Gelijkwaardigheid en partijdigheid in het brandend-huis dilemma

Een vraag die menig dierenrechtenactivist regelmatig te horen krijgt is: indien een huis in brand staat en jouw kind en een hond worden door de vlammen bedreigd, wie zou je dan het eerst redden? Als men niet wil discrimineren op basis van soort, moet men dan een muntstuk opgooien om beide slachtoffers een gelijke kans op redding te geven? De vraagsteller kan men natuurlijk al te gemakkelijk een koekje van eigen deeg terug bezorgen: vervang de hond door een kind met een andere huidskleur. Het is duidelijk dat men niet noodzakelijk een racist is als men het eigen kind redt, want anders zou iedereen racist zijn.

Het brandend-huis-dilemma is geschikt om te onderzoeken welke vormen van partijdigheid toelaatbaar zijn. Er is een basisprincipe dat op een subtiele manier partijdigheid combineert met onpartijdigheid.

Het principe van getolereerde partijdigheid: men mag partijdig zijn, op voorwaarde dat men gelijkaardige niveaus van partijdigheid van iedereen zou respecteren.

Als ik in het brandend huis mijn kind zou redden in plaats van het andere kind, wil dat dan ook zeggen dat ik een ander kind mag opofferen voor een orgaantransplantatie om mijn zieke kind te redden met een nieuw orgaan? Helemaal niet, ik mag niet een ander kind gebruiken als louter middel, als louter organen. Dat zou te partijdig zijn. In het redden van mijn kind mag ik ook niet zomaar twee andere kinderen doden. Stel dat mijn kind in gevaar is en ik kan het enkel redden door er snel naartoe te rijden en ondertussen twee andere kinderen dood te rijden. Dat mag dus niet. Wat wel mag, is in het brandend huis mijn kind redden in plaats van twee andere kinderen (stel dat in één kamer mijn kind zit en in een tweede twee andere kinderen, en ik heb slechts de tijd om één kamerdeur te openen). Dus we mogen zo partijdig zijn dat we niet het maximaal aantal levens redden of het maximale welzijn genereren. Maar er zijn misschien wel grenzen aan mijn partijdigheid: wat met een keuze tussen mijn kind versus een miljoen andere kinderen? Of een keuze tussen mijn wagen versus een aantal andere kinderen? Mag ik mijn wagen redden van de vlammen? Een wagen is geen voelend wezen, dus een niet-voelend voorwerp redden in plaats van een aantal kinderen, zou een niet te tolereren vorm van partijdigheid zijn. De eigen wagen kan men nog wel redden voor zichzelf, en men mag wel een klein beetje partijdig zijn ten voordele van zichzelf. Maar het principe van getolereerde partijdigheid impliceert dat we toch veel minder aandacht moeten geven aan onze voorwerpen.

Wat met de keuze tussen een kind en een hond? Wel, vele personen hebben huisdieren, en geven dus al meer geld uit aan een hond dan aan stervende kinderen in Afrika. De persoonlijke betrokkenheid die iemand kan voelen met een dier moeten we respecteren. Die betrokkenheid is gebaseerd op empathie met een voelend wezen, wat dus iets wezenlijk anders is dan een bezorgdheid over de eigen wagen. Men zou kunnen zeggen dat een kind een langere levensverwachting en hogere mentale vermogens heeft dan een hond en daarom meer welzijn kan ervaren dan een hond, en dat men daarom het kind moet verkiezen. Maar net zoals we in het brandend huis niet altijd (maar wel in extreme gevallen) de plicht hebben om de keuze te maken die het meeste welzijn genereert, zo moeten we niet altijd het wezen kiezen dat de langste levensverwachting en het meeste potentiële welzijn heeft. Men mag in een brandend huis ook een mentaal gehandicapt kind met een korte levensverwachting verkiezen boven een ander, gezond kind, dus men mag ook een hond verkiezen boven een ander kind.

