Willekeur in pseudowetenschap en pseudo-ethiek

Willekeur en uniformiteit

Het heelal is uniform in de zin dat de basiswetten overal en altijd op dezelfde wijze geldig zijn. Een natuurkundige theorie die zegt dat de zwaartekracht enkel geldt in de linkerhelft van het heelal voor alle blauwkleurige massa’s, is niet toegelaten. Een theorie die zegt dat de elektromagnetische kracht enkel inwerkt op elektrische ladingen na zonsondergang, is evenmin geldig. De zwaartekracht werkt overal en altijd op dezelfde wijze in op alles wat massa heeft, en het elektromagnetisme werkt uniform in op alle elektrische ladingen.

Dezelfde uniformiteit geldt voor wiskundige systemen. Een wiskundig getalsysteem dat zegt dat elk natuurlijk getal een opvolger heeft, behalve het getal 523, is niet toegelaten. Alle elementen moeten dezelfde basiseigenschap hebben, bijvoorbeeld dat ze een opvolger hebben.

Natuurkundige theorieën en wiskundige systemen hebben dus een belangrijke voorwaarde met elkaar gemeen: uniformiteit. Een systeem is opgebouwd uit een verzameling van elementen, het domein. Zo is het wiskundige systeem van de natuurlijke getallen opgebouwd uit de verzameling van natuurlijke getallen, en het wiskundig systeem van de Euclidische (vlakke) meetkunde opgebouwd uit een verzameling van punten. Naast het domein bestaat een systeem ook uit een aantal basisprincipes, wetten of axioma’s die iets zeggen over de elementen in het domein. Zo zegt het systeem van de natuurlijke getallen dat elk getal in het domein een unieke opvolger heeft die ook een getal is in het domein, en het systeem van de Euclidische meetkunde zegt dat door elk tweetal punten in het domein een rechte kan worden getrokken die ook bestaat uit punten in het domein.

Een belangrijke voorwaarde is dat deze axioma’s uniform of universeel zijn: elk getal heeft dezelfde basiseigenschap, namelijk dat het een unieke opvolger heeft, en elk paar punten heeft dezelfde eigenschap, namelijk dat er een rechte kan tussen getrokken worden. Geen enkele wiskundige gaat een systeem bestuderen dat willekeurige uitzonderingen maakt, zoals een getalsysteem waarbij de getallen 45 en 96 geen opvolgers hebben (en de getallen 46 en 97 dus niet bestaan), of een meetkundig systeem waar door de punten in de rechterkant van het vlak geen rechten kunnen worden getrokken. Uniformiteit is dus een cruciale voorwaarde in de wiskunde en de natuurkunde.

Uniformiteit wil dus zeggen dat alle elementen van het domein op dezelfde wijze voldoen aan de basisprincipes. Alle elektrische ladingen zijn onderhevig aan de elektromagnetische kracht, en alle natuurlijke getallen hebben een opvolger. Het tegendeel van uniformiteit is onregelmatigheid, een vorm van willekeur. Deze vorm van willekeur mogen we niet verwarren met andere vormen van willekeur die nog wel toegelaten zijn voor natuurkundige theorieën en wiskundige systemen. Zo is de elektromagnetische kracht tussen twee elektronen 4,1×10^42 (miljoen miljard miljard miljard) keer groter dan de zwaartekracht tussen deze twee deeltjes. Waarom deze waarde en niet een andere, zoals 8 of 6,3×10^9? En waarom bestaat ons heelal uit een zwaartekracht en een elektromagnetische kracht, en niet uit heel andere krachten, of enkel de zwaartekracht? En waarom zou elk getal een unieke opvolger hebben, en niet twee opvolgers, of drie? Sommige wiskundigen werken met getalsystemen waarbij elk getal twee opvolgers heeft (bv. de gehele getallen van Gauss: complexe getallen waarvan het reële- en het imaginaire deel beide gehele getallen zijn). En waarom zou door elk paar punten slechts één rechte te trekken zijn? Sommige wiskundigen bestuderen meetkundige systemen waar men soms meerdere rechten kan trekken door een tweetal punten (bv. de bolmeetkunde waarvan de punten op een boloppervlak liggen en men tussen de noord- en zuidpool wel oneindig veel geodeten kan trekken). Waarom zou de meetkunde altijd moeten werken met de vijf axioma’s van de Euclidische vlakke meetkunde, en niet met een andere verzameling van axioma’s? Er bestaan oneindig veel meetkundige systemen, waarbij elk systeem een andere verzameling van basisprincipes heeft.

Elk wiskundig systeem is even geldig, zolang de basisprincipes maar uniform zijn, dus zolang alle elementen van het domein maar voldoen aan dezelfde basisprincipes. Zo ook is elk mogelijk heelal even geldig, zolang de basiswetten maar uniform zijn. Het is de onregelmatige willekeur tussen elementen in het domein die ontoelaatbaar is. Er is sprake van onregelmatige willekeur (gebrek aan uniformiteit) als er geen goede regel is die op alle elementen van het domein in gelijke mate van toepassing is.

