Waarom we dierenleed in de natuur moeten bestrijden

Er is veel dierenleed in de natuur: honger, ziektes, ongevallen, parasieten, roofdieren, gevechten,… We mogen het morele probleem van dierenleed in het wild niet onderschatten, want het gaat om triljarden dieren en intense ervaringen van pijn, angst en stress. Toch wordt dit probleem sterk genegeerd, zelfs door dierenactivisten die opkomen voor het welzijn en de rechten van dieren. Velen zijn tegen het idee om in te grijpen in de natuur om het welzijn van dieren te bevorderen. Maar de laatste jaren zien we een belangrijke kentering bij filosofen die het probleem willen aanpakken en het belang ervan aankaarten.[1]

Waarschijnlijk het grootste probleem in de natuur is r-selectie. Dit is een voortplantingsstrategie van veel diersoorten. De ‘r’ staat voor rate of growth van een populatie, een parameter die te maken heeft met het aantal nakomelingen dat een individu heeft. Die r-geselecteerde dieren hebben veel nakomelingen en slechts een zeer klein aantal van hen overleeft het tot hun reproductieve leeftijd waarop ze zichzelf kunnen voortplanten. Een vogel legt tijdens haar leven tientallen eitjes. Gemiddeld één ervan zal overleven tot volwassen, reproductieve leeftijd, want anders krijgen we een exponentiële bevolkingsexplosie van vogels. Voor elke fluitende vogel is er een veelvoud aan vogeltjes die een miserabel kort leven hebben gekend. De grote meerderheid van de pasgeboren dieren hebben zeer korte levens met veel negatieve ervaringen door honger, ziekten en predatie. Op het einde van hun korte leventje hebben ze een pijnlijke doodstrijd.

De kans is groot dat al dat leed niet opweegt tegen de paar positieve ervaringen die ze hebben in hun korte leven. Dus de kans op het hebben van een negatief levenswelzijn is hoog voor dieren die een r-selectie reproductieve strategie hebben. Een negatief levenswelzijn wil zeggen dat het beter was geweest om nooit geboren te zijn. Liever niet bestaan dan een bestaan leiden met zoveel leed. En aangezien de meeste dieren een r-selectie reproductieve strategie hebben, is de kans groot dat de meeste levens op aarde het niet waard zijn om geleefd te worden. Stel dat je zou reïncarneren en herboren worden als een willekeurig voelend wezen op aarde. De kans is groot dat je dan liever niet was herboren geweest.

Dit heeft zeer vergaande consequenties over hoe we ons ethisch moeten verhouden tegenover de allesbehalve idyllische wilde natuur. De natuur heeft een bijzonder slecht ontwerp dat ontzettend veel leed veroorzaakt. Is natuurbehoud wel zo goed als er zoveel dierenleed aan kleeft? Vanuit een effectief altruïstisch standpunt zouden we moeten beginnen met wetenschappelijk onderzoek hoe we op een veilige en doeltreffende manier kunnen ingrijpen in de natuur om het welzijn van alle dieren zo goed mogelijk te bevorderen. Net zoals er een academische discipline conservation biology bestaat die onderzoekt hoe we zo goed mogelijk aan natuurbehoud (biodiversiteitsbehoud) kunnen doen, zo is er het voorstel om een nieuwe academische discipline te starten: welfare biology die onderzoekt hoe we zo goed mogelijk het welzijn kunnen bevorderen.[2]

Het ironische is dat zelfs veel dierenactivisten – die tegen dominantie, discriminatie, vrijheidberoving en menselijk chauvinisme zijn – het idee afkeuren dat we zouden moeten ingrijpen in de natuur om het welzijn van dieren te bevorderen en dat die critici zich daarbij beroepen op argumenten die elementen bevatten van discriminatie, vrijheidberoving en chauvinisme. Die tegenstanders van interventies in de natuur willen de natuurlijke orde behouden. Zij beweren dat interventie in de natuur een soort menselijke dominantie of menselijk chauvinisme is dat botst met een dierenethiek. Ze beweren dat voorstanders van interventie een vorm van discriminerend, arrogant, antropocentrisch speciesisme hebben waarbij die voorstanders hun eigen menselijke waarden op de niet-menselijke natuur willen opleggen. Maar het omgekeerde is waar: die tegenstanders  – die beweren tegen arrogantie, chauvinisme en speciesisme te zijn – zijn zelf vastbaar voor het discriminerend, arrogant, antropocentrisch speciesisme. Ze maken daarbij enkele denkfouten en merken hun eigen speciesisme niet op.