De voorwaarde dat men de partijdigheid van werkelijk iedereen zou moeten tolereren, introduceert een subtiele vorm van onpartijdigheid. Stel dat in het brandend huis een blank en een zwart kind zitten. Kan ik dan de keuze tolereren van iemand die het blanke kind wil redden? Nee, niet als die keuze gebaseerd is op een negatief racistisch vooroordeel tegenover zwarten. Stel dat die persoon het blanke kind redt omwille van een irrationele angst voor zwarte kinderen. Ja, dan zou die persoon beter wat psychotherapie volgen om dergelijke irrationele angst te vermijden.

Het principe van getolereerde partijdigheid komt tegemoet aan een kritiek dat een welzijnsgerichte ethiek vaak te veeleisend is. In een welzijnsethiek moet men het welzijn van iedereen zo hoog mogelijk krijgen (en eventueel een voorkeur geven aan de individuen met het laagste welzijn). Maar dat wil dus zeggen dat wij ons sterk zouden moeten opofferen voor het welzijn van anderen, want er zijn veel individuen die een veel lager welzijn hebben dan wij. Volgens een welzijnsethiek is een cadeautje voor mijn kind ontoelaatbaar, want met dat geld had ik een kind in Afrika kunnen redden. Het principe van getolereerde partijdigheid zegt dat we nog wel iets meer aandacht mogen schenken aan onze kinderen en diegenen die ons het meest dierbaar zijn (en ook aan onszelf). Maar zoveel cadeautjes geven zoals we in het westen doen, dat kunnen we niet tolereren; dat is te veel partijdigheid. We geven veel te veel luxe aan onze dierbaren die al rijk zijn en veel te weinig essentiële middelen aan de armsten.

Als sociale en medelevende wezens hebben we het moeilijk om strikt onpartijdig te zijn. Wijzelf mogen nog wel wat partijdig zijn, maar van publieke instanties en overheden mogen we striktere onpartijdigheid verwachten. Ouders mogen partijdig zijn tegenover hun kinderen, zolang ze gelijkaardige niveaus van partijdigheid van andere ouders tegenover die hun kinderen respecteren. Trouwens, het is voor de emotionele ontwikkeling van kinderen waarschijnlijk niet zo goed als ouders strikt onpartijdige keuzes maken.

Het principe van getolereerde partijdigheid past daarom in een zorgethiek, die aandacht schenkt aan interpersoonlijke relaties, aan vriendschappen en familiebanden. Volgens een zorgethiek hebben we niet altijd de plicht om het meest onpartijdige morele standpunt in te nemen, want zo’n onpartijdig gezichtspunt is vaak niet verzoenbaar met interpersoonlijke relaties. Een sterkere betrokkenheid met onze meest dierbaren is toegelaten. Daarom wordt een zorgethiek vaak tegenover een rechtvaardigheidsethiek geplaatst. Een rechtvaardigheidsethiek hoort voornamelijk thuis in de publieke sfeer, bv. bij overheidsinstanties. Maar toch sijpelt er een zekere rechtvaardigheid door in de zorgethiek, namelijk door de extra voorwaarde dat men bereid moet zijn om gelijkaardige niveaus van partijdigheid te tolereren bij alle anderen. Men mag dus niet te partijdig zijn en te veel afwijken van het onpartijdige standpunt, en het niveau van partijdigheid moet universaliseerbaar zijn: als jij het mag, dan mag iedereen het.

Getolereerde keuzegelijkwaardigheid

Als je jouw kind redt in plaats van iemand anders, is er duidelijk sprake van een emotionele ongelijkwaardigheid: jouw kind is voor jou emotioneel gezien meer waard dan dat andere kind. Toch kan er een subtiele vorm van gelijkwaardigheid zijn, namelijk als jij mijn keuze respecteert om het andere kind te redden in plaats van jouw kind. Jij mag dus niet zeggen dat mijn keuze immoreel is en dat jouw kind meer rechten heeft dan dat andere kind. Als jij zoiets zou zeggen, zou je mijn keuze niet respecteren. Als je mijn keuze tolereert, en als jij en ik gelijkwaardig zijn, dan erven de kinderen in het brandend huis een subtiele vorm van gelijkwaardigheid.

