Willekeurige-rang denkfout

In veel maatschappelijke discussies en persoonlijke keuzes komt een bepaald type denkfout aan bod die weinig aandacht krijgt. De denkfout bestaat erin dat een willekeurige rang wordt gekozen in een hiërarchische indeling. Het feit dat de keuze willekeurig is, is een zwakke plek voor het gemaakte argument in de discussie.

Neem een verzameling van elementen. Die verzameling kunnen we onderverdelen in deelverzamelingen. Een deelverzameling is opnieuw een verzameling, dus die kunnen we opnieuw onderverdelen in deelverzamelingen. Zo ontstaat een hiërarchie van verzamelingen, met als hoogste rang de volledige verzameling, de rang daaronder de deelverzamelingen, de derde hoogste rang de deel-deelverzamelingen, enzovoort. Helemaal onderaan is de laagste rang die bestaat uit de kleinste deelverzamelingen, namelijk de individuele elementen.

In een hiërarchische indeling kun je een rang kiezen. De vraag is hoe je dan die rang koos, en waarom je niet een hogere of een lagere rang koos. Als je die vraag niet kunt beantwoorden, dus als je geen selectieregel gebruikte om die ene rang te kiezen, dan is die keuze willekeurig. De denkfout bestaat erin dat je denkt dat er toch iets speciaals is aan die ene gekozen rang, terwijl er gewoon sprake is van willekeur.

Hieronder volgen een tiental concrete voorbeelden die laten zien dat de willekeurige-rang denkfout op vele plaatsen optreedt. Ze zorgt ervoor dat we irrationele keuzes maken: dat we discrimineren, vlees eten, grenzen sluiten, kernenergie verwerpen, doneren aan minder effectieve goede doelen, acties voeren tegen minder belangrijke problemen, onnodige risico’s nemen, de ernst van het coronavirus onderschatten, teveel belang hechten aan bepaalde vormen van natuurbehoud, en teveel focussen op keuzes van individuen in plaats van individuele keuzes.

1.   Speciesisme en vleesconsumptie

Neem de redenering: “We mogen dieren eten, want dieren hebben minder rechten dan mensen, want de mens is de enige soort die moreel kan denken en rechten kan begrijpen.”

Hier wordt gefocust op de soort. Dat is een bepaalde rang in de biologische indeling of taxonomie van levende wezens. Als hoogste rang hebben we de volledige verzameling van alle levende wezens. Daaronder is de rang van de domeinen (eukaryoten, bacteriën,…). Een trede lager vinden we de rijken. Zo kunnen de eukaryoten onderverdeeld worden in het dierenrijk, plantenrijk, schimmelrijk. Het dierenrijk kunnen we verder onderverdelen in stammen (gewervelden, geleedpotigen,…). Binnen de stam van gewervelde dieren vinden we de klasse van zoogdieren, naast de klassen van vissen, amfibieën, reptielen en vogels. Nog een trede lager is de rang van de orden, zoals de primaten. Daarbinnen is een infraorde van smalneusapen, en daarbinnen is een familie van de grote mensapen, en daarbinnen een geslacht van Homo, en daarbinnen een soort Homo sapiens, de mensen. Maar we kunnen nog enkele rangen verder afdalen. Binnen de soort hebben we ondersoorten, zoals de Homo sapiens sapiens, en daaronder zitten de populaties (rassen, variëteiten of vormen), zoals de populatie van Europiden (blanken).

Ikzelf behoor tot het eukaryotendomein, het dierenrijk, de gewerveldenstam, de zoogdierenklasse, de primatenorde, de smalneusapen-infraorde, de mensapenfamilie, de mensensoort en de blankenpopulatie. Er is geen reden om in deze lijst specifiek de mensensoort te nemen. De regel “neem de groep van wezens die rechten kunnen begrijpen”, is niet de juiste selectieregel om de mensensoort te kiezen, want niet alle mensen hebben het vermogen om rechten te begrijpen. De meerderheid van individuen binnen de mensensoort heeft wel dat vermogen, maar hetzelfde kunnen we zeggen van de meerderheid van individuen binnen de mensapenfamilie en binnen de primatenorde. Dus dan zouden we evengoed de rangen van orden en families kunnen nemen.