Onregelmatige willekeur mag niet verward worden met onvermijdelijke willekeur. Dit is de willekeur die nog wel te vinden is in de natuurkunde en bij de keuze van wiskundige systemen. Een heelal kan niet alle mogelijke krachten tegelijk bevatten. Natuurconstanten (bv. de verhouding van de sterkte van de zwaartekracht en de elektromagnetische kracht tussen twee elektronen) kunnen niet tegelijk alle mogelijke waarden aannemen. Men kan niet werken met een wiskundig systeem dat tegelijk alle mogelijke axioma’s bevat. Een getal kan niet tegelijk één en twee opvolgers hebben. Dus er moeten onvermijdelijk keuzes gemaakt worden. Wiskundigen kunnen kiezen voor het systeem van de vlakke meetkunde of de bolmeetkunde, en die keuze is altijd willekeurig.

 

Willekeur in pseudowetenschap en bijgeloof

Pseudowetenschap en bijgeloof zitten vol met onregelmatige willekeur. Deze willekeur is net datgene wat ontoelaatbaar is bij pseudowetenschap. Die willekeur bestaat uit twee aspecten: willekeur in informatie en willekeur in hypothesen.

Willekeur in informatie

Pseudowetenschap wordt vaak gekenmerkt door selectiviteit in gegevens, studies en opinies van experts. Men neemt niet alle informatie (alle beschikbare data en studies) objectief en onpartijdig in rekening, maar men beperkt zich vaak tot een aantal anekdotes, men doet aan kersenplukken (cherry picking) waarbij geloof wordt gehecht aan slechts een beperkt aantal studies die de eigen theorie bevestigen, en men schuift slechts een paar wetenschappers naar voren als experts terwijl men de mening van de meerderheid van wetenschappers in het vakgebied negeert. In het verzamelen van gegevens kunnen er allerlei vertekeningen optreden, zoals een sampling bias waarbij er een neiging is om sommige gegevens systematisch uit te sluiten, waardoor de conclusies van het onderzoek vertekend worden.

Dit zijn allemaal vormen van onregelmatige willekeur: als het domein bestaat uit alle gegevens, waarom zou men zich dan mogen beperken tot slechts een paar anekdotes die de eigen theorie bevestigen? Als het domein bestaat uit alle studies, waarom zou men zich dan mogen beperken tot slechts die studies die de eigen theorie bevestigen terwijl vele andere, kritische studies minstens even betrouwbaar uitgevoerd werden? En als het domein bestaat uit alle wetenschappers in een vakgebied, waarom zou men dan luisteren naar slechts een paar wetenschappers en de meeste andere stemmen negeren, ook al zijn die andere wetenschappers minstens even integer en intelligent? We zijn vatbaar voor een bevestigingsneiging (confirmation bias), waarbij we (vaak onbewust) meer waarde en geloof hechten aan de gegevens, studies en wetenschappers die de eigen theorie bevestigen.

Bij de selectiviteit zijn er twee dingen die men kan negeren. Ten eerste kan men negatieve gegevens en studies negeren. Deze negatieve informatie ontkracht de eigen theorie, en daarom moet ze worden genegeerd als men de eigen theorie wil redden. Zo worden de vele studies die aantonen dat homeopathie geen sterkere werking heeft dan een placebo vaak genegeerd door aanhangers van homeopathie.

Naast het negeren van negatieve informatie kan men ook positieve data en studies negeren. Dat zijn gegevens en studies die niet de eigen theorie weerleggen, maar die er wel op wijzen dat andere theorieën minstens even juist zijn.

Neem bv. acupunctuur: het plaatsen van naalden op het lichaam kan helend werken, maar de acupuncturist gelooft dat men die naalden op specifieke plaatsen (meridiaanpunten) moet plaatsen opdat het zou werken. Nu blijkt uit onderzoek dat de locatie er niet zo toe doet: het helend effect is hetzelfde als men de naalden niet op die meridiaanpunten plaatst, maar op willekeurige andere plaatsen op het lichaam (zolang de acupuncturist maar aan de patiënt een geloofwaardig verhaal vertelt waarom de naalden precies zus en zo moeten geplaatst worden voor de magische werking). Dus als een acupuncturist nu nog gelooft in het bestaan van speciale meridianen, dan is dat een vorm van willekeur, want waarom zouden die meridiaanpunten hier moeten liggen en niet daar waar er ook een helend effect bleek op te treden? Een acupuncturist zou moeten geloven dat het ganse lichaamsoppervlak bestaat uit meridiaanpunten.