Een veel gehoorde kritiek tegen het idee om in te grijpen in de natuur is dat we een onderscheid zouden moeten maken tussen leed veroorzaakt door mensen versus leed veroorzaakt door de niet-menselijke natuur. Het door mensen veroorzaakt leed zou dan moreel gezien een belangrijker probleem zijn. Vandaar dat we wel iets moeten doen tegen het dierenleed in de veeteelt maar niet tegen het dierenleed in de natuur (behalve als mensen de oorzaak zijn van dat dierenleed, bijvoorbeeld door milieuvervuiling of vernietiging van habitat voor wilde dieren).

Zelfs dierenactivisten die tegen antropocentrisme en speciesisme beweren te zijn, geven vaak dit argument. Dat is ironisch, want het argument verwijst letterlijk naar de mensensoort, door expliciet een onderscheid te maken tussen menselijke versus niet-menselijke oorzaken van leed. Een morele regel die expliciet naar iets menselijks verwijst, is een speciesistische regel. Maar voor een effectieve altruïst maakt dat onderscheid niets uit. Een altruïst kijkt naar wat de anderen, de slachtoffers, willen. En voor de slachtoffers maakt dat onderscheid niets uit. In het geval van dierenleed maakt het voor de lijdende dieren niet uit of dat leed veroorzaakt werd door een mens dan wel door de niet-menselijke natuur. Ze willen gewoon niet lijden.

Hetzelfde kunnen we zeggen over de beschuldiging van arrogantie en chauvinisme: de tegenstanders die tegen het ingrijpen in de natuur zijn, hebben zelf een vorm van chauvinisme of arrogantie. Ze zijn namelijk tegen interventie omdat ze de natuurlijkheid of de biodiversiteit van de natuur willen behouden. Daarmee leggen ze hun eigen waarden (dat natuurlijkheid goed is, dat we niet voor God mogen spelen, dat biodiversiteit een morele waarde heeft) op aan de slachtoffers, de wilde dieren, op een manier die de slachtoffers niet willen. Die tegenstanders zijn van mening dat wat ze willen (hun eigen voorkeuren en waarden) belangrijker is dan wat al die lijdende dieren willen. Dat is niet bepaald altruïstisch. De voorstanders van interventie zijn niet arrogant als ze willen wat de anderen (de slachtoffers, de dieren) willen. Ze zijn vooral gericht op wat de anderen willen en denken niet dat hun eigen voorkeuren en waarden belangrijker zijn dan die van de slachtoffers in de wereld.

Dus de tegenstanders van interventie willen natuurlijkheid (de integriteit van het ecosysteem, de natuurlijke schoonheid, de biodiversiteit, de natuurlijke processen) respecteren terwijl de voorstanders de voorkeuren van de slachtoffers (het welzijn, de vrijheid, de autonomie) willen respecteren. De tegenstanders waarderen natuurlijkheid, de voorstanders waarderen welzijn. Het verschil tussen de tegenstanders en de voorstanders is dat de tegenstanders vooral streven naar wat ze zelf willen: de natuur zelf heeft geen voorkeuren en interesseert zich niet in diens natuurlijkheid of biodiversiteit. Ecosystemen zijn niet bezorgd om hun eigen integriteit of biodiversiteit omdat de ecosystemen geen bewustzijn hebben om die natuurlijkheid, integriteit of biodiversiteit te ervaren. Biodiversiteit en integriteit zijn geen voorkeuren van natuurgebieden, omdat natuurgebieden niet in staat zijn om iets te waarderen, ze zijn zich niet bewust van wat dan ook. Aan de andere kant, als een effectieve altruïst waarde toekent aan het welzijn van iemand anders (bijvoorbeeld een wild dier), is er wel altijd iemand anders (namelijk dat wilde dier), die ook dat welzijn waardeert.