Het principe van getolereerde keuzegelijkwaardigheid. Als je een individu X wil helpen (omdat je een emotionele betrokkenheid voelt met dat individu) en als je de keuze respecteert van een andere gelijkwaardige helper om individu Y te helpen (de andere helper is gelijkwaardig met jou), dan hebben individuen X en Y een getolereerde keuzegelijkwaardigheid.

Deze getolereerde keuzegelijkwaardigheid kan dus gepaard gaan met een emotionele ongelijkwaardigheid.

Getolereerde gelijkheid van kansen

Het principe van gelijkheid van kansen zegt dat iedereen die even geschikt is voor een bepaalde positie (bv. een job, een opleiding, een toestemming om met iemand te trouwen,…) een gelijke kans moet hebben op die positie. De meest geschikte (bekwame en gemotiveerde) persoon zou het beste vooruitzicht op de positie moeten hebben, dus de positie mag niet naar willekeur worden toegekend op basis van criteria die voor die positie niet relevant zijn.

Tegenover dit gelijkheidsprincipe staat het principe van getolereerde partijdigheid. Als een heteroseksuele man de voorkeur geeft aan een vrouw in plaats van een man om te trouwen, zou men kunnen zeggen dat die heteroseksuele man het principe van gelijkheid van kansen tussen vrouwen en (homoseksuele) mannen niet respecteert. Dus de heteroseksuele man is partijdig ten voordele van vrouwen, maar we tolereren dergelijke partijdigheid. De heteroseksuele man is niet seksistisch als hij niet gelooft dat vrouwen meer recht hebben om te trouwen dan mannen en als hij de keuze van homoseksuele mannen tolereert om met homoseksuele mannen te trouwen. Als hij zegt dat geen enkele man met een homoseksuele man mag trouwen, dan is hij wel seksistisch.

Maar neem nu een blanke werkgever die een blanke sollicitant aanwerft in plaats van een meer geschikte zwarte persoon. Deze keuze is waarschijnlijk een racistische vorm van discriminatie en schendt het principe van gelijkheid van kansen. Is die werkgever bereid om soortgelijke niveaus van partijdigheid van andere werkgevers te tolereren? De werkgever zou kunnen zeggen dat hij/zij de keuze van een andere werkgever om een zwarte persoon aan te werven wel zou tolereren. Maar dit garandeert nog geen getolereerd keuzegelijkwaardigheid, want in een concurrerende markt beschouwt de werkgever die andere werkgevers als concurrenten en niet als gelijkwaardig. Zie de voorwaarde in het hierboven geformuleerde principe van getolereerd keuzegelijkwaardigheid: de ene helper (in dit geval de werkgever die een sollicitant aan een job helpt) zou de andere helper (de andere werkgever) als gelijkwaardig moeten beschouwen. De eerste werkgever kan negatieve vooroordelen over zwarten hebben en denken dat zwarten geen goede werknemers zijn. Dus die werkgever zou blij zijn te weten dat de andere werkgever die zwarte aanwerft. Een dergelijk negatief vooroordeel ten opzichte van zwarten is een vorm van racisme dat we niet kunnen tolereren. Het zou te veel het principe van gelijkheid van kansen schenden.

Het bovenstaande impliceert dat in competitieve omgevingen men niet altijd getolereerde keuzegelijkwaardigheid kan afleiden: als de werkgevers concurrenten zijn, kan een werkgever een partijdige keuze (een partijdigheid jegens sommige sollicitanten) niet rechtvaardigen door de keuzes van de andere werkgevers te tolereren. Voor de heteroseksuele man was er geen concurrentie met homoseksuele mannen, dus het tolereren van de keuzes van die homoseksuele mannen genereert wel getolereerde keuzegelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen. Hetzelfde geldt voor een man die zich meer seksueel aangetrokken voelt tot blanke vrouwen dan tot zwarte vrouwen. Hij geeft de voorkeur aan een blanke vrouw, maar hij is niet racistisch als hij de keuzes van andere blanke mannen tolereert om met zwarte vrouwen te trouwen, als hij tenminste van mening is dat die andere blanke mannen met hem gelijk zijn (bijvoorbeeld als zijn broer wil trouwen met een zwarte vrouw). Het zou kunnen dat die man blanke vrouwen gewoon aantrekkelijker vindt dan zwarte vrouwen, net zoals hij vrouwen aantrekkelijker vindt dan mannen. Dan is er geen negatief vooroordeel tegen zwarten in het spel.

