeurige eigennamen, en dat kunnen we niet willen. Dus die rechtvaardigingsregel mag niet expliciet verwijzen naar bv. een eigennaam.

Ook mogen we volgens het regel universalisme niet naar willekeur onze slachtoffers kiezen, want als jij naar willekeur jouw slachtoffers mag kiezen, dan mag ik dat ook, en dan mag iedereen dat. En dat gaan we niet willen.

Ethisch voorbeeld 4: de gulden regel

De gulden regel zegt dat men anderen moet behandelen zoals men zelf behandeld wil worden, en dat men anderen niet mag behandelen zoals men zelf niet behandeld wil worden.

Die gulden regel moeten we consistent toepassen. Stel nu dat ik er geen probleem mee zou hebben als jij mij op een bepaalde manier behandelt. Mag ik dan jou op dezelfde manier behandelen? Niet noodzakelijk: als jij niet zo behandeld wil worden, mag ik jou zo niet behandelen. Als ik je wel zo zou behandelen zoals ik behandeld wil worden maar jij niet, dan wordt de gulden regel toch wel geschonden. Ik heb namelijk bepaalde behoeften, wensen en voorkeuren. Maar jij hebt misschien wel andere behoeften en voorkeuren. Wat ik zou verdragen is niet noodzakelijk wat jij zou verdragen. Uit de gulden regel volgt dat ik niet jou mag behandelen op een manier die ik wel en jij niet zou verdragen, want ik wil niet dat jij mij behandelt op een manier die jij wel en ik niet zou verdragen. Ik mag jou niet iets aandoen wat overeenstemt met mijn maar niet met jouw behoeften, want jij mag mij niet iets aandoen wat overeenstemt met jouw maar niet met mijn behoeften. In deze zin leidt het consistent toepassen van de gulden regel vanzelf tot de platinaregel: behandel anderen zoals ze willen dat je hen behandelt.

Uit de gulden regel volgt een principe van autonomie, dat men zelf mag bepalen hoe men behandeld wordt. Deze autonomie verwerpt bepaalde vormen van paternalisme. Bij onverantwoord paternalisme gaat men de eigen behoeften projecteren op de ander, en dat mag niet, want het schendt de gulden regel. Sommige vormen van paternalisme kunnen we verantwoord zijn, zelfs al wil de ander niet zo behandeld worden. Een kind tegen diens wil in naar school sturen is wel verantwoord, omdat we moeten rekening houden met wat het kind zou willen als het goed geïnformeerd was. Als het kind een goed besef zou hebben van haar toekomst als ze nu niet naar school gaat, zou ze er waarschijnlijk wel voor kiezen om nu naar school te gaan.

De gulden regel moeten we ook zonder willekeur toepassen. Dus de anderen op wie de gulden regel van toepassing is, zijn werkelijk alle anderen: alles en iedereen. Ook een bloemkool. Mag ik nog een bloemkool eten als ik zelf niet wil opgegeten worden? Ja, want het gaat niet zozeer over het opgegeten worden, maar over het opgegeten worden op een manier dat men niet wil. Welnu, een bloemkool heeft geen wil. Een bloemkool heeft niet het mentale vermogen om een behandeling (zoals gedood en opgegeten worden) erg te vinden. Als je een bloemkool opeet, wordt die bloemkool niet opgegeten op een manier dat die bloemkool niet wil. Voor een voelend wezen, dat wel een wil heeft, is het natuurlijk wat anders. Vissen en veedieren worden niet graag behandeld zoals in de visserij en de veeteelt. Daarom dat de gulden regel richting veganisme wijst.