De willekeurige keuze van de rang van soorten leidt tot speciesisme (discriminatie op basis van soort) net zoals de willekeurige keuze van de rang van populaties leidt tot racisme (discriminatie op basis van populatie). Om discriminatie te vermijden, moeten we alle wezens dezelfde basisrechten geven, zoals het recht op lichamelijke zelfbeschikking: je lichaam mag niet tegen je wil in gebruikt worden als middel voor de doelen van iemand anders. Dat recht is altijd vanzelf voldaan voor de wezens die geen bewustzijn of gevoelens hebben, want die hebben geen besef van hun eigen lichaam en hebben geen wil. Het recht is dus enkel van belang bij voelende wezens. Als we niet mogen discrimineren en dus dat recht moeten respecteren voor alles en iedereen, dan wil dat zeggen dat we geen voelende wezens mogen gebruiken voor voedsel, en dat we dus veganistisch moeten eten.

Meer lezen? https://stijnbruers.wordpress.com/2018/12/13/speciesism-arbitrariness-and-moral-illusions/

2.   Nationalisme en gesloten grenzen

Neem de extreemrechtse slogan: “Eigen volk eerst! Grenzen dicht voor buitenlandse migranten.”

Hier wordt gefocust op het eigen volk, of het eigen land. We kunnen de wereld (planeet Aarde) onderverdelen in continenten (Eurazië, Amerika,…), die we verder kunnen onderverdelen in werelddelen (Europa, Noord-Amerika,…), landen (België, Nederland,…), gewesten (Vlaanderen, Wallonië,…), provincies (Antwerpen, Limburg,…), gemeenten (Deurne, Turnhout,…) en straten. Ook volkeren kunnen we onderverdelen: de hoogste rang is het wereldvolk, waaronder de Europeanen, Afrikanen en andere volkeren vallen. Het Europese volk kunnen we onderverdelen in Belgen, Fransen,… De Belgen bestaan uit Vlamingen, Walen en Brusselaars. De Vlamingen bestaan uit Limburgers, Antwerpenaren,…

Als men nu spreekt van “Eigen volk eerst”, hoe weten we dan welk volk precies bedoeld wordt? Het Antwerpse volk? Het Vlaamse volk? Het Belgische volk? Het Europese volk? De keuze voor het Vlaamse volk of het Belgische land is willekeur, want men kan evengoed een rang hoger of lager gaan en kiezen voor het Europese volk of de Antwerpse provincie. Als men je vraagt naar je geboorteplaats, vraagt men dan naar een straat, een gemeente, een provincie, een gewest, een land, een werelddeel of een continent? Zeggen dat een geboorteplaats een land is, is willekeur.

Nationalisme is gebaseerd op een willekeurige keuze van een rang in de hiërarchie van volkeren of geografische gebieden. Dit nationalisme leidt ook tot discriminatie op basis van geboorteplaats, wat we zien bij gesloten grenzen en migratiebeperkingen. De grenzen tussen gemeenten en tussen provincies zijn open, wat wil zeggen dat iemand die geboren is in de ene gemeente wel mag gaan wonen, winkelen en werken in de naburige gemeente. Waarom zouden de grenzen van een land dan wel dicht moeten voor arbeidsmigranten? Er is geen reden om landsgrenzen wel en provinciegrenzen niet te sluiten. Om niet te discrimineren, en om mondiale welvaart te bevorderen, zouden landsgrenzen ook open moeten zijn voor alle arbeidsmigranten, net zoals ze open zijn voor toeristen. Arbeidsmigranten kunnen we beschouwen als toeristen die willekeurig lang mogen verblijven in het land en die er ook mogen werken en een woning mogen kopen of huren.