Eigenlijk komt het erop neer dat een tegenstander van interventie de eigen esthetische smaakvoorkeur laat primeren boven het welzijn van anderen. De keuze om de natuurlijkheid, integriteit of schoonheid van de natuur te respecteren is een esthetische smaakvoorkeur. Het laten primeren van de eigen voorkeuren boven die van anderen is een vorm van egoïsme, chauvinisme of arrogantie.

De houding van de tegenstanders is ook een vorm van discriminatie of speciesisme, want ze zijn niet geneigd om hun eigen voorkeuren te laten primeren wanneer een mens slachtoffer is. Als mensen slachtoffer zijn van niet-menselijk schade, bijvoorbeeld als kinderen worden aangevallen door een roofdier of geïnfecteerd worden door parasieten, dan gaan de tegenstanders zich niet beroepen op drogredenen zoals: “Wat de leeuw met die kinderen doet is natuurlijk en daarom moreel toegelaten, want een leeuw heeft geen morele verantwoordelijkheid. Als we kinderen genezen van parasieten, dan zal dat leiden tot onvoorziene gevolgen en meer problemen in de toekomst, zoals een overpopulatie van mensen en een verstoring van natuurlijke evenwichten. Kinderen moeten toch aan iets sterven. We hoeven dit kind niet te helpen want we kunnen onmogelijk alle kinderen beschermen tegen de natuur. Het haalt niets uit om dit ene kind te redden want er zijn zoveel kinderen die sterven door de natuur. We moeten de natuur haar gang laten gaan. Een leeuw heeft nu eenmaal vlees nodig, dus als we deze kinderen beschermen, zal de leeuw sterven van de honger.”

De tegenstanders van interventie beweren vaak dat een interventie de autonomie of zelfbeschikking van dieren schendt. Niets is minder waar: de interventies zijn net bedoeld om de autonomie en vrijheden van dieren te verhogen. Een dier dat niet meer kan rondwandelen door ziekte, verliest vrijheid. Een prooi die vastgegrepen wordt in de klauwen van een roofdier, verliest al haar autonomie. De lichamelijke zelfbeschikking van die prooi wordt geschonden als diens lichaam tegen diens wil in wordt gebruikt door een roofdier.

Ook de bewering van tegenstanders dat interventies nog nooit positieve resultaten hebben opgeleverd voor de dieren is fout. Het gaat hier om interventies die het welzijn en de autonomie van de dieren verhogen, niet om interventies om de natuur naar onze hand te zetten voor onze eigen doelen. Slechts een paar van onze interventies hadden als doel het welzijn van de slachtoffers, de dieren, te bevorderen. Van die interventies is er geen bewijs dat ze meer kwaad dan goed deden. En met betere wetenschappelijke kennis kunnen we die interventies nog sterk verbeteren.

De ethiek van tegenstanders van interventie bevat vele inconsistenties. Een roofdier gebruikt de lichamen van vele prooien tegen hun wil in. Vele prooien worden gedood en diens spierweefsels worden opgenomen in het lichaam van het roofdier, met als doel het overleven van het roofdier. Maar die noodzaak, het overleven, is geen voldoende reden om anderen te doden en te gebruiken, want de meeste tegenstanders van interventie zijn van mening dat we niet een persoon mogen opofferen om diens organen (nieren, lever, hart, longen,…) te gebruiken om de levens van meerdere patiënten te redden als er in het ziekenhuis een orgaantekort is. Voor die patiënten zijn die organen nochtans even levensnoodzakelijk als het vlees voor een roofdier.

Wat kunnen we dan doen om het dierenleed in de natuur aan te pakken? Wat is de meest effectieve strategie? Allereerst moeten we de situatie goed in kaart kunnen brengen: hoeveel leed is er? Wie lijdt er? Kunnen insecten voelen? Neurologisch en psychologisch onderzoek naar het bewustzijn en de gevoelens van dieren is een eerste zeer effectief goed doel om te steunen.

