De meta-ethische hand

Een ethisch systeem bestaat uit ethische principes die voorwaarden leggen op ons gedrag. De vraag is welke ethische principes een goed, coherent ethisch systeem vormen. Zijn er regels om na te gaan welke ethische systemen goed zijn? Dat is een meta-ethische vraag, want het gaat over regels over regels: meta-ethische grondregels of richtlijnen die bepalen welke morele gedragsregels goed zijn. De meta-ethische hand bestaat uit vijf grondregels voor het construeren van een goed ethisch systeem.

Iedereen kan een eigen ethisch systeem construeren. Om zoveel mogelijk ethisch relativisme (anything goes) te vermijden, legt de meta-ethische hand strenge eisen op: de vijf grondregels voor een coherent ethisch systeem. Je moet bij het construeren van jouw ethisch systeem die regels volgen die iedereen moet volgen bij het construeren van hun ethische systemen. Als jij je mag baseren op jouw morele intuïties, dan mag iedereen zich baseren op hun eigen morele intuïties. Als niemand naar willekeur ad hoc principes of vergezochte regels mag invoeren, dan mag jij dat ook niet. Een voorbeeld van een concreet coherent ethisch systeem dat met de meta-ethische hand geconstrueerd werd, is het systeem van de morele hand.

Maar zelfs met de vijf grondregels zijn er nog meerdere coherente ethische systemen te construeren. Alle even coherente ethische systemen zijn gelijkwaardig vanuit meta-ethisch oogpunt. Zo ontstaat er een democratie van ethische systemen. Indien verschillende personen verschillende gelijkwaardige ethische systemen aanhangen, moeten die personen trachten via een democratische beslissingsprocedure tot een aanvaardbaar compromis te komen. Want niemand kan beweren dat het eigen ethische systeem en de eigen morele intuïties belangrijker zijn dan die van anderen die een even coherent ethisch systeem hebben.

De duim: het principe van uniformiteit. De ethische regels en principes moeten op alles en iedereen gelijk van toepassing zijn, zonder willekeurige uitzonderingen. Zo moet een recht om niet tegen de wil in gedood te worden gelden voor alles en iedereen. Maar dit recht is triviaal voldaan bij niet levende en wezens en bij wezens die geen wil hebben. Wat men ook doet met een niet-willend (niet-voelend) en niet-levend wezen, men respecteert altijd automatisch dit recht. Voor levende en voelende wezens maakt het wel iets uit.

Het duimprincipe is een erg abstract principe dat nog niet bepaalt welke regels men dan moet volgen bij het construeren van een ethisch systeem. Net zoals men de duim tegen de andere vingers moet plaatsen om iets te kunnen grijpen, zo moet men de meta-ethische duim tegen de andere meta-ethische vingers plaatsen om een ethisch systeem te kunnen construeren.

De wijsvinger: verenigbaarheid en overeenkomst met basisinformatie. Morele basisoordelen vormen de basisinformatie in de constructie van een ethisch systeem. Basisoordelen zijn bv. morele intuïties die vaak spontaan opduiken in concrete situaties of gedachtenexperimenten (bv. “Stel dat je vijf personen kunt redden door één persoon op te offeren…”). Het wijsvingerprincipe zegt dat de ethische principes zo goed mogelijk moeten verwijzen naar de morele basisoordelen, en dat we daarbij een sterke prioriteit moeten geven aan de sterkste en meest gedeelde morele basisoordelen. De sterkte van een basisoordeel wordt bepaald door onze bereidheid om een basisoordeel op te geven: als we het niet zo erg vinden dat een basisoordeel niet past in het ethische systeem, dan is dat een zwak basisoordeel.

De middelvinger: volledigheid en interne consistentie. Elke situatie mag één en slechts één moreel eindoordeel opleveren. Een moreel eindoordeel wordt gegenereerd door de ethische principes waarbij alles in rekening werd gebracht. Consistentie wil zeggen: “niet (p en niet-p)”. Zo mag een handeling in een specifieke situatie niet tegelijk toegelaten en verboden zijn. Als “p gelijk is aan niet(niet-p)”, dan volgt uit consistentie ook volledigheid: “p of niet-p”. Dus in elke situatie is een handeling ofwel toegelaten ofwel niet. Het ethisch systeem moet in staat zijn om in elke denkbare situatie een uniek antwoord te bieden op de vraag welke handelingen toegelaten, verboden en verplicht zijn.

De consistentie is afhankelijk van het type logica dat men kiest. In een ethisch systeem is de zogenaamde deontische logica belangrijk. Dat is de logica die de relaties tussen de begrippen verboden, toegelaten en verplicht weergeeft. Bv. als X toegelaten is, dan is X niet verboden. Als Y verplicht is, dan is Y toegelaten.

