De begrensde reddingsboot. Reactie op de boekbespreking van Open Grenzen

Als veganist, atheïst en ecohumanist zit ik vaak op dezelfde lijn met Floris van den Berg. Verschillende van zijn boeken heb ik reeds besproken. Maar hier en daar hebben we meningsverschillen. Iemand met een andere mening geeft ons een mogelijkheid om onze mening bij te sturen. Aangezien we het vaak mis hebben, is van mening veranderen erg belangrijk. Daarom loont het de moeite om open te staan voor de meningen van anderen wanneer die verschillen van de eigen mening. Maar meestal komt een tegenpartij met ongeldige drogredenen af, waardoor het niet interessant meer is om voor die andere mening open te staan. Met iemand als Floris van den Berg is dat anders: aangezien hij reeds mijn fundamentele waarden deelt en in het verleden geldige redeneringen gaf, is de kans kleiner dat hij bij een meningsverschil de bal totaal misslaat. Uit zijn bespreking van mijn boek Open Grenzen denk ik dat het thema migratie ons grootste meningsverschil is. In deze reactie ga ik focussen op zijn argumenten waarvan ik denk nog in staat te zijn ze te weerleggen.

Theorie versus praktijk

Van den Berg citeert Maarten Doorman: “In theorie is er geen verschil tussen praktijk en theorie. In de praktijk wel.” Deze uitspraak kunnen we eens analyseren. Wat wordt er bedoelt met theorie en praktijk? De uitspraak is correct, als theorie betekent: het geval waarbij iedereen rationeel is, de argumenten voor open grenzen begrijpt en de achterliggende kosmopolitische waarden (zoals antidiscriminatie) erkent. In mijn boek wijs ik op het belangrijkste risico van open grenzen: racisme bij autochtonen. “Door irrationele denkfouten over migratie kan de autochtone bevolking zich keren tegen immigranten en kunnen ze stemmen op racistische, extreemrechtse partijen. […] Het belangrijkste bezwaar tegen het meer openstellen van grenzen, is het risico op een backfire effect, waardoor het racisme en de xenofobie bij de bevolking kunnen toenemen.” (p. 88-89) Daarmee erken ik de praktijk, waarbij autochtonen dus niet rationeel handelen of niet de juiste waarden delen. In zijn boekbespreking wijst Van den Berg op drie problemen van immigratie die dit punt ondersteunen.

Ten eerste zegt hij: “Als iedereen die dat wil, zo maar naar Europa zou kunnen komen – dus niet alleen arbeidsmigranten, maar alle economische vluchtelingen en asielzoekers – zou het sociaal economisch systeem ineenstorten.” Dat het economisch systeem zou ineenstorten bij immigratie, wanneer de economische studies wijzen op sterke positieve effecten van migratie op de economische welvaart en groei, is erg twijfelachtig. Maar misschien komen onze sociaal-economische instituties (bv. economische vrijheid, eigendomsrecht, muntstabiliteit en een goede rechtsstaat) in verval door immigratie? Daar heb ik in mijn boek niets over geschreven, maar na publicatie van het boek wel extra onderzoek naar gedaan. Het is heel moeilijk om de effecten van immigratie op instituties te meten, maar sommige recente studies doen een verdienstelijke eerste poging (Clark e.a. 2015; Padilla & Cachanosky; 2018). De conclusies die ik hieruit trek: er zijn geen aanwijzingen van een negatieve impact, en licht bewijs voor een positieve impact, van immigratie op institutionele kwaliteit in de ontvangende landen. Zelfs massa-immigratie, zoals gebeurde in Israël, kan een relevant positieve impact hebben op instituties (Powell e.a., 2017). Maar er is een uitzondering of kanttekening: polarisering binnen de bevolking kan wel een negatieve impact hebben op de kwaliteit van instituties in ontvangende landen waar instituties zwak zijn (Roupakias & Dimou, 2020). Hier zien we het verschil tussen theorie en praktijk. In theorie is iedereen antiracist en gaan autochtonen geen polarisering in de hand werken. Maar in de praktijk kan immigratie polarisering wel aanwakkeren, bijvoorbeeld wanneer autochtonen racistisch gaan doen. Gelukkig zien we dat in landen met gezonde instituties er geen relevante negatieve impact is van immigratie op instituties. De vraag is of instituties in West-Europa gezond dan wel fragiel zijn.