Het is toegestaan ​​om het principe van gelijke kansen te schenden, zolang er een getolereerde partijdigheid (getolereerde keuzegelijkwaardigheid) is. We kunnen het verschil tussen een racistische werkgever die liever een blanke sollicitant aanwerft en een niet-racistische man die liever een blanke vrouw trouwt verder onderzoeken. De motivatie is belangrijk: waarom kiest de werkgever voor de blanke? Indien de werkgever negatieve vooroordelen heeft tegenover zwarten, wordt het discriminatie. De werkgever zou vrij eenvoudig in staat moeten zijn om deze vooroordelen te vermijden. De man die een blanke vrouw verkiest kan ook wel zijn voorkeur voor blanke vrouwen proberen te overwinnen, maar dat zal toch wel veel moeilijker gaan. Het veranderen van een opvatting (bv. de opvatting van de werkgever dat zwarten lui zijn) is makkelijker dan het veranderen van smaakvoorkeuren (bv. dat blanke vrouwen aantrekkelijker zijn).

We kunnen zo een nieuw principe van gelijkheid van kansen voorstellen, dat getolereerde keuzegelijkwaardigheid in zich opneemt.

Het principe van getolereerde gelijkheid van kansen. Stel dat personen A en B twee gelijkaardige posities aanbieden en personen X en Y concurreren voor de positie aangeboden door A. Als A de voorkeur geeft aan X, dan respecteert A de getolereerde gelijkheid van kansen als aan de volgende voorwaarden is voldaan: 1) de voorkeur voor X is niet gebaseerd op foute overtuigingen (vooroordelen) maar wel op voorkeuren die niet gemakkelijk te overwinnen zijn, 2) A beschouwt B als gelijk (er is bv. geen concurrentie tussen A en B), 3) A zou de keuze van B tolereren om de positie van B te geven aan Y.

Het uitgebreide louter-middel principe

Het louter-middel principe zegt dat iedereen een basisrecht heeft om niet tegen de wil in als middel behandeld te worden voor de doelen van iemand anders. Iemand wordt gebruikt als louter middel als de behandeling tegen de wil in gebeurt en als het individu aanwezig moet zijn om het doel te bereiken. Indien men bv. iemand tegen diens wil in opoffert voor een orgaantransplantatie, dan wordt dat individu gebruikt als louter middel, want het lichaam van dat slachtoffer moet aanwezig zijn (zonder lichaam geen organen).

We kunnen het louter-middel principe uitbreiden: we mogen niet enkel iemand gebruiken als louter middel, maar ook niet beschouwen als louter middel. Dit veralgemeend louter-middel principe impliceert een getolereerde partijdigheid. Neem bv. het brandend-huis-dilemma waarbij men een kind of een hond kan redden. Stel dat een persoon de hond wil redden, omdat die persoon bv. een sterke emotionele band heeft met die hond. Indien wij die persoon veroordelen en zeggen dat het kind moet gered worden, dan beschouwen we die persoon als louter middel. Immers, de persoon moet aanwezig zijn om het doel, het redden van het kind, te realiseren. En de persoon zou iets moeten doen tegen diens wil in, want die persoon zou liever de hond redden. Hetzelfde geldt voor een dilemma waarbij men moet kiezen tussen het redden van één dierbare persoon versus twee of meerdere onbekende personen. Indien men de dierbare persoon redt, kunnen wij dat niet veroordelen, want men mag niet als louter middel beschouwd worden.

In andere dilemma’s mogen we wel iemand veroordelen. Neem bv. het tramdilemma: een tram kan niet meer remmen en staat op punt een hond (jouw huisdier) op het spoor dood te rijden. Je kunt nog wel de wissel overhalen zodat de tram een zijspoor neemt, waar een andere hond is. In deze situatie mag je nog wel de wissel overhalen, want één hond dood is even erg als één andere hond dood.

