Een nieuwe ethisch theorie: het kernwaarderingsmaximalisme

Kies de optie die de hoogste som heeft van de kernwaarderingen van alle individuen. Dit is het basisprincipe van een nieuwe ethische theorie: het kernwaarderingsmaximalisme. Deze theorie is een verfijning van het klassieke utilitarisme of welzijnsmaximalisme, de theorie die zegt dat we de optie moeten kiezen die het totale welzijn maximaliseert. Dat welzijnsmaximalisme heeft enkele ernstige contra-intuïtieve implicaties in bepaalde morele dilemma’s die bekend zijn in de deontologische ethiek en de populatie-ethiek. Het welzijnsmaximalisme is soms ondraaglijk veeleisend. Die moeilijk te aanvaarden implicaties kunnen vermeden worden door te rekenen met kernwaarderingen (onafwijsbare waarderingen of geldige waarderingen) van individuen in plaats van met enkel het welzijn van die individuen.

Dit artikel beschrijft de drie belangrijkste dilemma’s uit de deontologische ethiek en de populatie-ethiek, en toont aan hoe het nieuwe ethische basisprincipe van het kernwaarderingsmaximalisme tot aanvaardbare conclusies komt in dergelijke dilemma’s. Daarmee wordt de veeleisendheid van het welzijnsmaximalisme verzacht.

Het nieuwe basisprincipe van het kernwaarderingsmaximalisme

We beginnen met een abstracte beschrijving. Het kernwaarderingsmaximalisme stelt dat we de som van de kernwaarderingen van alle individuen moeten maximaliseren. Een individu is een bewust wezen dat een mentaal vermogen heeft om opties of situaties positief of negatief te waarderen. Een positieve waardering kan bijvoorbeeld bestaan uit positieve gevoelens van geluk. Voor elke optie die je kiest, zijn er individuen die bestaan, bestaan hebben of in de toekomst zullen bestaan. Elk van die individuen heeft een individuele waardering voor de gekozen optie, die uit te drukken is in een positief of negatief getal. Die waardering is een veralgemening van het welzijn dat gebruikt wordt in het klassieke utilitarisme of welzijnsmaximalisme.[1] De waarderingen van verschillende individuen zijn bij elkaar op te tellen.

Bij het kernwaarderingsmaximalisme worden enkel de kernwaarderingen (onafwijsbare waarderingen of geldige waarderingen) in rekening gebracht. Volgens deze theorie heeft iedereen een beperkt recht om waarderingen van anderen af te wijzen (weg te cijferen, te negeren, ongeldig te verklaren, te verdisconteren), op voorwaarde dat niemand daar een geldig bezwaar tegen kan hebben. Diegenen wiens waarderingen afgewezen worden, hebben daar meestal een geldig bezwaar tegen, maar niet altijd. Ze hebben geen geldig bezwaar als ze in de uiteindelijk gekozen optie geen lagere waarderingen hebben dan in de optie die gekozen zou zijn in de hypothetische situatie waarin sommige van de betrokken individuen (ofwel de individuen die hun recht inroepen om de waarderingen van anderen af te wijzen, ofwel de anderen die bezwaar aantekenen tegen de afwijzing van hun waarderingen), niet hadden bestaan. Kernwaarderingen of geldige, onafwijsbare waarderingen zijn waarderingen waarvoor niemand op een geldige wijze het recht kan inroepen om ze af te wijzen. Dat wil zeggen dat kernwaarderingen altijd meegeteld moeten worden in de som.

Het recht om waarderingen van anderen af te wijzen, is beperkt, in de zin dat ze in extreme situaties (waarbij verschillen in waardering heel groot zijn), niet mag ingeroepen worden.

De volgende secties maken dit abstracte principe van het kernwaarderingsmaximalisme concreter.

Drie dilemma’s van de deontologische ethiek en de populatie-ethiek

Het welzijnsmaximalisme of klassieke utilitarisme is de morele theorie die zegt dat we de optie moeten kiezen die het hoogste gesommeerde welzijn heeft. Dit welzijnsmaximalisme wordt voornamelijk bekritiseerd omwille van de veeleisendheid. Deze theorie kan verstrekkende ongewenste consequenties hebben voor individuen, waardoor ze soms erg contra-intuïtief aanvoelt. Die ongewenste consequenties kunnen we beschrijven aan de hand van de drie belangrijkste dilemma’s die als argumenten tegen het welzijnsmaximalisme gebruikt worden.