Ten tweede haalt Van den Berg Ruud Koopmans aan, die “laat ook zien dat de integratie qua liberale opvattingen onder tweede en derde generaties moslims niet toeneemt.” De meeste literatuur die ik tegenkwam, laat zien dat tweede en derde generaties van immigranten een minder sterke religieuze beleving hebben dan hun (groot)ouders. In het boek schrijf ik: “Eigenlijk bieden open grenzen een extra voordeel in de strijd tegen het islamisme. Als moslims naar het seculiere Westen migreren, worden ze geconfronteerd met de humanistische verlichtingswaarden en gaan ze die waarden sneller overnemen. Jongeren van geïmmigreerde moslims in West-Europa blijken in vergelijking met hun ouders minder belang te hechten aan geloof, religieuze voorschriften minder streng na te leven, minder in de Koran te lezen, minder een hoofddoek te dragen, minder vijandig te zijn tegen homo’s, meer de evolutietheorie te aanvaarden en meer liberale denkbeelden over te nemen (Kalter, 2018; van de Pol en van Tubergen, 2014; van der Bracht, 2015).” Maar er is – alweer in de praktijk – een uitzondering op dit proces van assimilatie (bv. Fleischmann, 2011): wanneer allochtone moslims zich gediscrimineerd of sociaal uitgesloten voelen door de autochtone bevolking, kunnen ze radicaliseren en een sterker geloof in de Islam ontwikkelen (omdat ze de seculiere samenleving dan meer als een bedreiging voor hun identiteit gaan beschouwen). Opnieuw dragen autochtonen hier een verantwoordelijkheid: als ze racistisch gaan doen tegen immigranten, wordt het een zichzelf-vervullende voorspelling. Wil je radicalere moslims? Zorg er dan voor dat ze zich gediscrimineerd voelen. Het sterkste wapen tegen dergelijke radicalisering, zijn intergroep vriendschappen: seculiere autochtonen die vriendschapsbanden aangaan met geïmmigreerde moslims.

Een derde voorbeeld vormen de islamfundamentalistische terroristische aanslagen. Hoewel er bij die aanslagen relatief veel minder slachtoffers vallen dan bij andere risico’s in de samenleving (van het verkeer tot de overdadige vleesconsumptie), stelt Van den Berg: “Het gevaar van terrorisme zit hem niet zozeer in het risico zelf slachtoffer ervan te worden, maar in de ondermijning van de democratische rechtsorde zelf.” Maar na alle terroristische aanslagen de afgelopen decennia, zie ik nog steeds geen aanwijzingen van een ondermijning van de democratische rechtsstaat. Hoewel, indirect kan terrorisme wel de rechtsstaat aantasten, namelijk door hoe autochtonen op dat terrorisme reageren. Het terrorisme kan leiden tot een verrechtsing van de samenleving, waardoor populistische politici en extreem rechtse politieke partijen terrein winnen. En die partijen vormen een bedreiging voor een liberale rechtsstaat. In theorie gaan mensen niet verrechtsen door immigratie en gaat immigratie veel meer welvaart en economische groei creëren zodat er nog meer middelen beschikbaar komen voor een verdere versterking van de rechtsstaat. In de praktijk kunnen autochtone kiezers na terroristische aanslagen irrationele politieke keuzes maken die de rechtsstaat ondermijnen.

Reddingsboot

Het wordt tijd om het argument van de reddingsboot erbij te halen. Van den Berg schreef: “Het is als met een reddingsboot: als je onbeperkt mensen op een reddingsboot aan boord neemt dan komt er een moment waarop de boot overbelast raakt, zinkt en iedereen ten onder gaat.” Het is in deze context een nogal pijnlijke analogie, aangezien er omwille van de gesloten grenzen van Europa jaarlijks honderden opvarenden sterven op overvolle reddingsbootjes op de Middellandse Zee. Maar goed, hiermee bevestigt hij wat lijkt op een wetmatigheid: in discussies over immigratie waarbij de migratiecriticus bijvoorbeeld gelooft dat het land vol is, zal die persoon de analogie van de reddingsboot gebruiken. In het boek anticipeer ik op dat argument (p.52): “Of neem de situatie van een reddingssloep die gaat kapseizen als alle drenkelingen aan boord klimmen.”

