Boekbespreking De Olijke Atheïst

De Olijke Atheïst is het sluitstuk van een trilogie waarbij Floris Van den Berg drie blinde vlekken bespreekt. Ten eerste hebben mensen die vlees eten een morele blinde vlek die besproken wordt in het boek De Vrolijke Veganist. Die blinde vlek geldt zeker ook voor vleesetende humanisten en liberalen, die toch beter zouden moeten weten dat ze hun morele regel om anderen niet te schaden niet consistent toepassen als ze louter omwille van hun smaakgenot de lichamen van anderen – bijvoorbeeld het spierweefsel van kippen – voor zichzelf claimen op een manier dat die anderen helemaal niet willen.

Ten tweede hebben mensen die geen kritiek hebben op expliciete vrouwenonderdrukking in sommige culturen, in het bijzonder binnen de Islamitische culturen, ook een morele blinde vlek die besproken wordt in het boek De Vrolijke Feminist. Deze blinde vlek geldt zeker ook voor westerse, anti-islamofobe feministes, die toch beter zouden moeten weten dat ze hun morele regel om mannen en vrouwen gelijkwaardig te behandelen niet consistent toepassen door hun afkeer van Islamkritiek en hun tolerantie van de vrouwonvriendelijke Islam.

En ten derde hebben gelovigen die geloven in onwetenschappelijke of bovennatuurlijke entiteiten een intellectuele blinde vlek die besproken wordt in het derde boek van de trilogie: De Olijke Atheïst. (De titel “De Vrolijke Atheïst” was al in gebruik door Jean Paul van Bendegem.) Deze blinde vlek geldt zeker ook voor de geschoolde en de hoger opgeleide gelovigen die op school of aan de universiteit toch voldoende kritisch denken zouden moeten hebben ontwikkeld om in te zien dat ze hun kennistheoretische regels niet consistent toepassen. Die kennistheoretische regels zijn bijvoorbeeld dat buitengewone beweringen (zoals het bestaan van een almachtige God) buitengewoon bewijs vereisen, dat inconsistente entiteiten (zoals een almachtige algoede schepper van een wereld waarin kwaad geschiedt) niet kunnen bestaan en dat we niet zomaar naar willekeur het bestaan van extra entiteiten moeten aannemen als we de wereld (alles wat we empirisch kunnen vaststellen) kunnen verklaren of begrijpen zonder die entiteiten.

Deze laatste kennistheoretische regel is Ockhams scheermes. Het is de reden waarom een gelovige weigert om in miljarden denkbare bovennatuurlijke entiteiten te geloven. Een Christen bijvoorbeeld weigert om in het bestaan van Vishnu, Osiris, Zeus, Tohr, Iluvatar, Allah, Quetzalcoatl en de vele andere denkbare goden te geloven. Alleen past die Christen dat zuinigheidsprincipe van Ockham niet consistent toe en gelooft hij of zij toch nog naar willekeur in een bepaalde godheid.

Wat deze trilogie van Floris Van den Berg uniek maakt, is het gebrek aan politieke correctheid. Van den Berg zegt openlijk wat waar is, zonder daarbij rekening te houden met de vorm van de boodschap. Het gaat bij hem in deze boeken althans enkel om de inhoud. Die inhoud is dus regelmatig verpakt in een politiek incorrecte vorm die voor anderen kwetsend of ineffectief kan overkomen. De inhoud is nochtans wel correct, in de zin dat de gekwetste lezer zelf wel tot die conclusie zou komen als hij of zij de eigen morele en kennistheoretische regels correct toepast.

De duidelijkste voorbeelden zijn de uitspraken dat vleeseters immorele monsters zijn (in De Vrolijke Veganist) en dat godsgelovigen naïeve dommeriken of epistemologische uilskuikens zijn (in De Olijke Atheïst). Deze uitspraken zullen vleeseters en godsgelovigen niet meteen overtuigen om veganist of atheïst te worden. Maar het gaat bij van den Berg hier even niet om het kiezen van de meest effectieve communicatiestrategie om de tegenpartij te overtuigen. Het gaat om wat het geval is, om de inhoud. Het punt is dat als die vleeseters en godsgelovigen consistent zouden zijn, ze zelf ook tot die conclusie zouden komen dat vleeseters immorele monsters zijn en godsgelovigen naïeve dommeriken zijn. Ze vinden het zelf, als ze er goed over zouden nadenken.