Ethisch voorbeeld 5: onpartijdigheid en welzijn

Het onpartijdigheidsprincipe is een gevolg van het antiwillekeurprincipe. Als jouw belangen en behoeften belangrijk zijn, dan zijn ieders belangen en behoeften belangrijk. Om die belangen op een onpartijdige wijze in rekening te brengen, bestaat er een handige methode: de sluier van onwetendheid. Stel je voor dat je achter een zogenaamde sluier van onwetendheid zit. Je weet dat je straks in het universum zult verschijnen, maar achter die sluier weet je niet wie of wat je precies zult worden. Om willekeur te vermijden, kun je werkelijk eender wat worden. Je kan geboren worden als de persoon die je nu bent, maar je kan ook mij worden, of een arm kindje in Afrika, of een varken in het jaar 3000, of een boom, een rots, een auto, een vel papier, een planeet, een elektron, een inktvlek, eender wat. Je mag nu, achter de sluier, morele regels bepalen waar iedereen (die ertoe in staat is) zich aan zou moeten houden. Je gaat dan al snel doorhebben dat welzijn centraal komt te staan. Als je een vel papier bent, ga je geen voorkeuren ervaren, geen pijn, geen angst. Er gaat niets zijn dat je niet leuk vindt, want je gaat gewoon niets vinden. Er gaat niets zijn dat je niet wil, want je gaat niets willen. Dat papier scheuren ga je niet erg of onaangenaam vinden. Het welzijn van het papier wordt niet beïnvloedt als het papier scheurt, want het papier heeft geen welzijn. Maar de vissen en de varkens daarentegen, die hebben wel een welzijn, en als we hen doden voor een onbelangrijke reden, is er wel een verlies van welzijn. Als we hen pijn doen of doden, dan is er wel iemand die dat niet graag heeft. Dus als we extreem onpartijdig doen en elke willekeur uitsluiten, door ons achter de sluier van onwetendheid voor te stellen dat we eender wie of wat kunnen zijn, dan merken we dat het hebben van een welzijn en een wil belangrijk zijn. En zo zien we waarom er een belangrijk verschil is tussen de voelende wezens, die een welzijn en een wil hebben, en de niet-voelende wezens. Tussen de mensen en de niet-mensen is er helemaal niet zo’n belangrijk verschil, net zoals er tussen de blanken en de niet-blanken niet zo’n verschil is, en net zoals er tussen de primaten en de niet-primaten niet zo’n verschil is.

De sluier van onwetendheid is een uitbreiding van de gulden regel: bij de gulden regel maakt men een afweging tegenover één individu. Bij de sluier van onwetendheid moet men zich voorstellen dat men alle verschillende individuen kan zijn, en daardoor wordt de vraag belangrijk hoe men ieders welzijn rechtvaardig kan verdelen. De gulden regel is te beperkt om het vraagstuk van rechtvaardigheid te beantwoorden. Indien je achter de sluier van onwetendheid beseft dat je een gelijke kans hebt om één van de verschillende individuen te worden, ga je al snel een rechtvaardige verdeling van welzijn willen. Die rechtvaardige verdeling bestaat uit een evenwicht tussen twee richtlijnen: zoveel mogelijk welzijn voor iedereen, en een gelijke verdeling van welzijn. Ieders welzijn moet zo hoog mogelijk worden, waarbij het welzijn van de laagste posities een zekere prioriteit krijgt.

Zo kunnen we het heel kleine welzijnsverlies dat wij ondervinden als we geen dierlijke producten (maar nog wel lekkere veganistische alternatieven) meer eten, afwegen tegenover het grote welzijnsverlies van dieren door de veehouderij en visserij. Volgens de sluier van onwetendheid is daarom veganisme een regel die we moeten naleven.

Ethisch voorbeeld 6: fundamentele rechten

Het antiwillekeurprincipe laat ook toe na te gaan welke rechten belangrijk zijn, en wie die rechten dan moet krijgen. Rechten beschermen belangen, dus rechten hebben betrekking op alle wezens met die belangen.

Beschouw het recht op leven (of preciezer: het recht om niet intentioneel gedood te worden). Wie krijgt dit recht? Enkel en alleen alle mensen? Nee, dat is te willekeurig. De meest evidente (minst willekeurige) optie is natuurlijk: alle levende wezens. Het recht verwijst immers letterlijk naar leven. We mogen het niet beperken tot mensen, want het recht verwijst helemaal niet naar mensen. Maar als alle levende wezens dat recht zouden krijgen dan komen we in de problemen met het eten van planten: dan mogen we niets meer eten (behalve nog abiotisch voedsel, maar dat gaat niet gezond zijn). Daarenboven vinden velen louter leven niet zo belangrijk: er is geen verschil tussen sterven of in een permanente bewusteloze vegetatieve toestand geraken. Beiden zijn even erg, hoewel men in de tweede optie nog wel leeft in de zin dat de lichaamscellen nog een metabolisme vertonen. Maar er is geen bewustzijn, wil of welzijn meer aanwezig in dergelijke vegetatieve toestand, en dat ervaren we wel als een verlies.