De middelvinger is de langste vinger, dus deze consistentievoorwaarde is de belangrijkste grondregel in de constructie van een ethisch systeem. Inconsistente systemen zijn niet geldig.

De ringvinger: helderheid. De ethische principes in het ethische systeem moeten helder geformuleerd kunnen worden, zodat ze voor iedereen (met een begripsvermogen) begrepen kunnen worden en ze zonder dubbelzinnigheden altijd kunnen worden toegepast. De betekenis of interpretatie van morele termen zou dus duidelijk moeten zijn.

De pink: zuinigheid en eenvoud. Net zoals de kleine pink een klein beetje kan afwijken van de andere vingers, mag men in een ethisch systeem in beperkte mate extra ethische basisprincipes toevoegen. Men moet zoveel mogelijk artificiële ad hoc aanpassingen (bv. uitzonderingen op uitzonderingen op regels, of regels die slechts in één specifieke situatie gelden) trachten te vermijden. Men mag dus een beetje complexiteit of kunstmatigheid invoeren, op voorwaarde dat men bereid is te tolereren dat iedereen dat mag in de constructie van hun ethische systemen (iedereen, want men moet de duim tegen de pink plaatsen).

De handpalm: goede wil. Men moet goede wil tonen bij het construeren van een ethisch systeem, zonder willekeur en cognitieve bias.

Vijf principes van antiwillekeur

Antiwillekeur (of regelmaat) is een overkoepelend thema in de meta-ethische hand: het is in alle vingers aanwezig. Net zoals de morele hand vijf vormen van gelijkwaardigheid heeft, zo heeft de meta-ethische hand vijf vormen van antiwillekeur. Meta-ethische antiwillekeur is dus analoog aan morele gelijkwaardigheid (antidiscriminatie).

De duim: men mag niet naar willekeur de ethische basisprincipes beperken tot een willekeurige verzameling van objecten, wezens of individuen. Men mag niet naar willekeur slachtoffers kiezen.

De wijsvinger: men mag niet naar willekeur zwakkere morele intuïties een sterkere prioriteit geven; men mag niet naar willekeur morele basisoordelen veranderen of uitsluiten.

De middelvinger: men mag niet naar willekeur inconsistenties en hiaten toelaten in het ethische systeem.

De ringvinger: men mag niet naar willekeur een vaag ethisch principe introduceren dat men naar willekeur kan interpreteren en toepassen in concrete situaties.

De pink: men mag niet naar willekeur artificiële, complexe, ad hoc constructies toevoegen in het ethische systeem.

Een analogie met kruiswoordraadsels

Het construeren van een coherent ethisch systeem is te vergelijken met het oplossen van een kruiswoordraadsel. Een wit vakje van een kruiswoordraadsel staat symbool voor een specifieke situatie of een moreel gezichtspunt. Een ingevulde letter komt dan overeen met een moreel eindoordeel: een antwoord op de vraag wat we uiteindelijk moeten of mogen doen in die specifieke situatie, of wat – alles bij elkaar beschouwd – waardevol is vanuit dat moreel gezichtspunt bekeken.

Equivalente oplossingen van een kruiswoordraadsel zijn even correct, op voorwaarde dat ze de volgende vijf regels respecteren.

De duim: alle vakjes die op één lijn naast elkaar liggen hebben dezelfde eigenschap, namelijk dat ze tot één en hetzelfde woord behoren.

De wijsvinger: de ingevulde woorden moeten verwijzen naar de opgegeven beschrijvingen.

De middelvinger: men moet één en slechts één letter per wit vakje invullen. Consistentie wil zeggen: niet tegelijk een letter en een andere letter. Volledigheid wil zeggen: ofwel een letter ofwel een andere letter (dus geen leeg vakje).

De ringvinger: de woorden moeten bestaande, heldere woorden vormen.

De pink: men moet zoveel mogelijk nieuwe woorden, vergezochte woorden of ad hoc aanpassingen aan woorden trachten te vermijden, en een voorkeur geven aan de meest courante woorden.

Het construeren van een ethisch systeem is ook te vergelijken met de manier waarop men aan wetenschap behoort te doen: heldere en onderling consistente principes (bv. natuurwetten) afleiden uit basisinformatie (experimentele gegevens), en daarbij zo weinig mogelijk ad hoc constructies toevoegen aan de theorie. Een wetenschappelijke theorie moet dus bestaan uit universele wetten die altijd en overal gelden (de duim), die zo dicht mogelijk aansluiten bij de meest betrouwbare experimenten (de wijsvinger), die consistent zijn met elkaar (de middelvinger), die duidelijk en helder geformuleerd zijn (de ringvinger) en zo zuinig mogelijk zijn (de pink).

 

Dit bericht werd geplaatst in Artikels, Blog en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s