Vraag maar eens aan een vleeseter wat immorele monsters zoal doen. Stel bijvoorbeeld iemand die voor het plezier honden, katten en baby’s doodt en opeet, en die baby’s ook nog eens zonder verdoving castreert zodat dat babyvlees ietsje beter smaakt, en die honden ook nog eens doorfokt op extra zware spiergroei, en die katten ook nog eens kunstmatig zwanger maakt, na de bevalling de kittens wegneemt en doodt, om zo de kattenmelk op te vangen en er kattenkaas van te maken. Als dat geen immoreel monster is, wat dan wel? Het argument dat je koeien, kippen en varkens niet kunt vergelijken met honden, katten en baby’s, houdt geen steek, want dat onderscheid tussen de eetbare voelende wezens en de niet-eetbare voelende wezens is louter willekeur.

Zo ook kunnen we aan bijvoorbeeld een Christen vragen in wat naïeve dommeriken zoal geloven. In een stokoude Sinterklaas die midden in de winter met lange baard, vreemde kledij, een paard en zwarte slaven in één nacht tijd miljoenen spekgladde daken beklimt om speelgoed en lekkers te droppen door schoorsteenpijpen? In Osiris, omdat er lang geleden iemand wat tekeningen heeft gekerfd in grote stenen? In onzichtbare tuinkabouters? In oude verhaaltjes en sprookjes? Als het geloof in dergelijke zottigheden geen vorm van naïeve domheid is, wat dan wel? Het argument dat je Osiris, tuinkabouters en Sinterklaas en zwarte piet niet kunt vergelijken met God, engelen en Adam en Eva, houdt geen steek, want dat onderscheid tussen die onwetenschappelijke of bovennatuurlijke entiteiten en sprookjesfiguren is louter willekeur.

Hoewel het boek al wel behoorlijk veel gedurfde, politiek incorrecte uitspraken doet, zijn er nog enkele gemiste kansen. Een voorbeeld is de jongensbesnijdenis. Van den Berg haalt als anekdote een TV-programma aan waaraan hij deelnam. In dat programma Rot op met je religie zat hij naast een jodin die jongensbesnijdenis ‘een mooi ritueel’ vond, waarop van den Berg snauwde: “Je blijft met je poten van kinderen af!” De kijkers zullen de reactie van van de Berg waarschijnlijk niet sympathiek gevonden hebben en niet goed kunnen duiden. Maar in de stijl van van den Berg kunnen we hier een vergelijking maken met een andere praktijk waardoor de reactie van van den Berg wel duidelijk wordt: pedofilie. Bij zowel jongensbesnijdenis als pedofilie worden de geslachtsorganen van een baby gemanipuleerd door een volwassene, op een manier dat die baby niet wil. Het enige verschil is dat het bij pedofilie gaat om seksueel genot van de volwassene terwijl het bij besnijdenis gaat om een vorm van bijgeloof van de volwassene (dat er een onwaarneembare entiteit zou bestaan die opdraagt om de geslachtsorganen van jongens pijnlijk te manipuleren). Nu lijkt het me onmogelijk om te beargumenteren dat het motief bij besnijdenis, namelijk het bijgeloof, de ongewenste manipulatie van de geslachtsorganen van minderjarigen wel rechtvaardigt, terwijl het motief bij pedofilie, namelijk het seksueel genot, geen rechtvaardiging is. Als een jood kan zeggen dat besnijdenis een mooi ritueel is, dan kan een pedofiel ook zeggen dat babyseks een mooi ritueel is. En omgekeerd, als we vinden dat pedofilie pervers is, dan moeten we ook vinden dat besnijdenis pervers is. Of zoals van de Berg het zou kunnen zeggen: jongensbesnijders zijn bijgelovige pedofielen.

Voor sommigen zal de directheid en het gebrek aan politieke correctheid in De Olijke Atheïst leuk en verrassend zijn om te lezen. Anderen zullen waarschijnlijk aanstoot nemen aan de controversiële uitspraken. De Olijke Atheïst laat alvast wel toe om verder na te denken en de ideeën verder te ontwikkelen. Zo kunnen we bijvoorbeeld de analogie tussen atheïsme en veganisme verder uitwerken. Van den Berg stelt in zijn boeken dat atheïsme en veganisme respectievelijk de intellectuele en morele nullijnen zijn. Het atheïsme verwerpt elk religieus geloof in bepaalde bovennatuurlijke entiteiten, zonder willekeurige uitzonderingen. Het veganisme verwerpt elk schadelijk gebruik van bepaalde welzijnsgevoelige wezens, zonder willekeurige uitzonderingen.