Meer lezen? https://stijnbruers.wordpress.com/2016/03/06/waarom-we-landsgrenzen-moeten-openen/

3.   Geloof en godsdienstconflicten

Godsdienstoorlogen zijn ook het gevolg van een willekeurige-rang denkfout. We kunnen gelovigen onderverdelen in bijvoorbeeld Abrahamieten (aanhangers van semitische religies), Dharmische gelovigen (aanhangers van Indiase religies) en andere gelovigen. De Abrahamieten bestaan dan weer uit onder andere Joden, Christenen, Moslims en Rastafari’s. Moslims kunnen we onderverdelen in Soennieten en Sjiieten, Christenen kunnen we dan weer onderverdelen in Katholieken, Protestanten, Evangelisten,…. De Katholieken omvatten Benedictijnen, Norbertijnen en andere kloosterorden.

In Noord-Ierland is er een conflict tussen Katholieken en Protestanten. Waarom selecteren ze de Katholieken als groep en niet bijvoorbeeld de Christenen of de Abrahamieten? Waarom kijken ze in Noord-Ierland op dat niveau in die hiërarchie van groepen? Waarom zien ze niet dat ze allemaal verenigd zijn als Christenen of Abrahamieten? Waarom beseffen rivaliserende Soennieten en Sjiieten niet dat ze allemaal Moslims zijn? Waarom beseffen rivaliserende Christenen en Moslims niet dat ze allemaal Abrahamieten zijn? En dan zijn er in India bijvoorbeeld conflicten tussen Abrahamieten en Dharmische gelovigen. Wat is het echte geloof van een Benedictijn? Is dat het Katholicisme? Of het Christendom? Of het Abrahamisme? Waarom zeggen mensen “Ik ben Christen” of “Ik ben Jood” en niet “Ik ben Abrahamiet”?

De keuze van een eigen godsdienst is zoals de keuze van eigen volk een vorm van willekeur dat vaak uitdraait op discriminatie.

4.   Kernenergie

Neem het argument: “De kernramp in Tsjernobyl bewijst dat kernenergie gevaarlijk is en daarom moeten we stoppen met kernenergie.”

Bij elektriciteitsproductie is er een probleem dat rampen zich kunnen voordoen. Nu kunnen we dat probleem onderverdelen in deelproblemen: rampen bij fossiele centrales, bij kerncentrales, bij waterkrachtcentrales,… Deze onderverdeling verwijst naar de energiebron. Maar die deelproblemen kun je weer verder opsplitsen door te verwijzen naar specifieke technologieën. Zo kan je het deelprobleem van kerncentrales onderverdelen in rampen bij grafietreactoren, bij lichtwaterreactoren, bij gesmoltenzoutreactoren, bij kweekreactoren,… De Tsjernobylramp was een ramp met een grafietreactor. Als je zegt dat alle kerncentrales dicht moeten omwille van Tsjernobyl, kun je evengoed zeggen dat alle grafietreactoren dicht moeten, of dat alle elektriciteitscentrales dicht moeten. Er is geen reden om de Tsjernobylramp toe te passen op de rang van energiebronnen, en dan enkel en alleen kernenergie te viseren. Je kan de ramp evengoed toepassen op de rang van elektriciteitsproductietechnologieën, en dus enkel en alleen grafietreactoren viseren. Wat moeten we precies afschaffen: alle elektriciteit, alle kernenergie of alle grafietreactoren? De keuze voor ‘alle kernenergie’ in dit rijtje bevat willekeur. De Tsjernobylramp kan wel een reden zijn om onveilige grafietreactoren af te schaffen, maar is daarom nog niet een reden om veiligere kerncentrales af te schaffen.

