Naar een fiscaal evenwicht met een basisinkomen

Eén van de belangrijkste politiek-economische maatregelen die men kan nemen, is het invoeren van een universeel, onvoorwaardelijk basisinkomen. Maar hoe kunnen we dat basisinkomen financieren? Hoe hoog moet het zijn? En welke andere overheidsuitgaven moeten met welke belastingen gefinancierd worden? In wat volgt doe ik een voorstel om goede belastingenbronnen te vinden die overheidsuitgaven kunnen financieren op een manier waardoor er bijna altijd een fiscaal evenwicht kan zijn. Er is namelijk een natuurlijk of logische koppeling tussen bepaalde belastingen en bepaalde uitgaven.

Het basisinkomen

Een universeel basisinkomen kan eerst en vooral gefinancierd worden door een belasting op grond, grondstoffen en alle andere natuurlijke voorzieningen die beperkend of rivaliserend zijn. Natuurlijke rijkdommen zijn beperkend of rivaliserend in de zin dat men ze exclusief kan toe-eigenen en dat het eigen gebruik van de grondstof het gebruik van die grondstof door anderen beperkt. Als iemand zich een hoeveelheid natuurlijke grondstoffen toe-eigent, verwerft die persoon er een monopolie op waardoor iemand anders die grondstof dan niet meer kan gebruiken. Een belasting op deze natuurlijke rijkdommen is een vergoeding die men moet betalen aan de gemeenschap voor het exclusieve bezit of gebruik van een natuurlijke voorziening. De inkomsten van deze belastingen kunnen aan iedereen uitgedeeld worden als een basisinkomen. Dit basisinkomen is dan de economische waarde van het deel van de natuurlijke voorzieningen waar een persoon onvoorwaardelijk recht op heeft.

Concreet kan men belastingen heffen op de volgende natuurlijke voorzieningen.

1) Grond. Deze belasting zit verdoken in de onroerende voorheffing, maar hier gaat het enkel over de grondwaarde van een stuk grond, zonder de toegevoegde waarde die men bekomt door dat stuk grond te bewerken (er iets op te telen, er een gebouw op zetten,…). Het huidige systeem van onroerende voorheffing belast vooral de toegevoegde waarde en slechts een klein deel van de grondwaarde. De grondwaarde is de waarde als men een stuk grond zou kopen of huren. Indien je gebruik maakt van weginfrastructuur, eigen je ook een deel waardevolle grond op voor jouw vervoermiddel (bv. jouw wagen). Een kilometerheffing en parkeerbelasting zijn dan ook vormen van grondwaardebelasting. Een slimme kilometerheffing houdt bovendien rekening met de plaatsafhankelijke waarde van infrastructuur. Sommige wegen zijn waardevoller dan andere, zoals te zien aan bv. de hoeveelheid verkeer en files.

2) Brandstoffen. Dit zijn de accijnzen. Als je een hoeveelheid fossiele brandstoffen gebruikt, kan iemand anders die niet meer gebruiken, en moet je voor dat exclusieve gebruik dus aan de gemeenschap een vergoeding betalen.

3) De verwerkingscapaciteit van CO2. Dit is een CO2-taks. Door een hoeveelheid CO2 uit te stoten, eigen je een deel van de CO2-verwerkingscapaciteit van de aarde toe. De uitgestoten CO2 moet opgenomen worden door de atmosfeer, de oceanen of de bossen, en die opnamecapaciteit is beperkt. Een CO2-taks is dan een huur die je betaald aan de gemeenschap voor het toe-eigenen van dat deel van de verwerkingscapaciteit van de aarde.

4) Grondstoffen en mineralen. Voor de aankoop van goederen moet men een vergoeding betalen omwille van het exclusieve bezit van waardevolle grondstoffen in dat product. Zo zou een deel van de verkeersbelasting of inschrijvingstaks van een wagen kunnen geïnterpreteerd worden als een belasting op de waarde van grondstoffen in die wagen. Hetzelfde geldt voor een deel van de onroerende voorheffing die bestaat uit de waarde van grondstoffen in bv. gebouwen.

5) Het elektromagnetisch spectrum. Bij het versturen van bijvoorbeeld een sms-bericht, eigent men zich een frequentie van het elektromagnetisch spectrum toe voor een bepaalde tijd. Ook daarvoor kan men aan de gemeenschap een huur betalen, want het elektromagnetisch spectrum behoort zoals alle andere natuurlijke voorzieningen toe aan iedereen.