De economische argumenten tonen aan dat de reddingsboot nog helemaal niet vol zit. De economie is namelijk een bijzondere reddingsboot: des te meer volk op de boot komt, des te groter, steviger en luxueuzer de boot wordt. De drenkelingen die aan boord gehaald worden, dragen bij aan de extra capaciteit van de boot (hoe dat komt, wordt besproken in mijn boek Open Grenzen, maar bv. Ng (2019) gaf ook een zeer heldere uitleg).

Het voorbeeld van de reddingsboot is een goede illustratie voor het principe van getolereerde partijdigheid. Van den Berg verwoordt dit als volgt: “Scherp gesteld: als er een boot omslaat en er dreigen kinderen te verdrinken en ik geef prioriteit aan het redden van mijn eigen kind boven het redden van jouw kind, dan is dat gerechtvaardigd, omdat ik kan begrijpen dat jij precies hetzelfde zou doen in deze situatie, namelijk eerst jouw eigen kind proberen te redden. Maar als partijdigheid getolereerd is in gezinsverband, zou partijdigheid op basis van natie dan niet ook gerechtvaardigd kunnen zijn? Als er iemand in nood is, schiet de overheid idealiter te hulp. Als er iemand een ongeval heeft, komt de ambulance – niet die uit België of Duitsland, maar uit Nederland.”

Ja, dergelijke partijdigheid voor landgenoten is te tolereren en is consistent met het anti-willekeurprincipe, zoals ik in het boek beargumenteer: “Zo ook mogen we bij hulpverlening partijdig zijn ten voordele van onze dierbaren, ook al zijn alle dierbaren binnenlanders. We kunnen tolereren dat bui­tenlanders wel en wij niet aanspraak kunnen maken op hulp en sociale voorzieningen in het buitenland.” (p.61) “Net zoals het antiwillekeurprincipe nog niet wil zeggen dat je puur onpartijdig iedere hulpbehoevende op aarde evenveel moet helpen, zo wil open grenzen nog niet zeggen dat we iedereen moeten toelaten tot onze sociale zekerheid. We kunnen bijvoorbeeld prioritaire toegang verlenen aan diegenen die bijdragen leveren aan de sociale zekerheid, en hun dierbaren.” (p.53) Met deze laatste groep worden in de praktijk landgenoten aangeduid.

Cruciaal bij het principe van getolereerde partijdigheid, is (p.61): “Deze getolereerde partijdigheid geldt uitsluitend als het gaat om het verlenen van hulp [bv. het redden van drenkelingen] of het geven van cadeaus, niet als het gaat om het veroorzaken van schade of het schenden van rechten.” Bij de gangbare reddingsbootanalogie stellen we de vraag of men de plicht heeft om drenkelingen te redden, en zo ja, welke drenkelingen we eerst moeten helpen. Dus stel jij hebt een boot, er is nog plaats aan boord, en je besluit om drenkelingen te gaan redden. Links van je boot zijn drenkelingen met dezelfde nationaliteit als jij, rechts van de boot zijn drenkelingen met een andere nationaliteit. Stel dat je met je boot naar links vaart om je landgenoten te redden. Ja, als je voorkeur wil geven aan je landgenoten, is dat partijdigheid. Als je gaat zeggen dat je je landgenoten verkiest omdat zij moreel superieur zijn, dan maak je je schuldig aan racisme, dus dat mag niet. Maar als je je landgenoten eerst redt omdat je voor hen meer ‘feeling’ voelt of met hen een sterkere sociale band hebt, of omdat je landgenoten bijgedragen hebben aan de bouw van je boot (zoals landgenoten bijdragen aan de sociale zekerheid) waardoor de boot niet enkel van jou is maar van al je landgenoten, dan kunnen we dat tolereren.

In deze context stelt Van den Berg de vraag: “Maar – en dit is de crux – waarom geven we wel om de mensen die het gelukt is om onze landsgrens te bereiken en niet om al die mensen die om welke reden dan ook niet zijn gekomen maar wel hulp kunnen gebruiken? Vergelijk het met hulp aan een drenkeling. Stel je hebt een boot en je ziet drenkelingen in het water. Je helpt iedereen die op eigen kracht de boot kan bereiken aan boord, maar degenen die het niet lukt om de boot te bereiken laat je achter en die zullen verdrinken. Hoe moreel is dat?” Maar hier zien we dat deze analogie tussen gesloten grenzen en partijdigheid op de reddingsboot niet opgaat. Dat de reddingsboot gesloten grenzen heeft, wil niet zeggen dat men drenkelingen achterlaat. Nee, het wil zeggen dat men drenkelingen die aan boort klauteren terug het water in duwt.