Meer lezen? https://stijnbruers.wordpress.com/2018/08/25/being-rational-about-nuclear-power/

5.   Goede doelen en ziektebestrijding

Stel dat een dierbare gestorven is aan huidkanker. Je bent daardoor zo aangegrepen dat je besluit geld te doneren aan de Skin Cancer Foundation, een huidkankerfonds. Je voelt immers een sterke betrokkenheid met huidkankerpatiënten.

Als die dierbare is gestorven aan huidkanker, betekent dat dat die persoon ook is overleden aan kanker. Waarom besluit je dan niet om geld te doneren aan het Kankerfonds? En als kanker de doodsoorzaak is, dan is een chronische ziekte de doodsoorzaak, want kanker is een chronische ziekte. Dus waarom geen geld geven aan het Chronic Disease Fund, een chronische-ziektefonds? 

Misschien zeg je: “Nee, ik wil specifiek huidkankerpatiënten helpen, omdat ik iemand ken die is gestorven aan die ziekte.” Maar je kunt toch evengoed zeggen dat je iemand kent die is gestorven aan kanker? Jouw dierbare die is overleden aan huidkanker zal sowieso niet meer geholpen kunnen worden als je er nu voor kiest om geld te geven voor huidkankerpatiënten. Dus voor die overleden persoon hoef je het huidkankerfonds niet te steunen.

Misschien zeg je: “Nee, als ik geld geef aan het Kankerfonds, gaat dat vooral naar longkankerpatiënten en niet naar huidkankerpatiënten.” Maar stel nu dat je ontdekt dat je dierbare is gestorven aan een specifieke vorm van huidkanker, namelijk een melanoom. Zou je dan besluiten geld te doneren aan de Melanoma Foundation, een melanoomfonds? Stel dat melanoom veel moeilijker te behandelen is dan andere vormen van huidkanker en dat de Skin Cancer Foundation daarom vooral focust op die andere huidkankers. Het kan wel de helft van alle huidkankerpatiënten genezen, namelijk alle patiënten die een andere vorm van huidkanker hebben dan een melanoom. Het melanoomfonds focust vanzelfsprekend nog wel volledig op melanoompatiënten en zal maar een paar patiënten kunnen genezen. Zou je dan nu plots beslissen om het melanoomfonds te steunen? Als blijkt dat de Skin Cancer Foundation zich vooral toelegt op andere vormen van huidkanker, en daarbij veel meer huidkankerpatiënten kon redden, was de steun voor die organisatie dan een slechte keuze geweest? Tellen patiënten die een andere vorm van huidkanker hebben dan plots niet meer mee? Tenslotte: als je je sterk emotioneel betrokken voelt bij alle mensen die dezelfde verschrikkelijke ziekte hebben als jouw dierbare had, en als die ziekte een melanoom is, dan zou dat de logische consequentie zijn, toch?

Wat bedoelen we eigenlijk met ‘dezelfde verschrikkelijke ziekte’? Is dat melanoom of huidkanker of kanker? Je emotionele betrokkenheid bij patiënten die dezelfde verschrikkelijke ziekte hebben, is in zekere mate willekeurig, want zij hangt af van hoe je ziektes onderverdeelt in verschillende types en subtypes. We hebben dus een hiërarchie van ziektes, en er is sprake van willekeur wanneer je zonder goede reden geld geeft aan het huidkankerfonds en niet aan bijvoorbeeld het melanoomfonds, het kankerfonds of het chronische-ziektefonds. Er is geen reden om specifiek aan een huidkankerfonds te geven wanneer je dierbare is gestorven aan zowel huidkanker als aan een melanoom, kanker in het algemeen en een chronische ziekte. 

Door die willekeur riskeer je minder effectieve keuzes te maken. Het zou bijvoorbeeld kunnen dat de behandeling van huidkanker honderd keer moeilijker is dan de behandeling van een andere, even dodelijke ziekte. Als je dan geld geeft aan een huidkankerfonds, riskeer je honderd keer minder patiënten te redden.  En als melanoom nog eens een bijzonder moeilijke vorm van huidkanker is, worden er nog minder patiënten gered wanneer je het melanoomfonds gaat steunen. Als je het huidkankerfonds blijft steunen vanwege een hogere efficiëntie, dan ben je bereid om mensen te helpen die geen melanoom hebben en dus niet dezelfde ziekte hebben waaraan jouw dierbare is gestorven. Maar als je dan toch bereid bent om te kiezen voor hogere efficiëntie, waarom dan niet het kankerfonds steunen en focussen op de longkankerpatiënten, als dat nog meer levens zou redden?