Naast natuurlijke voorzieningen en rijkdommen zijn er nog andere belastingbronnen om een basisinkomen te financieren.

6) Rijkdommen gegenereerd door vorige generaties. Vorige generaties hebben rijkdommen geproduceerd waar wij nu van profiteren. Een deel van die rijkdommen kan naar de gemeenschap vloeien onder de vorm van een basisinkomen. In het bijzonder gaat het om erfenisbelasting (successierechten) en een vermogensbelasting. Iemand met een groot vermogen heeft dat vermogen vaak niet zelf geproduceerd, maar gedeeltelijk geërfd van vorige generaties. Een deel van die geërfde waarde behoort toe aan de gemeenschap, en daarom is het gerechtvaardigd om een vermogensbelasting te heffen en uit te keren als basisinkomen. Bij voorkeur worden de inkomsten van een erfenisbelasting gegeven aan diegenen die het minste erven van hun ouders (dus diegenen met de armste ouders).

Als men al deze belastingen optelt en uitkeert als basisinkomen, dan komt dat op hetzelfde neer als dat iedere persoon een even groot deel van de natuurlijke rijkdommen en overgeërfde rijkdommen krijgt. Het basisinkomen is per definitie voldoende om die natuurlijke en overgeërfde rijkdommen te kunnen kopen. Dat is alsof je gratis een stukje grond, een hoeveelheid brandstof, een aantal goederen (machines, woning, infrastructuur) die gemaakt werden door vorige generaties, een hoeveelheid CO2-opnamecapaciteit en een hoeveelheid grondstoffen (mineralen, water,…) krijgt. In theorie is dat altijd genoeg om van te leven, mits er geen overbevolking is (dus mits er voldoende rijkdommen zijn voor iedereen) en mits je zelf werk verricht om van die natuurlijke en overgeërfde rijkdommen iets nuttigs te maken om in je behoeften te voorzien. (Met ‘werk’ wordt niet enkel betaalde arbeid bedoeld, maar ook onbetaald werk.) Dus je moet zelf nog wat werk verrichten om in je behoeften te voldoen, want de natuurlijke rijkdommen zijn nog onbewerkt (hebben nog geen toegevoegde waarde) en de overgeërfde rijkdommen moeten onderhouden worden. Je krijgt wel grond, machines en brandstof, maar je gaat toch nog een beetje de grond moeten bewerken voor voedsel. Je krijgt wel een overgeërfd huis, maar je gaat toch nog een beetje dat huis moeten onderhouden. De overgeërfde rijkdommen (bv. machines en infrastructuur) maken dat werk al wel een heel pak lichter. In het extreme geval (waar we meer en meer naartoe evolueren) bevatten de overgeërfde rijkdommen ook robotten, en dan zou men zelf geen werk meer moeten doen (behalve dan het geven van instructies en het houden van toezicht op die robotten).

Als een basisinkomen zo hoog zou zijn dat het mogelijk is in (basis)behoeften te voorzien zonder ook maar iets te moeten werken, dus als het mogelijk is om naast de gratis natuurlijke en overgeërfde rijkdommen ook nieuwe producten (nieuwe kleding, eten,…) volledig gratis te krijgen, dan moet een deel van dat basisinkomen logischerwijs gefinancierd worden door een inkomstenbelasting. Maar dat kan afgunst opwekken van zodra iemand door dat basisinkomen besluit om niet meer of te weinig te werken, want de werkenden worden dan door de overheid via belastingen gedwongen om geld te geven aan die ‘luieriken’. Alsof boeren worden gedwongen een deel van hun oogst af te staan aan luieriken. Een basisinkomen gefinancierd door een belasting op natuurlijke en overgeërfde rijkdommen kan geen afgunst wekken. Er is geen sprake van overheidsdwang, want niemand wordt gedwongen om een deel van de eigen productiviteit of het eigen inkomen (de eigen waardecreatie) af te staan.