Maar stel nu dat op het zijspoor twee honden zijn. Dan mag je niet meer de wissel overhalen, want twee dode honden is erger dan één dode hond, zelfs al heb je een emotionele band met die ene hond. Indien je wel de wissel overhaalt, kunnen wij jou wel veroordelen zonder je daarbij te beschouwen als louter middel. Immers, jouw aanwezigheid is niet nodig om het doel (zo weinig mogelijk dode honden, zo weinig mogelijk verlies van welzijn) te realiseren. Als je er niet was geweest, dan werden de twee honden niet gedood. Hetzelfde geldt als er een kind op het zijspoor is. Als dat kind een langere levensverwachting en een hoger potentieel welzijn heeft dan de hond, dan resulteert het doden van dat kind in meer verlies van welzijn. Je mag de hond dan niet redden door aan de wissel te draaien, want dat zou extra schade veroorzaken aan iemand anders waarbij het totale welzijn daalt. Je mag niet extra schade (welzijnsverlies) veroorzaken aan anderen om jouw dierbaren te helpen. Dergelijke partijdigheid kunnen we niet tolereren. Het niet mogen opofferen van het kind om de hond te redden is geen discriminatie op basis van soort, want hetzelfde geldt als er in plaats van een hond een mentaal gehandicapt kind met een korte levensverwachting op het spoor was.

Je mag wel de wissel overhalen als er op het hoofdspoor bv. twee kinderen liggen en op het zijspoor één, want zo wordt netto één kind gered. Je hebt echter niet de plicht om in die situatie de wissel over te halen. Want stel dat het kind op het zijspoor jouw kind was, dan moet je niet jouw kind opofferen voor de andere twee. Wij mogen jou niet veroordelen als je zou weigeren om de wissel over te halen. Want als we jou veroordelen, dan beschouwen we jou als louter middel om het doel, het redden van de twee kinderen, te realiseren: jouw aanwezigheid is noodzakelijk (als je er niet was geweest kon niemand de wissel overhalen en zouden de twee kinderen sterven) en je zou iets moeten doen tegen je wil in, namelijk je eigen kind opofferen.

Het louter-middel principe heeft wel zijn grenzen. Als het doel echt heel belangrijk is, bv. het redden van een miljoen personen, dan zou men misschien wel iemand mogen gebruiken als louter middel. Stel bv. in een brandend huis dat men moet kiezen tussen het redden van een schilderij versus een kind. Indien men dan het schilderij redt, dan mogen wij dat wel veroordelen, zelfs al beschouwen we die persoon daarbij als louter middel, omdat ons doel (het redden van het kind) veel belangrijker is. Het basisrecht om niet als louter middel gebruikt of beschouwd te worden, is dus niet absoluut: het kan overtroffen worden als het doel heel zwaar doorweegt.

Het uitgebreide louter-middel principe zegt dat we niet iemand mogen veroordelen als die persoon partijdig is in het redden van anderen (of van zichzelf). Men mag mij niet veroordelen als ik mijn dierbaren (of mijzelf) verkies te redden, zelfs al maximaliseer ik daardoor niet het welzijn. Maar heb ik tegenover mezelf toch niet de plicht om het welzijn te verhogen en daarbij onpartijdig te zijn? Niet noodzakelijk: het uitgebreide louter-middel principe zegt dat als anderen mij niet mogen veroordelen, dan mag ik ook mezelf niet veroordelen als ik toch kies voor mijn dierbaren en dus voor de minder optimale situatie met een lager welzijn. Ik heb dus ook niet de plicht om altijd onpartijdig te zijn en te kiezen voor het maximale welzijn. Ik mag mijn dierbare redden in plaats van meerdere andere individuen.

Samengevat zegt het uitgebreide louter-middel principe dat we niet alleen (tot op zekere hoogte) partijdig mogen zijn in hulpverlening, maar dat we partijdigheid ook (tot op zekere hoogte) moeten tolereren, willen we de ander niet beschouwen als louter middel.

Dit bericht werd geplaatst in Blog en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s