Meer lezen? https://stijnbruers.wordpress.com/2016/12/25/eigen-ziekte-eerst-over-ziektediscriminatie-willekeur-en-effectief-altruisme/

6.   Dierenrechtenacties

Dieren hebben het recht om niet uitgebuit te worden. Nu kunnen we het probleem van dierenuitbuiting onderverdelen in deelproblemen, volgens het doel van de uitbuiting. Er is uitbuiting van dieren in de vee-industrie, waar dieren gebruikt worden voor voeding. Daarnaast worden dieren uitgebuit voor wetenschappelijk onderzoek (dierproeven), voor kleding (bont, leder en wol), voor entertainment (dierencircussen, dolfinaria,…), voor gezelschap (broodfok van huisdieren), enzovoort. Deze deelproblemen kunnen verder onderverdeeld worden volgens categorie van dieren. Zo kunnen we het probleem van uitbuiting van dieren voor entertainment opsplitsen in circussen met wilde dieren (leeuwen, olifanten), circussen met gedomesticeerde dieren (paarden) en circussen met zeezoogdieren (dolfinariums).

Sommige dierenactivisten willen focussen op een deelprobleem, zoals het gebruik van dolfijnen voor entertainment. Ze voeren dan een campagne om dolfinariums te sluiten. Hun doel is dan om dat deelprobleem volledig op te lossen, door alle dolfinariums te verbieden. Maar met dezelfde tijd, geld en middelen kunnen ze een campagne voeren die leidt tot een vermindering van bijvoorbeeld de pluimveeteelt. Aangezien er veel meer dieren uitgebuit worden in de pluimveeteelt dan in dolfinariums, leidt een heel klein percentage vermindering van de pluimveeteelt, bijvoorbeeld de sluiting van een pluimveestal doordat mensen ietsje minder kippenvlees gaan eten, tot een sterkere reductie van dierenuitbuiting dan een volledige eliminatie (honderd procent vermindering) van dolfinariums.

Het volledig elimineren van een probleem lijkt zinniger dan het slechts gedeeltelijk verminderen van een probleem. Maar de vraag is wat het probleem precies is. Is dat uitbuiting van dieren? Of is dat de uitbuiting van dieren voor entertainment? Of is dat de uitbuiting van zeezoogdieren voor entertainment? Of is dat de uitbuiting van dolfijnen in dolfinariums? We hebben opnieuw een hiërarchie van problemen. Des te lager de rang van het probleem, des te gemakkelijker is het om dat probleem volledig op te lossen. Dat zorgt ervoor dat dierenactivisten sneller kiezen voor een lage-rang probleem, zoals de sluiting van dolfinariums. Maar dergelijke sluiting mag dan wel het probleem van dolfinariums volledig elimineren, het zal het probleem van dierenuitbuiting voor entertainment slechts gedeeltelijk verminderen.

De neiging om een probleem op een gedetailleerd niveau te beschrijven en af te bakenen, dus om een lage-rang probleem te kiezen, zorgt ervoor dat dierenactivisten niet altijd de meest effectieve campagnes voeren om het globale probleem van dierenuitbuiting te verminderen. Je zou het probleem van dolfinariums kunnen herformuleren: een dolfinarium is zoals een pluimveebedrijf waar een handvol kippen opgesloten zitten en kunstjes moeten doen. Dan wordt duidelijk dat het sluiten van een pluimveebedrijf waar duizenden kippen opgepropt zitten, vetgemest worden, ernstige gezondheidsproblemen krijgen en vroegtijdig geslacht worden, belangrijker is.