De vraag hoe hoog het basisinkomen moet zijn, kan dan eenvoudig beantwoord worden: even hoog als de totale economische waarde van alle natuurlijke en overgeërfde rijkdommen, gedeeld door het aantal personen. Dat basisinkomen is niet voldoende om volledig zonder te moeten werken in je basisbehoeften te kunnen voorzien, maar dankzij de toenemende overgeërfde rijkdommen zal het benodigde werk wel steeds minder worden.

Maar niet iedereen is in staat om te werken om de natuurlijke rijkdommen te bewerken tot nuttige producten. Denk aan ziekte of ouderdom. Daarom is er nog extra belasting en herverdeling nodig.

De sociale zekerheid

Sommige personen kunnen van een hoger beroepsinkomen genieten dan anderen, omdat ze gezonder of meer getalenteerd zijn. Minder gezonde en minder getalenteerde personen hebben er niet voor gekozen dat ze minder goed in staat zijn om te werken en geld te verdienen, en op voorhand weet men niet hoe getalenteerd en gezond men gaat zijn. De gezonde en getalenteerde personen die van een hoger inkomen kunnen genieten, moeten dan een deel van hun hogere inkomen afstaan uit solidariteit met diegenen die moeilijker in staat zijn om een inkomen te verwerven.

Die solidariteit in de vorm van een sociale zekerheidsbijdrage kan begrepen worden als een vorm van verzekering die je zou aangaan als je geen voorkennis hebt, dus als je niet weet wat je gezondheid en je talenten gaan zijn, als je niet weet of je gemakkelijk werk zult vinden en of je vaak ziek gaat zijn of een ongeluk gaat hebben waardoor je minder kunt werken. De werklozen en zieken zitten in de laagste positie qua welzijn, omdat ze een lager of helemaal geen beroepsinkomen hebben. De sociale zekerheidsbijdrage is dan een verzekering voor als je in die laagste positie zou terecht komen, mits je geen voorkennis hebt.

Het basisinkomen kan ook een deel van de pensioenuitkeringen en kinderbijslag vervangen. Maar net zoals ziekte is ouderdom een vorm van tegenslag die je verhindert om te werken en een hoger inkomen te verdienen. Met de sociale zekerheidsbijdrage zouden diegenen met een hoog beroepsinkomen een extra pensioenuitkering kunnen financieren, dat bovenop het basisinkomen komt. Dit is een verzekering tegen ouderdom, of een vorm van pensioensparen.

De sociale bijdrage is niet enkel een extra vervangingsinkomen voor als je door ziekte of ouderdom geen werk hebt. Zieken hebben vaak ook extra uitgaven (ziekenzorg, medicijnen,…) en moeten daarom een groter deel van hun inkomen besteden aan die extra uitgaven die een gezond persoon niet hoeft te maken. Ook voor dit nadeel moet de gezonde persoon aan de zieke een solidariteitsbijdrage betalen, wat opnieuw een vorm van verzekering is, gefinancierd met een inkomstenbelasting.

Verder zijn er nog individuen die niet in staat zijn om zelf geld te beheren, maar wel zorgbehoeften hebben: baby’s, kinderen, mentaal gehandicapten en dieren. Met een inkomensbelasting kan men zorginstellingen financieren voor deze doelgroepen: crèches, instellingen voor mentaal gehandicapten en opvangcentra voor zieke, gewonde en hongerige dieren.

Werkloosheidsuitkering

Naast het basisinkomen en een sociale zekerheid voor als men door ziekte of ongeval niet kan werken, is er nog een werkloosheidsuitkering mogelijk. Dat is enkel het geval als er sprake is van onvrijwillige werkloosheid, dus indien de arbeidsmarkt niet in evenwicht is en de vraag naar een job hoger is dan het aanbod, of meer concreet indien twee even capabele personen dingen voor dezelfde goedbetaalde job. Net zoals natuurlijke grondstoffen zijn ook jobs uitsluitbaar: als jij een goed betaalde job hebt, kan iemand anders die job niet meer hebben. Je sluit dus die andere persoon uit. Als die andere persoon die job wil en even capabel is als jij, zou je die persoon een vergoeding moeten betalen voor je exclusieve bezit van die job. Net zoals bij een grondwaarde is er dus een jobwaardebelasting mogelijk: een vorm van huur of vergoeding die een jobbezitter moet betalen voor het exclusieve toe-eigenen van een waardevolle job bij onvrijwillige werkloosheid. Die jobwaardebelasting zit in de beroepsinkomstenbelasting (of in de bijdrage voor de sociale zekerheid) en wordt enkel geheven bij onvrijwillige werkloosheid. Dat wil ook zeggen dat personen die wel werk hebben maar eigenlijk een waardevollere job willen en even capabel zijn als die jobbezitter, een vergoeding moeten krijgen. Dus deze vergoeding is niet enkel voor de werklozen, maar ook voor werkenden die een waardevollere job mogen en willen hebben.