Of neem bijvoorbeeld het geloof in de theorie dat Paul McCartney in 1966 stierf en bij the Beatles vervangen werd door een look alike. Aanhangers van die theorie beweren allerlei aanwijzingen voor hun theorie aan te treffen in de muziek en platenhoezen van the Beatles. Maar het niveau van hun aanwijzingen is te onbetrouwbaar (te vergezocht en vaag). Als men maar goed genoeg zoekt, zou men bv. in de muziek van the Rolling Stones misschien wel evengoed aanwijzingen kunnen vinden dat Keith Richards al lang overleden is. Iemand die gelooft dat Paul McCartney dood is op basis van aanwijzingen, zou in de dood van elke muzikant moeten geloven als er voor die muzikant een gelijkaardige reeks van aanwijzingen te vinden zijn. Hetzelfde geldt voor samenzweringstheorieën: men kan een samenzweringstheorie construeren die minstens even geloofwaardig is als de andere samenzweringstheorieën. Zo hebben sceptici zelfs parodieën op samenzweringstheorieën kunnen verzinnen in bv. science fiction films zoals Star Wars.

Wel geloven in de ene theorie en niet in de vele andere even (on)geloofwaardige theorieën, is onregelmatige willekeur: het domein bestaat uit de verzameling van theorieën en het basisprincipe zegt dat theorieën met een sterker bewijs geloofwaardiger zijn. Hier zien we de basisregel van het scepticisme: buitengewone beweringen en theorieën vereisen buitengewoon bewijs en argumentatie. Als twee theorieën evenveel bewijs hebben, zijn ze even geloofwaardig. En we mogen niet zomaar naar willekeur één theorie verkiezen uit een verzameling van even geloofwaardige theorieën. Men zou in alle geconstrueerde samenzweringstheorieën moeten geloven als men niet naar willekeur wil geloven in sommige theorieën.

Het bijgeloof in complottheorieën is vergelijkbaar met het geloof in goden. Beweren dat God wel en Krishna niet bestaat, is onregelmatige willekeur, omdat er voor beide goden even veel (of beter: weinig) empirisch bewijs is en er dus geen regel is om de ene god te verkiezen boven de andere. Het domein bestaat hier uit de verzameling van alle mogelijke goden, en het basisprincipe zegt dat als er even veel bewijs is voor het bestaan van goden, die goden dan even (on)waarschijnlijk bestaan, net zoals het domein van de elektromagnetische kracht in de natuurkunde bestaat uit alle elektrisch geladen voorwerpen en het basisprincipe zegt dat de kracht even sterk is als de voorwerpen een even grote elektrische lading hebben. Geloven in de ene god maar niet in de andere, zelfs al is er voor het bestaan van beide goden even veel bewijs, is zoals een onregelmatige elektromagnetische kracht die sterker aangrijpt op het ene elektron dan op het andere, zelfs al hebben beide elektronen dezelfde lading.

Willekeur in hypothesen

Het blijven negeren van informatie is niet eenvoudig als men door critici erop wordt gewezen. In dat geval neemt de pseudowetenschapper vaak toevlucht tot ad hoc hulphypothesen. Dat zijn meestal uitzonderingsregels die een uitleg zouden moeten verlenen waarom sommige gegevens en studies genegeerd mogen worden. Ad hoc betekent letterlijk “voor hier”, wat wil zeggen dat de uitzonderingsregel slechts in een specifiek geval werkt. Hier zien we opnieuw willekeur, want we kunnen de vraag stellen: waarom voor hier en niet voor daar? Waarom zou de uitzondering enkel voor dit geval werken? Waarom zou het getal 523 geen opvolger hebben? Waarom zou er door dit punt hier geen rechte te trekken zijn?

Het geven van ad hoc argumenten of uitvluchten noemt men ook vaak “special pleading”, “moving the goalposts” of “stacking the deck”. Een voorbeeld van een ad hoc redenering is het geloof dat God mij genezen heeft van kanker. De vraag is dan waarom God niet andere kankerpatiënten geneest. Ofwel geneest God kankerpatiënten naar willekeur (wat niet eerlijk zou zijn en niet past bij het idee van een rechtvaardige God), ofwel moet er een reden zijn waarom God wel mij genas maar anderen niet. Als men die reden niet kan geven, als men niet weet welke regel God gevolgd heeft en als het dus neigt naar onregelmatige willekeur, dan roept de gelovige vaak een hulphypothese in, bijvoorbeeld dat Gods werking mysterieus is (maar dan toevallig enkel in dit geval).

Iemand die beweert een paranormale gave te hebben, kan ook een ad hoc uitvlucht geven als die persoon wordt getest door kritische wetenschappers. Die persoon kan dan zeggen dat (toevallig) zijn gave niet werkt als er kritische wetenschappers onderzoek naar doen. Alsof enkel die kritische wetenschappers een negatieve energie uitstralen of de begaafde persoon zo onder emotionele druk kunnen zetten dat de gave niet meer werkt. Maar waarom zou de gave uitzonderlijk niet werken in aanwezigheid van sommige personen? Waarom zouden enkel kritische wetenschappers negatieve energie uitstralen? Dit is opnieuw onregelmatige willekeur omdat men geen goede regel heeft die bepaalt welke personen een invloed hebben op de paranormale gave.