7.   Risico’s

Stel er zijn twee kansspelen. Bij het eerste spel heb je een keuze tussen twee opties. Kies je optie A, dan krijg je 4 euro. Kies je optie B, dan wordt er een muntstuk opgegooid en krijg je 10 euro bij kop en 0 euro bij munt. Als je risicoavers bent, dan kies je optie A, omdat je daar een zekerheid hebt om 4 euro te winnen. Bij optie B loop je een 50% risico om niets te winnen. Bij het tweede kansspel heb je opnieuw keuze tussen twee opties. Kies je optie C, dan moet je 4 euro afgeven. Kies je optie D, dan wordt een muntstuk opgegooid, bij kop moet je 10 euro afgeven en bij munt verlies je niets. Met zekerheid iets winnen is leuk, maar met zekerheid iets verliezen, is niet leuk. Als je nog hoop wil hebben op een uitkomst waarbij je niets verliest, dan kies je optie D.

Veel mensen kiezen optie A in het eerste kansspel en tegelijk optie D in het tweede. Dat komt omdat ze de twee kansspelen als apart beschouwen. Maar je kunt ze ook als een geheel beschouwen. Stel we hebben een kansspel met vier keuzes. Kies je optie P, dan krijg je niets en verlies je niets. Kies je optie Q, dan heb je 50% kans om 6 euro te verliezen en 50% kans om 4 euro te krijgen. Kies je optie R, dan heb je 50% kans om 4 euro te verliezen en 50% kans om 6 euro te krijgen. Kies je optie S, dan heb je 50% kans om niets te winnen, 25% kans om 10 euro te verliezen en 25% kans om 10 euro te winnen.

Als mensen optie A boven B verkiezen, en optie D boven C, dan kiezen ze dus ook de combinatie AD boven BC. Maar opties AD en BC zijn dezelfde als respectievelijk Q en R. Nu is duidelijk optie R beter dan optie Q, want bij Q heb je telkens 2 euro minder.

Hier zien we een fenomeen dat het opsplitsen van risico’s in deelrisico’s kan leiden tot irrationele voorkeuren.

Een ander voorbeeld: stel dat je 1% kans hebt om te sterven van dodelijke ziekte A. Gelukkig is er vaccin A waarmee risico op ziekte A met 100% vermindert. Dat wil dus zeggen een volledige eliminatie van 1% naar 0% sterftekans. Daarnaast is er dodelijke ziekte B waarbij je 20% kans hebt om aan te sterven. Helaas is er wel vaccin B, maar daarmee vermindert het risico op ziekte met slechts 10% (van een sterftekans van 20% naar 18%). Je moet kiezen tussen vaccin A of B. De meeste mensen geven de voorkeur aan vaccin A, want dat betekent dat we ons geen zorgen meer hoeven te maken over ziekte A. Het risico op die ziekte is volledig vermeden. Vaccin B lijkt nuttelozer, want een verlaging van 20% naar 18% merk je nauwelijks. Maar de totale reductie van dodelijke ziekten met vaccin B is 2 procentpunten (van 21% naar 19%), wat twee keer zo hoog is als de totale reductie met vaccin A. De keuze voor vaccin A is irrationeel. Stel dat ik niet sprak van ziektes A en B, maar dat ze dezelfde ziekte Z vormen. Dan zie je dat vaccin B dubbel zo doeltreffend is tegen ziekte Z dan vaccin A. Of stel dat ik je vertel dat ziekte B bestaat uit twee types: ziektes B1 en B2. Je hebt 2% kans om te sterven van ziekte B1, en 18% kans om te sterven van ziekte B2. Vaccin B is eigenlijk vaccin B1, dat 100% doeltreffend is tegen ziekte B1: het elimineert het sterfterisico met 100% (dus van een sterftekans van 2% naar 0%). Dus nu hebben we drie ziektes A, B1 en B2, en twee vaccins A en B1. Dan wordt opnieuw duidelijk dat vaccin B1 (en dus vaccin B) het beste is. Door een ziekte verder onder te verdelen in subtypes, krijg je een andere risicovoorkeur.