Een correctere analogie gaat dus als volgt. Stel er is een lege reddingsboot en die is van niemand. Jij klimt als eerste aan boord en haalt ook je landgenoten mee aan boord, prima. Maar dan ga je die boot voor jezelf en je landgenoten claimen, hoewel niemand van jullie die boot gemaakt of rechtmatig gekocht heeft (net zoals niemand de grond van een land gemaakt heeft). Dat wordt al discutabeler, een beetje vergelijkbaar met diefstal. Maar goed, je kunt het nog erger maken. Er is namelijk nog veel plaats over op de boot en er zijn nog drenkelingen in het water die niet jouw nationaliteit hebben. Dat je besluit om niet naar hen toe te varen of hen geen reddingsboeien toe te werpen, tot daaraan toe. Misschien heb je teveel spierpijn om een boei te gooien of heb je niet genoeg brandstof over om naar die drenkelingen te varen. Maar dat je besluit om drenkelingen die aan boord klimmen met kracht tegen te houden en terug het water in te duwen, terwijl die boot niet van jou is, dat kan echt niet. Dan grijp je actief in en veroorzaak je schade. Want als jij er niet was geweest, dan konden die drenkelingen nog wel zichzelf redden. Door ze actief tegen te houden, verhinder je de fundamentele vrijheden van anderen om zichzelf te redden. Dat laatste is nu net wat we doen bij een beleid van gesloten grenzen. Dat je geen ontwikkelingshulp stuurt naar arme landen, tot daaraan toe. Misschien heb je te weinig geld. Maar dat je mensen uit die landen actief verhindert om zichzelf te helpen (door in je land te gaan werken), wanneer je die mensen met kracht tegenhoudt aan de grens (of wanneer je geld geeft aan grenspatrouilles), dat is ontoelaatbaar. Dan beroof je anderen het fundamentele recht op werk.

Tot slot bereiken we een apotheose, wanneer Van den Berg voorstelt om ontwikkelingshulp te verhogen: “Momenteel wordt zo’n 0,7 procent van het BNP aan ontwikkelingshulp uitgegeven. Dat is niet bepaald hoog – 15 tot 20 procent zou billijker zijn.” In de reddingsbootanalogie is ontwikkelingshulp het analogon van het gooien van reddingsboeien. Ja, de mensen aan boord zouden wel wat meer reddingsboeien mogen gooien. Maar tja, ze klagen al snel over spierpijn, weet je. En als ze meer reddingsboeien gooien, moeten ze ook nog boeien gaan bijmaken, en daar hebben die opvarenden ook niet zoveel zin in. In theorie is het allemaal mooi, maar in de praktijk is het niet zo simpel om hen te overtuigen om een 21 keer hogere inspanning te leveren (vergelijkbaar met het opkrikken van ontwikkelingshulp van 0,7% naar 15%). Waar de mensen aan boord wel zin in hebben, is het terugduwen van drenkelingen die op punt staan aan boord te klimmen. Als ze nu eens gewoon die drenkelingen niet tegenhouden, dan kruipen die drenkelingen aan boord, gaan ze massaal extra reddingsboeien maken en met al hun kracht werpen naar de resterende drenkelingen (hun familieleden) in het water.