Vervolgens is het onderzoek in welfare biology belangrijk om te achterhalen hoe we op een veilige en doeltreffende manier kunnen ingrijpen in de natuur om het welzijn van dieren te bevorderen. Van zodra we doeltreffende interventies en technologieën hebben gevonden, kunnen we die voor de rest van de toekomst inzetten waardoor we het dierenleed van duizenden generaties na ons kunnen aanpakken. En aangezien elke generatie bestaat uit triljarden dieren, kan dat onderzoek een heel grote positieve impact hebben. We kunnen nu nog niet zeggen welke technologieën het beste gaan zijn. Maar sommige filosofen denken aan bijvoorbeeld het introduceren van gevoelloze ‘prooidieren’ (zelfreproducerende rondlopende robotten met kweekvlees) voor roofdieren om de voelende prooidieren te vrijwaren, immunocontraceptie via vaccinatie om overpopulaties te vermijden en genetische manipulatie met gene drives om de r-selectie reproductieve strategie te verminderen.

Maar eigenlijk is het gebrek aan wetenschappelijk onderzoek en haalbare technologieën niet het grote probleem. Het grote probleem zijn onze morele illusies of cognitive bias waardoor we foutieve spontane oordelen vellen tegen interventie in de natuur en we niet geneigd zijn om dat wetenschappelijk onderzoek te starten. Het overwinnen van onze morele illusies is dan misschien het belangrijkste wat we eerst zouden moeten doen. En daarvoor hebben we wetenschappelijk onderzoek in de psychologie nodig. Het ‘debiasen’, het rationeler maken van onze opvattingen, is de heilige graal in de psychologie.

Het thema van dierenleed in het wild is een mijnenveld van morele illusies, en aangezien deze morele illusies de grootste obstakels zijn in het bestrijden van dierenleed, loont het de moeite om hier enkele morele illusies te bespreken, toegepast op het dierenleed in de natuur.

Naturalisme

Het dierenleed in de natuur wordt vaak gerechtvaardigd met het argument dat het natuurlijk zou zijn. Het eerste probleem is dat niemand weet wat ‘natuurlijkheid’ precies betekent. Het is een heel vaag begrip dat voor vele interpretaties vatbaar is. Als ‘natuurlijk’ gewoon ‘niet veroorzaakt door mensen’ betekent, dan bekomen we een vorm van speciesisme. Dat is een vorm van ongewenste willekeur, want wat maakt het uit of een mens al dan niet de oorzaak is van leed? Waarom zou enkel het leed veroorzaakt door mensen onverantwoord zijn, en niet bijvoorbeeld enkel het leed veroorzaakt door vrouwen, door zwarten, door primaten, door zoogdieren? Als ‘natuurlijk’ hetzelfde is als ‘gebeurt in de natuur’, dan zijn vele vormen van geweld ook natuurlijk.

Zelfs als we goed weten wat natuurlijkheid betekent, dan stuiten we nog op het tweede probleem, namelijk dat er geen logisch verband is tussen wat natuurlijk is en wat goed of toegelaten is. Mag een leeuw een kind aanvallen omdat dat natuurlijk gedrag is? Als er geen logisch verband is, is er opnieuw willekeur. Neem de verzameling van alle soorten processen: natuurlijke, onnatuurlijke, pijnlijke, trage …. Waarom zouden de natuurlijke processen toegestaan zijn en niet bijvoorbeeld alle onnatuurlijke (kunstmatige) processen, alle opzettelijke processen, alle trage processen of alle pijnlijke processen?

Status quo bias

Status-quo bias[3] is het oordeel dat de huidige situatie beter is dan de mogelijke alternatieven, zonder dat men geldige redenen kan geven om dit oordeel te rechtvaardigen. In het geval van dierenleed in de natuur is status quo bias aan het werk wanneer men gelooft dat de huidige toestand en werking van ecosystemen optimaal is in termen van een morele waarde zoals dierenwelzijn.