Meer lezen? https://stijnbruers.wordpress.com/2021/02/17/rational-altruism-and-risk-aversion/

8.   Covid-19 versus de griep

Coronatwijfelaars twijfelen aan het belang van maatregelen en vaccins tegen het nieuwe coronavirus Sars-cov2. Ze maken daarbij vaak de vergelijking met de seizoensgriep. Nu is sars-cov2 toch duidelijk besmettelijker en dodelijker dan de seizoensgriep. Maar in zekere zin is de vergelijking ook oneerlijk, want de sars-cov2 is een variant van het coronavirus, terwijl de seizoensgriep bestaat uit verschillende varianten of subtypes van het griepvirus. Moet men eerlijkheidshalve dan niet sars-cov2 vergelijken met een subtype van griep, zoals H16N3? Dan wordt nog duidelijker dat sars-cov2 ernstiger is dan H16N3-griep, en dat het covidvaccin belangrijker is dan het H16N3-griepvaccin.

Meer lezen? https://stijnbruers.wordpress.com/2020/12/30/de-irrationele-logica-van-vaccintwijfelaars/

9.   Natuurbehoud

Ecologisten verkiezen een natuurlijk evenwicht, maar of een natuurgebied in evenwicht is, hangt af van de tijdschaal waarop men kijkt. We kunnen de tijd onderverdelen in millennia, die we verder kunnen onderverdelen in eeuwen, die we verder kunnen onderverdelen in decennia, jaren, maanden, enzovoort. Als we spreken van een natuurlijk evenwicht, dan wil dat meestal zeggen dat de samenstelling van planten en diersoorten in het natuurgebied niet veel verandert over perioden van enkele decennia. Kijken we naar langere perioden zoals millennia, dan zien we veel veranderingen in datzelfde natuurgebied. En kijken we naar kortere perioden zoals jaren, dan zien we dat dierenpopulaties in dat natuurgebied op en neer schommelen. Dan is er niet veel sprake meer van een evenwicht. Zeggen dat een natuurgebied in evenwicht is omdat er weinig verandering is in een periode van decennia, en niet in perioden van jaren of millennia, is willekeur. Als men dan aan natuurbehoud wil doen, duikt vaak de vraag op welke toestand van vroeger men dan wil herstellen en behouden: de toestand van vorig jaar, van vorig decennium, van de vorige eeuw, of van het vorige millennium? Wat nu grasland is voor de veeteelt, was tien jaar geleden een naaldbos, honderd jaar geleden heide, en duizend jaar geleden een loofbos. Wat is nu de juiste natuur voor die plek?

10.  Idealisme en individuele keuzes

Een groep van mensen maakt keuzes. Die verzameling van keuzes kunnen we op verschillende manieren onderverdelen, bijvoorbeeld volgens het tijdstip dat de keuze gemaakt werd, of het individu dat de keuze maakte. We kunnen dan kijken naar de keuzes van individuen, en de keuzes van een individu kunnen we verder opsplitsen in individuele keuzes van dat individu. Neem als voorbeeld de keuzes die een impact hebben op het klimaat of het dierenwelzijn, zoals de keuze om met het vliegtuig te reizen of om vlees te eten.

Klimaatactivisten en dierenactivisten willen dat mensen milieuvriendelijkere en diervriendelijkere keuzes maken. De idealisten onder die activisten verkiezen een aanpak die werkt in een ideale wereld waarin alle mensen rationeel zijn en de juiste waarden delen. Hun boodschap kan dan al snel kordaat of radicaal zijn, zoals “Klimaatverandering is onrechtvaardig. Stop met vliegen!” en “Vlees is moord. Wordt veganist!” Een rationeel persoon die begaan is met dierenwelzijn, zal hierdoor wel overtuigd worden. Maar die strenge boodschap is voor de grote meerderheid te extreem, dus die meerderheid luistert er niet naar. Een minderheid, bijvoorbeeld 10%, staat wel open voor die boodschap en die mensen worden veganist en stoppen met vliegen. Het dierenleed van vlees en de klimaatimpact van vliegtuigreizen daalt voor de hele bevolking dan met 10%.