In plaats van een recht op leven, kunnen we dus beter spreken van een recht op een bewust leven. En dan geldt dit recht natuurlijk wel voor elk bewust levend wezen.

Wat er ook toe doet, is welzijn, of beter: levenswelzijn. Dat is de waarde die we (bv. achter de sluier van onwetendheid) zouden toekennen aan het leiden van een volledig leven van iemand, en het bestaat uit al het welzijn ervaren over het ganse leven. Dat welzijn bestaat uit alle positieve gevoelens die het gevolg zijn van het realiseren van al wat men wil (alle behoeften en voorkeuren). Volgens het antiwillekeurprincipe mogen we geen enkele positieve gevoelens, behoeften en voorkeuren uitsluiten of onderwaarderen, van niemand.

Wie zou er een recht op levenswelzijn kunnen krijgen? Vanzelfsprekend alle wezens die een levenswelzijn hebben (dus ook veedieren en vissen). We mogen niet dit recht naar willekeur beperken tot een arbitraire deelverzameling van de welzijnshebbende wezens. Als één welzijnshebbend wezen (bv. ik) dat recht mag hebben, dan mag elk welzijnshebbend wezen dat recht hebben. Want alle welzijnshebbende wezens voldoen aan dezelfde regel: ze hebben een levenswelzijn.

Naast het recht op een bewust leven en het recht op levenswelzijn (dat eigenlijk volgt uit de methode van de sluier van onwetendheid), kunnen er nog andere fundamentele rechten zijn, zoals het recht op lichamelijke autonomie. Dat recht zegt dat men niet iemands eigen lichaam tegen diens wil in mag gebruiken als louter middel voor iemand anders zijn doelen. Denk aan verkrachting, slavernij, gedwongen medische experimenten, veeteelt, iemand in oorlogssituaties gebruiken als levend schild,… Iemands lichaam is van dat individu zelf, en niet van ons.

Wie krijgt dit basisrecht op lichamelijke autonomie, het recht om niet gebruikt te worden als louter middel? Om willekeur te vermijden, moeten we eenvoudigweg kijken naar wat dit basisrecht verwijst. Het verwijst naar iemands lichaam, dus het moet alvast van toepassing zijn op een wezen dat een lichaam heeft. Maar het verwijst in het bijzonder naar “iemands eigen lichaam”, dus kunnen we het recht beperken tot iedereen die een gevoel van een eigen lichaam heeft; ruw gezegd alle voelende wezens dus (alle wezens die hun lichaam aanvoelen). Het recht verwijst ook naar “tegen diens wil in”, dus moet het een wezen zijn dat een eigen wil heeft. Met andere woorden: het basisrecht geldt voor alle voelende en willende wezens. Dit basisrecht enkel beperken tot mensen is opnieuw willekeurig, want nergens verwijst het recht naar “mensen”.

Een recht dat wel expliciet verwijst naar mensen, zou bv. het recht op menszijn kunnen zijn. Enkel zo’n recht kan zonder willekeur toegepast worden op alle en alleen mensen. Maar het is niet duidelijk wat dit recht precies inhoudt. Het recht om niet te veranderen in een niet-menselijk wezen? Maar wat is een niet-menselijk wezen precies? Een ander voorbeeld is het recht op een menselijke behandeling. Dat verwijst ook naar menselijkheid, maar wat is een menselijke behandeling? Een recht mag niet zomaar verwijzen naar een erg onduidelijke term. Dus het lijkt volgens het antiwillekeurprincipe erg onwaarschijnlijk dat we antropocentrische (speciesistische) rechten kunnen en mogen gebruiken.

Ethisch voorbeeld 7: ethisch systeem universalisme

Hierboven zagen we het regel universalisme, dat aangeeft wat we moeten en mogen doen. Een speciaal geval van dat regel universalisme is het ethisch systeem universalisme. Dat geeft de voorwaarden aan waarop we een ethisch systeem met ethische principes mogen construeren.