Een astroloog kan, telkens als een voorspelling niet uitkomt, een ad hoc excuus verzinnen en beweren dat in dit mislukte geval men eigenlijk niet moest kijken naar de standen van hemellichamen op het tijdstip van de geboorte maar wel op het moment van de bevruchting. Men kan dus beweren dat een astrologische voorspelling altijd juist is: als achteraf blijkt dat de voorspelling niet uitkwam, dan kan men zich eruit praten door te zeggen dat in dat specifieke geval de voorspelling had moeten gebeuren aan de hand van het moment van bevruchting. Dit is zoals het verschuiven van de doelpalen (moving the goalposts): als er een doelpunt werd gemaakt, kan men achteraf zeggen dat (toevallig) op die moment de doelpalen eigenlijk ergens anders hadden moeten staan. Dit is opnieuw een vorm van onregelmatige willekeur, omdat men geen goede regel heeft die bepaalt wanneer de doelpalen waar moeten staan. Het is letterlijk ad hoc: nu zet ik de doelpalen even hier in plaats van daar, zodat je ernaast mikt.

Door ad hoc aanpassingen en strategieën zoals het verschuiven van de doelpalen wordt een pseudowetenschappelijke theorie vaak moeilijk testbaar of weerlegbaar. Men heeft altijd gelijk als men zonder verdere argumentatie zegt dat Gods wegen ondoorgrondelijk zijn, dat paranormale gaven niet werken wanneer ze kritisch onder de loep worden genomen of dat een astrologische voorspelling achteraf mag aangepast worden.

 

Willekeur in pseudo-ethiek

Net zoals een wiskundige gebruik maakt van een coherent (uniform en consistent) wiskundig systeem, zo moeten wij gebruik maken van een coherent ethisch systeem. Een ethisch systeem bestaat uit basisprincipes die zeggen welke handelingen verplicht, toegelaten en niet toegelaten zijn. Het domein van een ethisch systeem bestaat uit de verzameling van alle specifieke handelingen, en de basisprincipes moeten op een gelijke manier toegepast worden op alle handelingen.

Een voorbeeld van een ethisch basisprincipe is: “Iedereen mag doen waar men zin in heeft.” Een dergelijk ethisch systeem van universeel egoïsme dat enkel dit basisprincipe bevat, is zoals een wiskundig getalsysteem dat één axioma heeft: “Elk getal is de opvolger van alle andere getallen.” Dit getalsysteem mag dan wel uniform zijn, zonder onregelmatige willekeur, maar het is een systeem dat wiskundigen niet wensen te gebruiken omdat het nutteloos en saai is. Zo ook is er geen rationele persoon die zou willen dat iedereen dat ethische systeem van universeel egoïsme naleeft.

Een tweede voorbeeld van een ethisch basisprincipe is: “Verhoog mijn welzijn.” Hier zien we duidelijk een onverantwoorde vorm van willekeur. Dit principe gaat namelijk over alle handelingen die invloed hebben op mijn welzijn, terwijl het domein van de ethiek gaat over alle handelingen. Als we de vraag kunnen stellen “Waarom mijn welzijn en niet dat van iemand anders?”, en als we daar geen zinnig antwoord op kunnen geven, dan doen we aan pseudo-ethiek door het domein naar willekeur te beperken tot handelingen voor mijn welzijn.

We kunnen het basisprincipe uitbreiden tot: “Verhoog het welzijn van alle mensen.” Maar ook hier is er nog onverantwoorde willekeur. Er is sprake van onverantwoorde willekeur zolang we de vraag kunnen stellen: “Waarom X en niet bv. Y?”, waarbij Y niet zomaar “niet-X” is, maar tot een gelijkaardige categorie behoort als X (bv. X en Y zijn beiden individuen, of beiden soorten). Neem bv. voor X de groep van mensen. We kunnen bij het basisprincipe steeds de triviale vraag stellen: “Waarom het welzijn van mensen en niet van niet-mensen?” Maar dat maakt het nog geen onverantwoorde willekeur. Er is pas onverantwoorde willekeur als we ook een niet-triviale vraag kunnen stellen, zoals: “Waarom het welzijn van mensen en niet van bv. chimpansees?” We kunnen het basisprincipe uitbreiden tot alle mensen en chimpansees, of tot alle mensapen, maar nog steeds is het onverantwoorde willekeur, want waarom mensapen en niet bv. bavianen?

We moeten dus het toepassingsgebied van het basisprincipe zo ver mogelijk uitbreiden, tot: “Verhoog het welzijn van iedereen”, waarbij iedereen hier verwijst naar alle wezens die een welzijn hebben.