Deze werkloosheidsuitkering en sociale zekerheid zijn een goede aanvulling op het basisinkomen. Het basisinkomen is altijd vanzelf financierbaar door belastingen op natuurlijke en overgeërfde rijkdommen. Een jobwaardebelasting levert voldoende op voor een extra werkloosheidsuitkering bij onvrijwillige werkloosheid. En de sociale zekerheid is een vorm van onpartijdige verzekering bij tegenslag (ziekte of ongevallen) die arbeid bemoeilijkt. Het basisinkomen is net zo hoog dat het niet kan aanzetten tot luiheid, want men moet werk leveren om de onbewerkte grondstoffen te bewerken tot iets waardevols. De werkenden moeten niet opdraaien voor de kosten van het financieren van een basisinkomen, want het basisinkomen wordt niet gefinancierd door een beroepsinkomstenbelasting. Vanuit de gelijkheidsgedachte is het basisinkomen een basisrecht waar iedereen in gelijke mate aanspraak op kan maken, want natuurlijke rijkdommen zijn van iedereen. Rijke mensen die veel geld verdienen omdat ze hard werken, krijgen hetzelfde basisinkomen als alle anderen.

Overheidsuitgaven voor publieke goederen en onderwijs

Naast het basisinkomen en uitkeringen van de sociale zekerheid zijn er nog andere belangrijke overheidsuitgaven, zoals die voor publieke goederen die niet-uitsluitbaar en niet-rivaliserend zijn. Bij dergelijke goederen hoeft het gebruik door de één niet ten koste van de ander te gaan. Denk aan defensie, politie, justitie en wetenschappelijk onderzoek. Hoe kunnen deze gefinancierd worden?

Allereerst zijn er publieke goederen met zogenaamde positieve externaliteiten voor de productie. Het bewerken van natuurlijke grondstoffen tot nuttige gebruiksgoederen voegt een waarde toe aan die grondstoffen: de toegevoegde waarde. Die toegevoegde waarde is het gevolg van geleverde arbeid en geïnvesteerd kapitaal. Maar publieke goederen dragen ook bij aan de toegevoegde waarde. Publieke goederen zoals een goed rechtsapparaat beschermen toegevoegde waarde, en wetenschappelijke ontdekkingen maken extra toegevoegde waardecreatie mogelijk. Het creëren en verkopen van iets met toegevoegde waarde werd mee mogelijk gemaakt door publieke goederen. De overheid heeft geïnvesteerd in publieke goederen, onder andere door subsidies voor wetenschappelijk onderzoek, en producten met toegevoegde waarden hebben een deel van hun toegevoegde waarde te danken aan die publieke goederen.

Een belasting op toegevoegde waarde kan dus begrepen worden als een vorm van vergoeding voor de overheidsinvesteringen in publieke goederen. Hetzelfde geldt voor bv. onderwijs. Dankzij onderwijs zijn er voldoende capabele personen die toegevoegde waarde kunnen creëren. Zonder goed onderwijs was veel toegevoegde waarde niet tot stand gekomen, omdat er dan niemand in staat was geweest om die toegevoegde waarde te creëren.

Naast een belasting op toegevoegde waarde zijn er nog andere financieringsbronnen voor investeringen in publieke goederen en onderwijs. Bedrijven profiteren ook van publieke goederen, dus een vennootschapsbelasting, roerende voorheffing en een belasting van meerwaarde op bv. aandelen kunnen geïnterpreteerd worden als vergoedingen voor de overheidsinvesteringen in publieke goederen.