Religieus geloof staat tegenover redelijk geloof. Het redelijk geloof dat jij als natuurlijke entiteit bestaat is iets helemaal anders dan het religieus geloof dat God als bovennatuurlijke entiteit bestaat. Bij religieus geloof gaat het om een soort van gevoelsmatige overtuiging of onweerlegbaar, blind vertrouwen dat iets bestaat zonder dat er redelijke aanwijzingen of bewijzen voor zijn. Bij redelijk geloof heeft men nagedacht en is men tot de voorlopige conclusie gekomen dat iets bestaat op basis van het voorlopige empirische bewijs. In de natuurlijke entiteiten waarvan het bestaan door de natuurwetenschappen en de empirische, wetenschappelijke methode te achterhalen is, kunnen we wel redelijk geloven, en een religieus geloof in die natuurlijke entiteiten is dan eigenlijk zinloos of overbodig geworden. “Als je God kunt bewijzen, hoef je niet te geloven.” (OA, p.286)

Schadelijk gebruik staat tegenover onschadelijk gebruik. Het onschadelijk gebruik van het eten van planten is iets helemaal anders dan het schadelijk gebruik bij het eten van welzijnsgevoelige dieren. Het schadelijk gebruik van welzijnsgevoelige wezens houdt in dat men hun lichamen gebruikt als middel voor de doelen van anderen, op een manier dat die welzijnsgevoelige wezens helemaal niet willen. Wezens die niet welzijnsgevoelig zijn, hebben geen wil en kan men dus ook niet tegen hun wil in gebruiken. Het doden en eten van planten of het bewerken en wissen van computerbestanden zijn bijvoorbeeld geen vormen van schadelijk gebruik van planten en computers, want planten en computers hebben niet eens een bewustzijn en dus geen wil. Een wezen dat niet welzijnsgevoelig is, kan men niet schadelijk gebruiken.

Het schadelijk gebruik van een willekeurige verzameling van welzijnsgevoelige wezens is analoog aan het religieus geloof in een willekeurige selectie van bovennatuurlijke entiteiten. Het feit dat een schadelijk gebruik van welzijnsongevoelige wezens onmogelijk is, is analoog aan het feit dat een religieus geloof in een natuurlijke entiteit absurd is.

Wat een religieus gelovige eigenlijk doet, is een willekeurige verzameling nemen van bovennatuurlijke entiteiten waarin men gelooft. Men gelooft bijvoorbeeld in God en engelen, maar niet in andere denkbare bovennatuurlijke entiteiten die even onwaarschijnlijk zijn. Wat een vleeseter eigenlijk doet, is een willekeurige verzameling nemen van welzijnsgevoelige wezens wiens lichamen men tegen hun wil in gebruikt als middel voor de eigen doelen. Men eet bijvoorbeeld wel koeien en kippen, maar niet andere wezens die even welzijnsgevoelig zijn. Een gelovige is een inconsistente atheïst, want hij of zij weigert te geloven in vele bovennatuurlijke entiteiten van andere godsdiensten. Een vleeseter is een inconsistente veganist, want hij of zij weigert het eten van honden, katten en baby’s. In het wereldbeeld van een gelovige zit willekeur, in het ethisch systeem van een vleeseter zit willekeur. Als we die willekeur vermijden, komen we uit op de intellectuele en morele nullijnen.

Bij zowel religie als vleesconsumptie is er sprake van een vorm van kindermishandeling. Godsdienstig onderwijs is een vorm van indoctrinatie. Neem de meest gelovige Christen, en vraag hem of haar of het ok was geweest als hij of zij door ouders en leerkrachten enkel maar onderwezen werd in de Islam, zodat men rotsvast in Allah in plaats van in God was gaan geloven. Die Christen zou dus geïndoctrineerd worden tot een geloof in de verkeerde god. Als die Christen het geloof in de Christelijke God zo belangrijk zou vinden, gaat die Christen helemaal niet graag willen geïndoctrineerd worden tot het foutieve geloof. Die Christen gaat niet willen dat alle kinderen enkel nog maar over de Islam zouden leren. Die Christen gaat spreken van kindermishandeling wanneer alle kinderen zo hard misleid en belogen zouden worden, wanneer die kinderen niets leren over de ware Christelijke God. Een diepgelovige moslim gaat natuurlijk hetzelfde denken van Christelijk onderwijs. Elke godsgelovige gaat telkens zeggen dat er telkens godsdienstig onderwijs is dat kindermishandeling is. Het logische gevolg is dat een seculier onderwijs de enige onderwijsvorm is zonder dergelijke kindermishandeling.