Dus we kunnen in de ethiek altijd de triviale vraag stellen: “Waarom het principe beperken tot X en niet tot niet-X?” Maar een echte pseudo-ethiek herkennen we doordat we ook de niet-triviale vraag kunnen stellen: “Waarom het principe beperken tot X en niet tot Y?” Deze vraag is niet triviaal, omdat het niet evident is dat er een Y bestaat die tot dezelfde categorie behoort als X. Zo vormen mensen en chimpansees twee soorten, maar de niet-mensen vormen geen soort. Fietsen is een activiteit, maar niet-fietsen is geen activiteit. Het verzamelen van postzegels is een hobby. Maar het niet verzamelen van postzegels is geen hobby. Iemand die gelooft in een god is een gelovige, maar een atheïst is geen gelovige.

Als de niet-triviale vraag “Waarom X en niet Y?” geen zinnig antwoord kent, dan is het principe voor X te willekeurig. Zolang men de vraag “Waarom X en niet Y?” kan stellen, moet het principe uitgebreid worden. Natuurlijk blijven er altijd vormen van onvermijdelijke willekeur over, want zelfs bij het basisprincipe “verhoog welzijn van iedereen” kan men de vraag stellen: “Waarom verhogen en niet verlagen?” Het principe “verlaag het welzijn” is even willekeurig als het principe “verhoog het welzijn.” En het principe “verhoog of verlaag het welzijn” wordt triviaal: dit principe is altijd voldaan, dus kan geschrapt worden uit de ethiek.

Dus we komen tot het basisprincipe om het welzijn van iedereen te verhogen. Als deze regel uniform wordt toegepast, zonder willekeurige uitzonderingen, dan is het moeilijk om er een rationele kritiek op te hebben. Maar het wordt pseudo-ethiek als men contra-intuïtieve implicaties van deze regel gewoonweg negeert of als men ad hoc aanpassingen maakt.

Neem het orgaantransplantatiedilemma: stel dat vijf patiënten in het ziekenhuis dringend nieuwe organen nodig hebben om te overleven, maar er geen organen meer beschikbaar zijn. De enige manier om die patiënten te redden, is het opofferen (tegen diens wil in doden) van een onschuldige onbekende persoon, wiens organen kunnen getransplanteerd worden. Qua welzijn kunnen de levens van de vijf patiënten sterker doorwegen dan het leven van het ene opgeofferde slachtoffer. Toch vinden de meeste personen dat we in deze situatie niet die ene persoon mogen opofferen. Het principe om het welzijn te verhogen leidt in deze situatie tot een contra-intuïtief oordeel.

Men kan dan simpelweg ontkennen dat dergelijke gedwongen orgaantransplantaties het welzijn verhogen, maar dat zou het pseudo-ethische equivalent zijn van het pseudowetenschappelijke negeren van gegevens die de eigen theorie tegenspreken. Het zou dan een willekeurige uitzondering maken voor orgaantransplantaties indien men toegeeft dat in andere situaties het redden van vijf personen in plaats van één wel duidelijk het welzijn verhoogt.

Net zoals in de pseudowetenschap kan men, indien men niet naar willekeur dingen wil ontkennen, het basisprincipe aanpassen met een ad hoc uitzondering: “Verhoog het welzijn, behalve in het geval van het opofferen van een persoon voor orgaantransplantaties.” Deze aanpassing is ad hoc, omdat de uitzondering verwijst naar een specifiek geval: het opofferen voor een orgaantransplantatie. Maar hoe weten we of een dergelijke ad hoc aanpassing te willekeurig is, dat het een vorm van onregelmatige willekeur is?

We kunnen altijd de triviale vraag stellen: “Waarom een uitzondering maken voor gedwongen orgaantransplantaties en niet voor niet-gedwongen-orgaantransplantaties?” Maar bij een onverantwoorde ad hoc uitzonderingsregel kunnen we ook een niet-triviale vraag stellen, zoals: “Waarom een uitzondering voor gedwongen orgaantransplantaties en niet voor bv. gedwongen medische experimenten?” Nu kan men de uitzonderingsregel wel uitbreiden tot alle transplantaties en experimenten, maar deze uitbreiding is nog niet goed genoeg, want opnieuw kunnen we hier een niet-triviale vraag stellen: “Waarom orgaantransplantaties en experimenten en niet bv. kannibalisme in noodsituaties?”

Als de niet-triviale vraag “Waarom X en niet Y?” geen zinnig antwoord kent, dan is de uitzondering voor X te willekeurig, en is het dus een onverantwoorde ad hoc aanpassing. Men kan de uitzondering nog verder uitbreiden, tot men niet meer de vraag “Waarom X en niet Y?” kan stellen. Zo zou men dus tot de regel kunnen komen: “Verhoog het welzijn van iedereen, behalve als iemand gebruikt wordt als louter middel.” Hier is X gelijk aan “iemand gebruiken als louter middel”, wat wil zeggen dat iemands lichaam tegen diens wil in gebruikt wordt voor iemand anders zijn doelen. Gedwongen orgaantransplantaties en experimenten zijn voorbeelden van een gebruik als louter middel, en we mogen niet tegen de wil in iemands lichaam gebruiken.