Dat is wat er gebeurt bij open grenzen: de immigranten dragen massaal bij aan de economie, creëren extra economische groei (waarbij de wereldbevolking zelfs bijna dubbel zo rijk kan worden), en gaan een deel van de centen die ze verdienen als geldschenkingen terugsturen naar hun familie in de herkomstlanden. Vandaag, met de migratiebeperkingen, liggen die geldzendingen (remittances) van immigranten al drie keer hoger dan de totale officiële ontwikkelingshulp. De migranten hebben dus al de autochtonen voorbijgestoken als het gaat om ontwikkelingshulp. Autochtonen mogen inderdaad wat meer geld geven aan effectieve goede doelen voor de armste landen, maar hen daarvan overtuigen is in de praktijk nog niet zo simpel. Wat voor de autochtonen een veel lagere inspanning vergt, is dat ze stoppen met hun inspanningen om immigranten tegen te houden. Meer hoeven ze niet te doen; ze moeten gewoon wat minder inspanningen leveren. Dan gaan die immigranten zelf vanzelf massaal veel ontwikkelingshulp geven. En de autochtonen worden er ook nog eens rijker door, waardoor ze een extra centje over hebben om ook te doneren aan goede doelen. Als zowel de geldschenkingen als het BNP zo sterk stijgen, dan gaat de totale hoeveelheid financiële hulp voor de armste landen wel wat hoger kunnen zijn dan pakweg 20% van het huidige BNP. En dat met minder inspanningen. Althans in theorie. In de praktijk bestaat het risico dat autochtonen dingen gaan doen die de samenleving in gevaar brengen. Het toelaten van drenkelingen op de reddingsboot klinkt ook mooi in theorie. In de praktijk gaan enkele opvarenden die het eerst op de boot klommen, harder en harder aan de boot beginnen schudden des te meer drenkelingen aan boord klimmen. Die opvarenden tegenhouden, is de grote uitdaging. Als we daarin slagen, verzoenen we theorie en praktijk.

Appendix: enkele verduidelijkingen

Om af te sluiten wil ik enkele vragen beantwoorden die Van den Berg stelt. Allereerst zegt hij dat ik beter zou moeten definiëren wat een arbeidsmigrant inhoudt. In het boek geef ik een brede definitie: iemand die toegelaten is op de arbeidsmarkt van het gastland. Dat zijn dus ook nieuwkomers die nog geen werk hebben gevonden, maar wel toegelaten worden om te werken (dus werkloze werkzoekende legale immigranten). De twee belangrijkste groepen immigranten die niet behoren tot de arbeidsmigranten, zijn de kinderen van immigranten (wegens verbod op kinderarbeid), en de ‘illegalen’ (meestal vluchtelingen en asielzoekers die geen verblijfsvergunning en dus ook geen werkvergunning hebben). Van zodra asielzoekers werk mogen zoeken, vallen ze onder mijn definitie van arbeidsmigrant.

Van den Berg zegt dat: “Wanneer Bruers zijn argument uitbreidt naar immigratie in het algemeen zijn er grote bezwaren aan ongelimiteerde en ongereguleerde immigratie.” Maar het verhaal van open grenzen is geen verhaal van ongereguleerde migratie. In mijn boek schrijf ik: “Het openen van grenzen is niet hetzelfde als het afschaffen van grenzen. Denk aan gemeentegrenzen: die bestaan, maar ze zijn open.” (Open Grenzen, p.13) Dat gemeentegrenzen open zijn wil niet zeggen dat er ongereguleerde migratie is: “Jij mag verhuizen naar een naburige gemeente, dus tussen jouw huidige en je toekomstige gemeente is de grens open. Maar je moet je wel registreren in die nieuwe gemeente, dus is die grens niet afgeschaft.” (p.13) Van den Berg schrijft zelf: “Wie in een gemeente gaat wonen moet zich er inschrijven en er gemeentebelastingen betalen en zich aan de in de gemeente geldende regels houden.” Dergelijke maatregelen zoals een registratieplicht zijn een vorm van regulering van migratie. Je zou kunnen zeggen dat Van den Berg hier een stroman drogreden maakt, door mijn standpunt over “immigratie in het algemeen” te vertekenen tot een foutieve karikatuur over “ongereguleerde immigratie”, en vervolgens dat foutief voorgestelde standpunt aan te vallen.

Daaropvolgend vraagt Van den Berg: “Maar als ik mijn tent opsla in een gemeente en zeg dat ik werk zoek (ook al spreek ik de taal niet), wat dan? En als duizenden mensen hun tenten opslaan in een gemeente, wat dan te doen?” Maar dat is een gangbaar fenomeen. Denk aan de plattelandsvlucht: duizenden mensen die van landelijke gemeenten migreerden naar een stedelijke gemeente. Die migratiestroom, wat nu sterk gaande is in bijvoorbeeld China, veroorzaakt een sterke economische groei in de steden. Nu ja, in plaats van een tent hebben de immigranten gewoon een woning. En mensen met zeer diverse normen en gewoonten, zoals zowel joden, protestanten, neopaganisten, anarchisten, autisten, gothic metal fanaten, computernerds, nouveau riche en laaggeschoolden mogen van de ene gemeente verhuizen naar de andere. Taal is geen criterium: ik mag verhuizen naar een gemeente in de Belgische Oostkantons, ook al spreek ik geen Duits.