Een methode om de status quo bias te detecteren, is de omkeringstest.[4] De huidige toestand van een ecosysteem wordt bepaald door een aantal parameters zoals het niveau van predatie, de mate van competitie of de hoeveelheid biodiversiteit. Predatie en competitie veroorzaken dierenleed. Wat gebeurt er als we deze niveaus verlagen, bijvoorbeeld door het verminderen van het aantal roofdieren? Tegenstanders van interventie geloven dat deze vermindering niet goed is omdat de concurrentiedruk en natuurlijke selectie goed zijn voor de populaties van prooidieren. Dankzij de roofdieren kennen de prooidieren geen overpopulatie en overleven de gezondste, snelste en meest wendbare prooidieren.  De tegenstanders van interventie geloven dat predatie en concurrentiedruk  het welzijn van de prooidieren ten goede komt.

Bij de omkeringstest moeten we ons de vraag stellen hoe het zit met de omgekeerde interventie: is het goed om extra roofdieren en extra concurrentiedruk te introduceren?  Zou dat het welzijn bevorderen?  Tegenstanders van interventie beschouwen dit als een slecht idee: extra roofdieren wil zeggen dat er meer prooidieren onder druk komen te staan. Er zullen meer prooidieren aangevallen worden en dat veroorzaakt extra leed.

Dat wil zeggen dat de tegenstanders geloven dat het huidige niveau van de predatie en competitie precies dat niveau is waarbij het dierenwelzijn maximaal is. Maar het is niet duidelijk waarom dit het geval zou moeten zijn, omdat de natuur (een ecosysteem of een natuurlijk proces) niet gericht is op het maximaliseren van het welzijn. Evolutie is een blind proces en interesseert zich niet in welzijn. Het zou wel erg toevallig zijn dat de huidige niveaus van predatie, competitie en biodiversiteit precies die niveaus zijn waarbij het dierenwelzijn optimaal is. Je kunt het vergelijken met een topografische kaart met bergen en dalen. Als je een willekeurige plek aanwijst op die kaart, is de kans zeer klein dat je een bergtop hebt aangewezen.

Het kan de natuur niet schelen hoe snel een dier kan reageren en weglopen. Als de natuur geen waarde toekent aan reactiesnelheid of wendbaarheid, wie vindt dat dan wel belangrijk? Waarom zou reactiesnelheid belangrijker dan welzijn? Misschien waardeer jij snelheid en zie je liever een wereld waarin de dieren zeer snel zijn. Dan geef je een voorkeur aan predatie omdat dan de snelste dieren worden geselecteerd. Maar stel dat ik op dezelfde manier lichaamsgrootte waardeer: ik wil een wereld met grotere dieren, dus ik begin met het doden van de kleinste dieren zodat er een evolutionaire selectiedruk is richting grotere dieren. Zou dat een goede zaak zijn? Noch de natuur, noch de dieren zelf waarderen snelheid of lichaamsgrootte. Welzijn is de enige eigenschap die wordt gewaardeerd of de voorkeur geniet van ten minste één iemand, namelijk het voelende wezen zelf. We mogen niet onze eigen esthetische voorkeur voor snelheid of onze fascinatie voor de kleuren, lichaamsvormen en vermogens van dieren laten primeren boven de belangrijkere voorkeuren en vitale behoeften van de slachtoffers.

Omvangverwaarlozing

Een andere morele illusie die een rol speelt in het oordeel dat predatie toelaatbaar is, is omvangverwaarlozing (scope neglect): de verwaarlozing van het aantal slachtoffers. Als mensen denken aan predatie, zien ze een dier dat een ander dier doodt. Een leven voor een leven: ofwel zal het roofdier verhongeren ofwel zal de prooi gedood worden. Beide opties zijn even slecht. Maar in de loop van zijn leven doodt een roofdier veel prooidieren. Is het leven van een roofdier meer waard dan het leven van honderden prooidieren?

Overlevendenselectie

Overlevendenselectie (survivorship bias) is een veel voorkomende denkfout. Dierenartsen stonden voor een raadsel: het blijkt dat katten die van lager dan zes verdiepingen vallen minder verwondingen vertonen dan katten die van hoger dan zes verdiepingen vallen. Misschien komt dat omdat katten die van een hogere verdieping vallen meer tijd hebben om zich tijdens de val om te draaien en netjes op de poten te landen? Nee, de verklaring is eenvoudiger: de katten die van hogere verdiepingen vallen, overleven het meestal niet. De dierenarts krijgt die dode katten niet te zien.