Tegenover de idealisten staan de realisten, die een strategie volgen die het best werkt in de reële wereld. Veel realisten denken dat een zachtere boodschap, zoals “minder vliegen” en “minder vlees eten”, effectiever is in de reële wereld. Met die boodschap zou het kunnen dat meer mensen worden aangesproken, en dat bijvoorbeeld alle mensen 20% minder gaan vliegen en minder vlees gaan eten. Het dierenleed en de klimaatimpact van de hele bevolking daalt in dit hypothetische voorbeeld dan met 20%. Dat is meer dan wat de idealisten konden realiseren.

Een idealist verkiest de idealistische situatie waarin 10% van de mensen volledig perfect goed zijn voor het klimaat en de dieren (dus geen slechte keuzes maken), boven een wereld waarin iedereen nog veel slechte keuzes maakt zoals vliegen en vlees eten (maar dan wel 20% minder slechte keuzes dan wat de overige 90% van de bevolking in de idealistische situatie doet). Een idealist focust met andere woorden op de keuzes van individuen en niet op de individuele keuzes. Een idealist kijkt naar het individu en stelt zich de vraag: is die persoon klimaatneutraal en veganist? Een realist kijkt daarentegen naar elke individuele reis en elke individuele maaltijd en stelt zich dan de vraag: is die reis met het vliegtuig, bevat die maaltijd dierlijk vlees? Voor het klimaat en de dieren telt het aantal reizen met het vliegtuig en het aantal maaltijden met vlees, niet het aantal mensen dat soms vliegt of het aantal mensen dat soms dierlijk vlees eet.

Idealistische klimaat- en dierenactivisten focussen op het individu en niet op individuele keuzes. Maar ze focussen op het individu op een nog andere manier: ze kijken eerder naar de resultaten geboekt door individuen, dan naar resultaten geboekt door de hele groep. Stel een groep van mensen wil iets doen aan het klimaat of het dierenleed. Ze kunnen ofwel persoonlijke maatregelen nemen waarmee de klimaatimpact en het dierenleed iets vermindert. Of ze kunnen onderzoek doen naar nieuwe technologieën zoals klimaatneutrale vliegtuigen en diervrij vlees (bv. celkweekvlees). Technologische innovatie is riskant: de meeste onderzoeksprojecten lopen op niets uit. Maar een kleine minderheid van innovaties zijn wel succesvol en resulteren in bijvoorbeeld goedkoop kwaliteitsvol celkweekvlees. Die nieuwe technologieën kunnen dan gemakkelijk door de hele bevolking overgenomen worden, want individuen moeten dan niet meer hun gedrag sterk aanpassen of heel andere keuzes maken. Stel dat elk individu nu een eigen onderzoeksproject kiest. Dan weten we dat de grote meerderheid van de onderzoekers niets gaat realiseren en geen positieve impact gaan hebben. Een kleine minderheid van de onderzoekers doet wel de geniale uitvinding, en die paar mensen realiseren dan heel veel goeds. Voor een idealist is het moeilijk te aanvaarden dat de grote meerderheid helemaal niets zinnigs realiseerde voor het klimaat en de dieren. Maar voor de realist (en voor het klimaat en de dieren) maakt het niet uit wie van de mensen de geniale uitvinding doet.

Meer lezen? https://stijnbruers.wordpress.com/2017/07/07/idealistic-versus-realistic-animal-advocacy-the-need-for-effectiveness-and-rationality/

Dit bericht werd geplaatst in Artikels en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s