Kunnen we deze uitzonderingsregel nog verder uitbreiden? De regel bestaat uit twee elementen: “tegen de wil in” en “iemands lichaam”. Het uitbreiden van “tegen de wil in” tot “wel of niet tegen de wil in” maakt die voorwaarde triviaal, dus het beperken tot “tegen de wil in” is geen onverantwoorde willekeur. Maar wat met de verwijzing naar het lichaam? Waarom niet naar bv. iemands auto? We zouden de regel dus kunnen uitbreiden tot al het bezit in plaats van enkel het lichaam van die persoon. Maar we zouden de regel van “iemands lichaam” ook kunnen herschrijven tot “iemands subjectief aangevoelde bezit”. Het lichaam is niet zomaar een bezit van iemand, het is het enige bezit dat door dat individu subjectief wordt aangevoeld. Ik voel mijn arm en weet op die manier dat die arm van mij is. Maar ik voel niet mijn auto, en het feit dat mijn auto geldt als mijn bezit, is louter een sociale afspraak.

Dus we mogen kiezen of we de uitzonderingsregel behouden tot “iemands subjectief aangevoelde bezit”, dan wel om het verder uit te breiden tot “iemands subjectief aangevoelde en sociaal afgesproken bezit”. Beide keuzes zijn even willekeurig, en het is onvermijdelijke willekeur die nog toegelaten is. Bij deze uitgebreide uitzonderingsregels kunnen we geen voorbeeld van een Y meer vinden die verschillend is van X maar nog wel tot dezelfde categorie behoort als X. Dus deze uitzonderingsregels zijn geen onverantwoorde willekeurige ad hoc aanpassingen. Bij de ad hoc aanpassing van orgaantransplantaties konden we nog wel de vraag stellen wat er zo bijzonder is aan die ene praktijk van orgaantransplantaties, opdat dat een uitzondering mag zijn.

Het nieuwe basisprincipe luidt: “Verhoog ieders welzijn, behalve als daarbij iemand gebruikt wordt als louter middel”. Dit principe bevat dus een uitzondering, maar dit keer is de uitzondering zelf universeel: het gaat niet meer enkel over orgaantransplantatie, maar over alle situaties waar iemand als louter middel gebruikt wordt. En dat is interessant, want omdat deze uitzondering universeel is, kunnen we hem nu gaan testen in andere reële of denkbeeldige situaties, zoals in een tramdilemma: een gedachte-experiment waar we iemand voor een aanstormende tram kunnen duwen om die tram te stoppen en zo vijf personen op het tramspoor te redden. Die ene persoon wordt opgeofferd en gebruikt als louter middel: tegen diens wil in wordt diens lichaam gebruikt als levend schild om de tram te blokkeren en de andere personen op het spoor te redden. Volgens de uitzonderingsregel mogen we niet die persoon voor de tram duwen, zelfs al zouden we daarmee net zoals in het transplantatiedilemma het welzijn verhogen. Ons nieuw basisprincipe maakt dus een voorspelling in dit gedachte-experiment, en we kunnen nagaan of deze voorspelling overeenkomt met onze morele intuïtie.

Onze nieuwe ethische theorie is dus falsifieerbaar (weerlegbaar), en heeft de test met het tramdilemma weerstaan als onze intuïtie zegt dat we niet die persoon voor de tram mogen duwen. Doordat die uitzonderingsregel zelf universeel is, is de regel falsifieerbaar. Zo gaat dat ook in de wetenschappen. Zo zou men bijvoorbeeld de natuurkundige wet kunnen voorstellen dat de zwaartekrachtstheorie van Newton overal geldig is, behalve voor de baan van Mercurius (cfr. de afwijkende periheliumbeweging van Mercurius die niet voorspeld wordt door de theorie van Newton). Een dergelijke ad hoc uitzonderingsregel is niet goed, want het is te willekeurig. Waarom zou Mercurius een uitzondering zijn en bv. Mars niet? De regel kan vervangen worden door: “De zwaartekrachtstheorie van Newton is overal geldig, behalve bij sterke zwaartekrachtsvelden, waar Einsteins relativiteitstheorie beter kan gebruikt worden”. Deze theorie kent een uitzonderingsregel die universeel geldig is, waardoor die uitzondering falsifieerbaar wordt door niet enkel te kijken naar het sterke zwaartekrachtsveld dicht bij de zon (de baan van Mercurius), maar naar alle andere sterke zwaartekrachtsvelden. In de wetenschap en de ethiek zijn uitzonderingsregels dus geen probleem, zolang die uitzonderingen maar te beschrijven zijn met uniforme (universele) regels.