Sommige overheidsinvesteringen in bv. gezondheidszorg, openbare domeinen of infrastructuur doen de waarde van grond toenemen. Een stuk bouwgrond dicht bij goede rioleringen, openbaar vervoer, groenvoorzieningen (bv. een goed onderhouden stadspark) en gezondheidsvoorzieningen krijgt door die nabijgelegen voorzieningen een hogere waarde (wat bv. een hogere verhuurprijs van de woning mogelijk maakt). Het belasten van de toename van de grondwaarde kan de overheidsinvesteringen in die voorzieningen financieren (volgens het Henry George theorema). Zo kan de aanleg van een nieuwe tramlijn in de stad de huurprijzen van nabijgelegen appartementen verhogen. Die toegenomen huurprijs kan belast worden, zodat de eigenaars van die appartementen een vergoeding betalen voor de waardetoename van hun appartementen door overheidsinvesteringen. Deze grondwaardebelasting zit momenteel verdoken in de onroerende voorheffing, maar om goed te werken als grondwaardebelasting zou het kadastraal inkomen herberekend moeten worden.

Investeringen in bv. wegeninfrastructuur (inclusief onderhoudskosten door slijtage) kunnen ook gefinancierd worden door bv. een kilometerheffing.

Ten slotte zijn er nog publieke goederen waarvoor de meeste personen wel bereid zijn om te betalen, maar waarbij er een risico is op free rider gedrag omdat die publieke goederen niet-uitsluitbaar en niet-rivaliserend zijn. Denk aan fundamenteel wetenschappelijk onderzoek (dat niet meteen kan zorgen voor een toegevoegde waarde bij productie) en cultuur (bv. het restaureren van historische gebouwen of het organiseren van publieke evenementen). Bij dergelijke publieke goederen is er een marktfalen omwille van free riders die wel kunnen genieten van het gerenoveerde historische gebouw of van de vrij beschikbare wetenschappelijke kennis, maar er niet voor betaalden. Dat marktfalen kan gecorrigeerd worden door overheidssubsidies. Die subsidies moeten gefinancierd worden met een inkomensbelasting (niet enkel op beroepsinkomsten, maar op alle inkomsten, inclusief bv. vermogenswinsten). Die inkomensbelasting is gerechtvaardigd omdat de meeste personen wel bereid waren een deel van hun inkomen uit te geven voor die publieke goederen.

Overige overheidskosten

Ongezonde consumptiegewoontes (bv. vet eten, alcohol en tabak) kunnen met accijnzen belast worden om de gezondheidskosten te dekken. En verder zijn er nog producten die negatieve externe kosten genereren, zoals vervuiling door giftige stoffen. Die giftige stoffen veroorzaken schade aan gezondheid en biodiversiteit. Men kan dan die vervuiling belasten, als schadevergoeding. Dit is een vorm van internaliseren van externe kosten. Zo kan de fijnstofuitstoot van het wegverkeer belast worden door bv. een slimme kilometerheffing die rekening houdt met het type wagen en de plaats van vervuiling.

Bepaalde vormen van financiële speculatie en financiële activiteiten kunnen nefast zijn voor de economie, waardoor de overheid gedwongen wordt om in te grijpen. Denk aan de reddingsoperaties (bail outs) van banken tijdens de financiële crisis. Belastingen van bepaalde financiële activiteiten en transacties (bv. een Tobin taks) gelden als schadevergoeding voor die dure reddingsoperaties.

Op deze manier kan men op een natuurlijke of logische wijze alle belangrijke vormen van overheidsuitgaven financieren met bepaalde belastingen. Alle uitgaven zijn altijd te financieren, als men maar de juiste dingen belast. Zo is een basisinkomen altijd te financieren door een belasting op natuurlijke en overgeërfde rijkdommen. Samen met werkloosheidsuitkeringen en sociale zekerheidsuitgaven kan men ervoor zorgen dat iedereen altijd voldoende kan hebben om in basisbehoeften te voorzien (zolang er geen overbevolking is). Iedereen, zelfs zieke werklozen, krijgen een inkomen, waardoor iedereen in staat zou moeten zijn om consumptiebelastingen zoals een btw en een CO2-taks te betalen.

Naast de sociale zekerheidsbijdragen, een jobwaardebelasting en belasting voor subsidies voor enkele publieke goederen worden beroepsinkomsten (arbeid) niet verder belast. In vergelijking met het huidige systeem is er dan een belastingverschuiving: minder belasting op arbeid en meer op natuurlijke rijkdommen. Dat levert vele winsten op.

Dit bericht werd geplaatst in Blog en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s