Hetzelfde geldt in mogelijks nog sterkere mate bij de vleesconsumptie. Vraag maar aan een hardnekkige vleeseter of het goed was geweest als hij of zij in de kindertijd door zijn of haar ouders gedwongen werd om honden, katten en baby’s te eten, zodat men het eten van die welzijnsgevoelige wezens normaal en lekker zou gaan vinden. Die vleeseter zou dan iets doen dat botst met de eigen morele waarden, en daardoor een cognitieve dissonantie krijgen. Die persoon gaat dan zichzelf wat wijs maken, bijvoorbeeld dat honden niet pijngevoelig zijn, dat babyvlees noodzakelijk is voor een goede gezondheid, dat het doden van baby’s toegelaten is omdat het in de natuur (bijvoorbeeld bij leeuwen) ook gebeurt. Wil een vleeseter graag dergelijke cognitieve dissonantie waardoor men zichzelf wat gaat wijsmaken en men welzijnsgevoelige wezens gaat eten die men volgens de eigen morele waarden niet had mogen eten? Wil men graag door de ouders zo sterk misleid worden dat men bijvoorbeeld kannibalisme of hondenvleesconsumptie gaat goedkeuren en actief steunen? Nee, natuurlijk niet. Als ouders dode honden en baby’s op het bord van de kinderen leggen, is dat kindermishandeling. Maar waarom dan wel varkens en kippen op het bord leggen? Een kind voelt geen weerstand bij het breken van een wortel, maar wel een emotionele weerstand bij het breken van de nek van een kip. Dat zegt iets over de waarden van het kind. Het logische gevolg is dat een volwaardige veganistische voeding de enige voeding is zonder kindermishandeling.

Er is nog een analogie tussen atheïsme en veganisme. Van religie denkt men vaak dat het de basis is voor de moraal en de zingeving. Zonder God zou alles geoorloofd zijn en zou niets nog zin hebben. Van de veeteelt denkt men vaak dat het noodzakelijk is voor een volwaardige voeding en een duurzame landbouw. Zonder landbouwdieren zouden we noodzakelijke voedingsstoffen missen en zouden we de akkers niet vruchtbaar kunnen houden met mest. Er bestaan nochtans veel ethische atheïsten (bijvoorbeeld effectief altruïsten), zingevende atheïsten (bijvoorbeeld humanisten), gezonde veganisten (bijvoorbeeld vegan topsporters) en duurzame diervrije landbouw (veganistische landbouw).

Om te eindigen wil ik nog even de moeilijkste kwestie aanhalen: het recht op vrije meningsuiting, en in het bijzonder het recht om te beledigen. Voor van den Berg is het duidelijk: extreme beledigingen zijn toegelaten, oproepen tot haat en geweld niet, omwille van het niet-schaden principe. Nu worden beledigingen ook als schadelijk beschouwd door diegenen die zich sterk beledigd voelen. Sommige beledigingen zijn vormen van verbaal pesten, en die kunnen zelfs leiden tot zelfdodingen. Of een uitbater van een winkel kan zijn klanten verliezen als hij publiekelijk sterk beledigd of verbaal vernederd wordt. Dat is inkomensderving.

Van den Berg heeft veel kennis van denkfouten die vaak voorkomen in debatten, zoals de stroman drogreden waarbij men de standpunten van de tegenpartij vervormt tot een eenvoudig aan te vallen ‘stroman’. Hier wil ik het omgekeerde doen: de staalman. Hoewel ik nog niet overtuigd ben van het standpunt van van den Berg, wil ik zijn standpunt versterken en dan kijken in hoeverre die staalman aan te vallen is.

We kunnen schade opvatten als alles wat een slachtoffer niet graag heeft. Dan bestaat er fysieke schade, bijvoorbeeld bij fysiek geweld, en emotionele schade, bijvoorbeeld bij een belediging waar het slachtoffer gevoelig aan is. Bij schade hebben we gradaties, waarbij de ene vorm erger is dan de andere. Het is dan niet eenvoudig om een niet-willekeurige grens te trekken en te zeggen dat de schade die binnen die grens valt nog wel te aanvaarden is. Dit is een probleem van een hellend vlak. Dus ofwel laten we alle vormen van schade toe, wat onwenselijk is, ofwel geen enkele, wat ook onhaalbaar en onwenselijk is. Of we kunnen het volgende doen: we proberen de verzameling van schadelijke handelingen onder te verdelen in deelverzamelingen die wel duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn. Een voorbeeld is het onderscheid tussen lichamelijke schade door lichamelijk geweld zoals een vuistslag versus emotionele schade door verbaal geweld zoals een belediging. We kunnen kijken naar de verdeling van de ernst van die twee vormen van schade, en dan zou het best kunnen dat de lichamelijke schade gemiddeld genomen erger is dan de schade veroorzaakt door verbaal geweld. Er zullen natuurlijk uitzonderingen zijn waarbij verbaal geweld erger is dan bijvoorbeeld een duwtje. Maar globaal genomen is verbaal geweld sneller te tolereren. En dan zouden we wel categoriek alle vormen van (oproepen tot) lichamelijk geweld kunnen verbieden en alle vormen van verbaal geweld kunnen toelaten. Dit is een mogelijke staalmanredenering van het standpunt van van den Berg. De vraag is natuurlijk wat we dan zouden doen in het hypothetische geval dat verbaal geweld gemiddeld genomen wel erger was geweest dan fysiek geweld.

De Olijke Atheïst is uitgegeven bij Houtekiet

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Artikels, Blog, Boekbesprekingen en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s