De uitzonderingsregel hoeft niet altijd absoluut te zijn. Eén persoon opofferen en gebruiken als louter middel om vijf andere personen te redden, dat mag niet. Maar om een miljoen andere personen te redden? Of een miljard? Er kan een kantelpunt zijn, waarbij men wel iemand mag gebruiken als louter middel van zodra er echt heel veel welzijn op het spel staat. Dit is te vergelijken met twee morele krachten: de ene kracht wil zo weinig mogelijk personen gebruiken als louter middel, de andere kracht wil zoveel mogelijk welzijn verhogen. De ene kracht kan veel sterker zijn dan de andere, net zoals dat de elektromagnetische kracht tussen twee elektronen veel sterker is dan de zwaartekracht. De verhouding van die twee krachten is een willekeurig getal dat erg groot kan zijn (namelijk 4,1×10^42 voor de elektronen in ons heelal). Maar dergelijke vorm van willekeur in ons heelal is onvermijdelijk: een andere waarde was even willekeurig geweest en alle waarden tegelijk is onmogelijk. Dus ook in onze ethiek kan de verhouding van twee morele krachten een onvermijdelijke willekeurige waarde aannemen.

Ik mag dus een ethisch systeem verkiezen waar de eerste morele kracht zeg een miljoen keer sterker is dan de tweede kracht. Maar jij mag even goed een ethisch systeem verkiezen met dezelfde twee krachten, waarbij de eerste kracht zeg duizend keer sterker is dan de tweede. En iemand anders mag zeggen dat de eerste kracht verwaarloosbaar klein is. Als we van mening verschillen over de precieze waarde, kunnen we dat democratisch beslechten. Het is alsof er meerdere goden zijn die elk een heelal kunnen scheppen, en elke god heeft een voorkeur voor de sterktes van de krachten. Elk heelal bestaat uit een zwaartekracht en een elektromagnetische kracht, en elk heelal heeft een eigen natuurconstante, namelijk de verhouding van sterktes van die twee krachten. Als al die goden gedwongen zijn om samen te werken om slechts één heelal te construeren, zullen ze democratisch moeten beslissen welke waarde die natuurconstante moet hebben.

In de ethiek kunnen nog vele andere vormen van onvermijdelijke willekeur zitten: de hoogte van een verkeersboete (waarom 150 euro in plaats van bv. 100?), de kiesgerechtigde leeftijd (waarom 18 jaar in plaats van bv. 17,6),… Dergelijke vormen van willekeur zijn onvermijdelijk, en net zoals bij natuurkundige krachten gaat het meestal om een afweging van factoren.

Geen enkele vorm van willekeur toelaten in de ethiek is onmogelijk, net zoals wiskundigen niet kunnen werken met een wiskundig systeem dat geen enkele willekeur heeft (en dat dus tegelijk alle axioma’s zou hebben). Maar alle vormen van willekeur toelaten, is ook geen optie. Wil jij alle vormen van willekeur toelaten, dan mag ik bv. jouw opvattingen naar willekeur uitsluiten en mag ik jou naar willekeur behandelen. Dus we moeten goed nadenken welke vormen van willekeur we willen behouden en welke vormen niet toegelaten zijn in de ethiek. Wiskundige systemen en natuurkundige theorieën geven daar een goed antwoord op: we moeten kijken welke vormen van willekeur er al dan niet gelden in die systemen en theorieën, en kijken of we zoiets ook in de ethiek kunnen toepassen. Zo zien we in natuurkundige theorieën vormen van onvermijdelijke willekeur (bv. het bestaan van bepaalde natuurkrachten die bepaalde sterktes hebben), maar zien we geen vormen van vermijdbare, onregelmatige willekeur: de natuurwetten zijn uniform. Iets dergelijks is ook voor de ethiek de ideale mix van willekeur en uniformiteit.

Waarom uniformiteit in de ethiek?

Het streven naar uniformiteit en het vermijden van ad hoc willekeur in de ethiek is erg belangrijk. Een pseudo-ethiek is een incoherent (onsamenhangend) ethisch systeem: een verzameling van morele opvattingen (waarden, oordelen, principes) die inconsistent zijn (een interne tegenspraak hebben) of willekeurig zijn (een onregelmatigheid vertonen). Stel dat iemand een incoherent ethisch systeem wil naleven en zegt dat dat een verantwoord ethisch systeem is. Mogen we dan dergelijk ethisch systeem uitsluiten? En moeten we dat dan ook doen?