Het ethisch systeem universalisme zegt dat we die soort van ethische systemen mogen construeren en naleven die iedereen (die ertoe in staat is) mag construeren en naleven. Als ik een ethisch systeem mag construeren waarbij de ethische principes overeenkomen met mijn morele intuïties (basisoordelen) en waarden, dan mag iedereen ethische systemen construeren (en naleven) die overeenkomen met hun morele intuïties en waarden. Dat kan ik niet zomaar willen, dus daarom moeten er strenge voorwaarden komen op het construeren van ethische systemen.

Eén voorwaarde is antiwillekeur: de ethische principes in het ethische systeem mogen geen willekeur bevatten. Met andere woorden: de ethische principes moeten universaliseerbaar zijn.

Een tweede voorwaarde is consistentie: er mogen geen twee ethische principes zijn die een onoplosbare tegenstrijdigheid genereren in een specifieke situatie.

Een derde voorwaarde is helderheid: de ethische principes mogen geen onduidelijke of vage termen bevatten die voor allerlei interpretaties vatbaar zijn.

Neem als voorbeeld iemand die de morele intuïtie heeft dat homoseksualiteit immoreel is. Kan die persoon een niet-willekeurig ethisch principe genereren dat homoseksualiteit ontoelaatbaar maakt? Die persoon mag alvast niet verwijzen naar een willekeurige god of een willekeurig boek dat zegt dat homoseksualiteit taboe is. Het principe mag evenmin verwijzen naar een vage term zoals “pervers” of “onnatuurlijk”, want niet iedereen kan begrijpen wat men onder die termen moet verstaan. Wat overblijft, kan een principe zijn zoals: “Als men een lichaamsdeel gebruikt voor iets zonder dat het lichaamsdeel tegelijkertijd één van zijn eigenlijke (natuurlijke?) doelen dient, is het gebruik van dat lichaamsdeel op die manier immoreel.” Het eigenlijke doel van een geslachtsorgaan is voortplanting, en het principe zegt dat men het niet voor iets anders mag gebruiken, zoals voor seksueel genot. Homoseksualiteit is niet gericht op voortplanting, dus zou dat immoreel zijn volgens dit principe. Maar het principe moeten we zonder willekeur toepassen. De eigenlijke doelen van onze handen zijn: iets grijpen en voelen. Dus bv. gitaar spelen (met handschoenen), zou immoreel zijn, omdat geen enkele van de eigenlijke doelen gerealiseerd wordt als men snaren tokkelt (zonder ze te voelen). De eigenlijke doelen van onze mond zijn: eten en communiceren met anderen. Dus een liedje fluiten onder de douche zou immoreel zijn. Een voet dient om op te staan en op te lopen, dus tegen een bal stampen als men op een stoel zit, zou immoreel zijn. Hetzelfde voor het nat maken van een postzegel met de tong, iemand kussen,… Als dit voor die persoon contra-intuïtieve oordelen zijn, dan is het geen goed principe. En die persoon moet nog verduidelijken wat de eigenlijke doelen van een lichaamsdeel zijn. Is naast voortplanting ejaculatie ook niet een eigenlijke doel van een penis? Indien ejaculatie ook een eigenlijk doel is, dan zou homoseksualiteit niet langer immoreel zijn. Kortom: het is zeer onwaarschijnlijk dat iemand een helder, universeel ethisch principe kan bedenken dat – indien zonder willekeur toegepast – overeenkomt met de eigen morele intuïties en dat homoseksualiteit immoreel zou verklaren.

Maar wat als iemand de morele intuïtie heeft dat willekeur toegelaten is en dat willekeur even geldig is als antiwillekeur? Die persoon construeert dan een willekeurig ethisch systeem met willekeurige ethische principes. Wel, als die persoon echt geen probleem heeft met willekeur, dan heeft hij er ook geen probleem mee als wij naar willekeur zijn ethisch systeem verwerpen en er geen enkele rekening mee houden. Men kan niet het antiwillekeurprincipe inroepen om te zeggen dat willekeur even goed zou zijn als antiwillekeur. Het is geen teken van willekeur als je antiwillekeur belangrijker vindt dan willekeur.

Ethisch voorbeeld 8: democratie

Iedereen kan dus een eigen ethisch systeem construeren dat past bij de eigen morele intuïties en waarden, zolang het systeem maar consistent is en bestaat uit universele ethische principes die helder zijn en geen willekeur bevatten.