Als we denken aan dieren in de natuur, denken we aan de overlevende dieren en niet aan de vele dieren die een heel kort leven vol leed hebben. Een vogel legt tijdens haar leven tientallen eitjes waarvan er slechts één het overleeft. De tientallen kuikentjes die het niet overleefden, kregen we niet te zien, want die zijn opgegeten door roofdieren of wormen. Als we dan enkel de volwassen, fluitende vogels te zien krijgen, denken we ten onrechte dat het wel meevalt met het dierenleed in de natuur.

Rechtvaardige wereld denkfout

De rechtvaardige wereld denkfout (just world hypothesis) is het geloof dat de wereld (de natuur) goed is en dat de slachtoffers in feite schuldig zijn, alsof de wereld een onzichtbare morele kracht heeft die het morele evenwicht herstelt.[5] Bij het probleem van dierenleed door predatie zien we deze rechtvaardige wereld denkfout aan het werk. Die morele illusie creëert de overtuiging dat predatie rechtvaardig en moreel goed is, want zonder predatie zouden de prooidieren de controle over hun vruchtbaarheid verliezen en gaan concurreren met elkaar door overpopulatie, de zwakke prooidieren zullen zich ook voortplanten en een verzwakking van de hele bevolking veroorzaken en de zieke prooidieren zullen andere dieren besmetten. Het is alsof de prooidieren geen onschuldige slachtoffers van predatie zijn, alsof de pijnlijke dood door roofdieren de verdiende straf is van de zieke, zwakke en concurrerende prooien. Dit is een morele illusie omdat we nooit zoiets zouden denken als onze familie, vrienden of andere mensen de prooidieren waren.

De bovenstaande morele illusies zijn slechts een paar voorbeelden die interfereren met onze oordelen over dierenleed in de natuur. Samen creëren ze een cluster van morele illusies die resulteert in het verwaarlozen of ontkennen van het probleem van dierenleed in de natuur. Dit leed, en onze potentiële mogelijkheden om dit leed te verminderen, mogen we niet onderschatten.

[1] Faria, C. (2016). Animal Ethics Goes Wild: The Problem of Wild Animal Suffering and Intervention in Nature (Ph.D.). Universitat Pompeu Fabra.

Horta, O. (2010). Debunking the Idyllic View of Natural Processes: Population Dynamics and Suffering in the Wild. Télos 17 (1): 73–88.

Tomasik, B. (2015). The Importance of Wild-Animal Suffering. Relations. Beyond Anthropocentrism 3 (2): 133–152.

Pearce, D. (2015). A Welfare State For Elephants? A Case Study of Compassionate Stewardship. Relations. Beyond Anthropocentrism. 3(2): 153–164.

McMahan, J. (2013). The Moral Problem of Predation. In Chignell, A.; Cuneo, T. & Halteman, M. Philosophy Comes to Dinner: Arguments on the Ethics of Eating. London: Routledge.

[2] Ng, Y.-K. (1995). Towards Welfare Biology: Evolutionary Economics of Animal Consciousness and Suffering. Biology and Philosophy 10 (3): 255–285.

[3] Kahneman D., Knetsch J. L. & Thaler, R. H. (1991). Anomalies: The Endowment Effect, Loss Aversion, and Status Quo Bias. Journal of Economic Perspectives 5 (1): 193–206.

[4] Bostrom N. & Ord T. (2006). The reversal test: eliminating status quo bias in applied ethics. Ethics 116 (4): 656–679.

[5] Lerner M.J. (1980). The Belief in a Just World: A Fundamental Delusion. Plenum: New York.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Artikels, Blog en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op Waarom we dierenleed in de natuur moeten bestrijden

  1. Pingback: Nieuwe keuzes die ik maakte door het effectief altruïsme | Stijn Bruers, the rational ethicist

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s