Om met de eerste vraag te beginnen: een incoherent ethisch systeem is inconsistent of willekeurig. Stel dat het inconsistent is. En stel dat wij de morele opvattingen negeren van iemand die een inconsistente ethiek naleeft. Zomaar iemands morele opvattingen negeren druist in tegen onze eigen morele waarden, in het bijzonder tegen het antiwillekeurprincipe in onze eigen ethiek. Maar als het inconsistente opvattingen zijn, kunnen we ze wel negeren, zelfs als dat zou indruisen tegen onze eigen ethiek. Die persoon geeft immers aan dat men inconsistente opvattingen mag hebben die indruisen tegen de eigen ethiek, want die persoon heeft zelf een inconsistente ethiek die een interne tegenspraak bevat. Als die persoon twee tegenstrijdige opvattingen mag hebben, dan mogen wij dat ook. We hebben de opvatting dat men niet zomaar iemands morele overtuigingen mag negeren, en we hebben de opvatting dat we dat wel mogen doen bij die ene persoon. Zelfs als deze twee opvattingen onderling tegenstrijdig zouden zijn, kan die persoon geen zinnig argument ertegen geven.

Als die persoon een consistente maar onregelmatige willekeurige ethiek zou hebben, kunnen we een gelijkaardige strategie volgen: als die persoon een ethisch systeem verkiest vol willekeur, dan geeft die persoon daarmee aan dat men zelfs naar willekeur diens morele opvattingen mag negeren. Wij kunnen tegen die persoon zeggen dat zijn morele waarden en oordelen niet geldig zijn. En als die persoon protesteert en zegt dat zijn ethiek wel geldig is, dan kunnen wij zeggen dat als hij in zijn ethiek willekeurige ad hoc uitzonderingen mag maken, wij dat ook mogen doen in onze ethiek. Dan mogen wij dus nu even de willekeurige uitzondering maken dat ieders morele opvattingen dienen gerespecteerd te worden, behalve die van hem. Hij kan dan vragen waarom die uitzondering voor hem zou gelden en niet voor ons, maar wij kunnen dan antwoorden dat als hij naar willekeur uitzonderingen mag maken, wij zoiets ook mogen doen.

Iemand met een incoherente ethiek kan niet klagen als diens ethiek wordt uitgesloten. Alle tegenargumenten die hij geeft kunnen tegen hem gebruikt worden. Zegt hij bv.: “Waarom zou jij mijn opvattingen mogen negeren? Wie ben jij om te bepalen dat mijn ethiek niet geldig zou zijn?”, dan kan ik meteen in de tegenaanval gaan, door te zeggen: “Ik mag jou naar willekeur uitsluiten, want je geeft net aan dat je mijn vorm van antiwillekeur niet aanvaardt, en je hebt mijn vorm van antiwillekeur nodig opdat jouw kritiek zinvol zou zijn.”

Als jij een coherente ethiek hebt, en anderen niet, dan mag jij jouw ethisch systeem opleggen aan die andere personen, want die personen hebben een inconsistent of willekeurig ethisch systeem en geven daarmee dus zelf aan dat ze (naar willekeur) uitgesloten mogen worden of dat men niet op een consistente wijze moet rekening houden met hun morele waarden.

We mogen dus incoherente ethische systemen negeren en inconsistente of willekeurige morele opvattingen uitsluiten. Maar moeten we dat ook doen? Ja, want zo kunnen we een extreme vorm van moreel relativisme vermijden die zegt dat alle ethische systemen en morele oordelen even geldig zouden zijn. Als iedereen zijn eigen ethisch systeem mag kiezen, en als die ethische systemen onregelmatige willekeur mogen bevatten, dan is werkelijk alles toegelaten, en dat kunnen we niet willen. Door het uitsluiten van incoherente ethische systemen (dus onsamenhangende systemen die inconsistent of onregelmatig zijn), beperkt men al veel sterker de mogelijkheden van wat nog toegelaten is. De ethische systemen die overblijven, voldoen aan zulke strenge eisen, dat er meer convergentie zal zijn tussen die overblijvende systemen. Die convergentie kan voldoende zijn voor een democratische besluitvorming. We kunnen niet zeggen dat het ene coherente ethische systeem juister is dan het andere. Ik verkies mijn ethisch systeem, maar wie ben ik om dat systeem te mogen opleggen aan iedereen? Het zou onverantwoorde willekeur zijn als ik zonder goede reden mag bepalen welke ethisch systeem het enige juiste is, want waarom zou ik dat mogen en jij niet?

Om dergelijke willekeur te vermijden, moeten we erkennen dat ieders ethisch systeem even geldig is, zolang het maar even coherent is. Iedereen vertrekt dus van een eigen ethisch systeem, en we kunnen dan via een democratisch proces streven naar een consensus, een tussenoplossing tussen onze verschillende ethische systemen. Daarbij is het natuurlijk interessant als onze ethische systemen niet extreem ver uit elkaar liggen. Door het opleggen van strenge eisen van consistentie en uniformiteit, is er al een strenge selectie en convergeren de overblijvende coherente ethische systemen iets meer naar elkaar toe.

Dit bericht werd geplaatst in Blog en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s