Dergelijke ethische systemen zijn te vergelijken met wiskundige systemen of structuren. Er zijn meerdere wiskundige systemen: verschillende getaltheorieën, meetkundige structuren zoals de vlakke meetkunde,… Al die wiskundige systemen moeten intern consistent zijn, en ze mogen geen willekeur bevatten. Zo bevat het systeem van de natuurlijke getallen de aanname (axioma) dat elk getal een opvolger heeft. Een getaltheorie die zegt dat het getal 540 geen opvolger heeft, is geen goede theorie, want te willekeurig. Hetzelfde geldt voor de meetkundige systemen, bv. het axioma dat elke rechte lijn eindeloos als rechte lijn kan uitgebreid worden. Een theorie die zegt dat één rechte niet en een andere wel kan uitgebreid worden, of dat de uitbreiding na 5,3 meter niet meer kan worden verdergezet, is te willekeurig.

Net zoals er een pluralisme is tussen verschillende consistente wiskundige systemen die vertrekken van niet-willekeurige axioma’s, zo is er een pluralisme tussen verschillende consistente ethische systemen die vertrekken van niet-willekeurige ethische principes. Net zoals de wiskundige multiversumhypothese stelt dat alle wiskundige structuren gelijkwaardig zijn in de zin dat ze in gelijke mate bestaan, zo hebben we een multiversum aan ethische systemen die naast elkaar kunnen bestaan. Net zoals verschillende wiskundigen met verschillende wiskundige systemen kunnen werken, zo kunnen verschillende personen verschillende ethische systemen verkiezen. Er is geen regel die bepaalt dat één wiskundig systeem juister is dan een ander systeem, en hetzelfde geldt voor ethische systemen.

Maar de keuze van ethisch systeem blijft niet beperkt tot de privésfeer: het heeft implicaties voor anderen. Daarom zijn we genoodzaakt om ieders ethisch systeem mee in rekening te brengen en te streven naar een soort van consensus of “democratisch gemiddelde” tussen al die ethische systemen die alle verschillende personen aanhangen. Ieders ethisch systeem is even waardevol en telt even sterk mee, zolang het systeem maar voldoet aan de voorwaarden van consistentie, helderheid en regelmaat (antiwillekeur). Deze voorwaarden leggen heel strenge eisen op de mogelijke ethische systemen die personen kunnen construeren, en we kunnen daarom verwachten dat de meeste personen wel ongeveer dezelfde soort van ethische systemen zullen construeren, die sterk op elkaar lijken.

Een voorbeeld van zo’n ethisch systeem, is de morele hand, dat bestaat uit vijf ethische basisprincipes: 1) regel universalisme, 2) de rechtvaardige verdeling van levenswelzijn, 3) het basisrecht op lichamelijke zelfbeschikking, 4) de waarde van biodiversiteit en 5) het principe van getolereerde partijdigheid. Zie https://stijnbruers.wordpress.com/2013/01/06/de-morele-hand-een-volledige-en-samenhangende-ethiek-korte-versie/

Dat ethisch systeem legt nog niet vast hoe sterk de verschillende principes zijn ten opzichte van elkaar. Het systeem bevat dus nog een aantal vrije parameters. Die sterktes hangen af van morele intuïties en kunnen dus verschillen van persoon tot persoon: voor de ene weegt bv. het basisrecht op lichamelijke zelfbeschikking veel zwaarder door dan het levenswelzijn, voor de ander telt biodiversiteit dan weer sterker mee. Het is te vergelijken met verschillende universa die verschillende krachten bevatten: in het ene universum is zwaartekracht zwakker dan elektromagnetisme, in het andere is zwaartekracht sterker dan de sterke kernkracht,…

In tegenstelling tot die verschillende fysische universa die netjes naast elkaar kunnen bestaan, moeten we in de ethiek en politiek wel streven naar één ethisch systeem. De minst willekeurige waarden voor die verschillende sterktes en vrije parameters van de ethische principes kunnen bekomen worden door een democratisch beslissing. Daarbij moet iedere morele persoon één stem krijgen, om zo willekeur uit te sluiten.

Dit bericht werd geplaatst in Artikels, Blog en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s