De migratie tussen gemeenten biedt ook antwoorden op andere vragen die Van den Berg stelt: “Maar wat moet er, volgens Bruers, gebeuren indien immigranten zich niet houden aan de wetten en basale conventies (als handen schudden in het precoronatijdperk)? Moeten immigranten bestraft worden net als iedere burger die de wet overtreedt, of moeten ze in het geval van overtreding worden teruggestuurd? Hoelang blijf je eigenlijk immigrant? Zijn tweede generatie immigranten nog immigranten of worden ze nog gezien als migranten? Op deze vragen gaat Bruers helaas niet in.” Dat ik in het boek niet diep inga op deze vragen, is waarschijnlijk omdat de antwoorden evident zijn. Als een nieuwkomer in de gemeente zich niet houdt aan de wetten, wordt die persoon niet gewoon teruggestuurd naar de gemeente van herkomst, maar wordt die net als andere inwoners bestraft. Aan welke basale conventies men zich moet houden in een liberale gemeente, is open voor discussie. Niemand heeft de plicht om handen te schudden bij een ontmoeting.  Een immigrant blijft een immigrant zo lang die persoon in een ander land woont dan het land van herkomst of geboorte. De kinderen van immigranten die in het ontvangende gastland of -gemeente geboren worden, tellen niet als immigranten. Ik ben in Herentals geboren nadat mijn ouders daar zijn gaan wonen. Zij zijn immigranten voor Herentals, maar ik niet. Nu ik in Antwerpen woon, ben ik emigrant van Herentals.

Over het houden aan wetten ga ik in het boek wel in. Bijvoorbeeld schrijf ik (p.59): “Dus het opsluiten van delinquenten is dus nog wel toegelaten [bij open grenzen]. Indien er bij de immigranten een grote bevolkingsgroep is die delinquent gedrag vertoont en het onmogelijk is om al die delinquente immigranten in kleine binnenlandse gevangenissen op te sluiten, kan het nog wel interessant zijn om die delinquente immigranten naar een plaats te sturen afgebakend met gesloten grenzen, zodat ze niet meer uit die ‘openluchtgevangenissen’ naar de vrije wereld kunnen migreren.” Deze en andere uitspraken in het boek tonen aan dat ik erken dat een aantal immigranten onverantwoord gedrag vertonen dat niet te tolereren is. Van den Berg wijst hier op de tolerantieparadox: om tolerantie in de samenleving te vrijwaren, moeten we intolerant zijn tegenover intolerantie. Ik erken in het boek dat er ook veel intolerantie is bij immigranten (en zeker bij de Islamisten onder hen), en de context, waarin ik spreek over bv. gevangenissen, zou wel duidelijk moeten maken dat ik die intolerantie niet tolereer.

Bronnen

Clark, J. R., Lawson, R., Nowrasteh, A., Powell, B., & Murphy, R. (2015). Does immigration impact institutions?. Public Choice, 163(3), 321-335.

Fleischmann, F. (2011). Second-generation Muslims in European societies: Comparative perspectives on education and religion. Doctoraat Utrecht University.

Kalter, F. e.a. (2018). Growing up in a diverse Europe. Oxford University Press.

Ng, Y. K. (2019). Immigration Typically Makes Existing Residents Better Off. In: Markets and Morals. Cambridge: Cambridge University Press.

Padilla, A., & Cachanosky, N. (2018). The Grecian horse: does immigration lead to the deterioration of American institutions?. Public Choice, 174(3), 351-405.

Powell, B., Clark, J. R., & Nowrasteh, A. (2017). Does mass immigration destroy institutions? 1990s Israel as a natural experiment. Journal of Economic Behavior & Organization, 141, 83-95.

Roupakias, S., & Dimou, S. (2020). Immigration, diversity and institutions.

Van de Pol, J. & van Tubergen, F. (2014). Inheritance of religiosity among Muslim immigrants in a secular society. Review of religious research 56(1).

Van der Bracht, K. (2015). First and second generation migrant religiosity in Europe. Doctoraat Universiteit Gent.

Dit bericht werd geplaatst in Artikels en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s