  1. Het orgaantransplantatiedilemma. Stel dat vijf patiënten in het ziekenhuis een orgaanziekte hebben en enkel kunnen gered worden als ze nieuwe organen krijgen. Er zijn geen organen beschikbaar voor transplantatie, maar de chirurg kan wel een onschuldige persoon, die vijf geschikte organen heeft, doden om diens organen te gebruiken. Een persoon wordt dus opgeofferd om vijf anderen te redden.
  2. Het brandend-huis-dilemma. Stel een huis brandt af met twee kamers. In de eerste kamer zit je kind opgesloten, in een andere kamer zitten vijf onbekende kinderen opgesloten. Jij bent de enige die nog net de tijd heeft om een van de twee kamerdeuren open te breken. Je hebt dus de keuze tussen het redden van ofwel je eigen kind ofwel de vijf andere kinderen.
  3. Het voortplantingsdilemma. Stel een kind is heel gelukkig. Maar de ouders van dat kind kunnen kiezen om nog tientallen extra kinderen op de wereld te zetten. Die tientallen kinderen zullen levens hebben die het nog net waard zijn om geleefd te worden, in de zin dat ze een positief maar klein levenswelzijn zullen hebben. Door die vele extra kinderen, zal het ene, reeds geboren kind diep ongelukkig worden. Het totale positieve welzijn van de tientallen extra kinderen is wel groter dan het totale welzijnsverlies van het ene kind, waardoor het totale welzijn van alle gezinsleden samen groter is bij het sterk uitgebreide gezin.

Rechtsgeldige waarderingen

Volgens het welzijnsmaximalisme moeten in de drie voorbeelden individuen zich opofferen ten bate van het totale welzijn (de totale waardering van alle individuen). Het welzijnsmaximalisme is dus erg veeleisend. We kunnen die veeleisendheid vermijden, door ten eerste te werken met waarderingen in plaats van met welzijn, en ten tweede – en belangrijker – ieder individu (of elke groep van individuen) een fundamenteel recht te geven, namelijk het recht om bepaalde waarderingen van anderen af te wijzen, zodat die waarderingen niet moeten meegenomen worden in de som. Ieder individu heeft dus het recht om (een deel van) de waarderingen van anderen uit te sluiten in de som. Dat voorkomt dat die individuen de plicht hebben om zich op te offeren voor het totale welzijn.

Maar zomaar de waarderingen van anderen uitsluiten, zal dan weer niet geapprecieerd worden door die uitgesloten anderen. Diegenen wiens waarderingen niet meegeteld worden, kunnen daar natuurlijk bezwaar tegen hebben. We moeten een onderscheid maken tussen geldige en ongeldige bezwaren. Een individu wiens waardering wordt uitgesloten van de som, kan tegen die uitsluiting een geldig bezwaar aantekenen indien die uitsluiting leidt tot de keuze voor een optie waarin dat individu er slechter aan toe is (dat wil zeggen een lagere waardering heeft) dan in de optie die (volgens het welzijnsmaximalisme) gekozen zou zijn in de hypothetische situatie waarin een of meerdere betrokken individuen niet aanwezig waren geweest (niet hadden bestaan). Als de bezwaar aantekenende individuen er niet beter aan toe waren geweest indien betrokken individuen niet aanwezig waren geweest, dan zijn de bezwaren ongeldig. Enkel als iemands bezwaar geldig is, is het afwijzen of negeren van diens waardering ongeldig, en dan heeft dat individu een geldige, onafwijsbare waardering die moet opgenomen worden in de som.

In de ethiek zijn er altijd twee groepen: diegenen die een beslissing nemen, en diegenen die de gevolgen van die beslissing dragen. Bij rechten zijn er twee groepen: diegenen die de rechten hebben, en diegenen die de bijhorende plichten dragen. Zo ook zijn er bij het afwijzen van waarderingen altijd twee groepen van betrokken individuen: de individuen die hun recht kunnen inroepen om de waarderingen van anderen af te wijzen, en de anderen die bezwaar kunnen aantekenen tegen de afwijzing van hun waarderingen. Dat er twee groepen van betrokken individuen bestaan, heeft als gevolg dat het welzijnsmaximalisme op twee vlakken wordt aangepast tot het kernwaarderingsmaximalisme. Omwille van die twee aanpassingen, kan het kernwaarderingsmaximalisme beter overweg met twee soorten van problemen die we tegenkomen bij de deontologische ethiek en de populatie-ethiek. Het kernwaarderingsmaximalisme is dus een uitbreiding van het welzijnsmaximalisme naar twee ethische domeinen: de deontologische ethiek en de populatie-ethiek.

Deontologische ethiek

Neem het orgaantransplantatiedilemma. De onschuldige persoon die opgeofferd wordt, kan het recht inroepen om de waarderingen van de vijf patiënten ongeldig te verklaren. Volgens de vijf patiënten krijgt de situatie waarin die patiënten gered worden met een orgaantransplantatie een hogere waardering dan de situatie waarin die patiënten sterven door orgaanfalen. Stel dat de onschuldige persoon die opgeofferd dreigt te worden, dat verschil in waardering van de vijf patiënten ongeldig verklaart of afwijst. Dat wil zeggen dat we moeten doen alsof de patiënten voor beide opties (wel of niet de persoon opofferen en diens organen transplanteren) dezelfde waardering hebben. Het is alsof die patiënten in beide opties sowieso sterven door de orgaanziekte. Die waarderingsafwijzing is geldig, want de patiënten kunnen er geen geldig bezwaar tegen aantekenen. Als namelijk die onschuldige persoon niet had bestaan, dan was er niemand om opgeofferd te worden, dan waren er geen organen om te transplanteren, en dan gingen de vijf patiënten dood, net zoals in de situatie waarin de onschuldige persoon wel bestaat maar niet opgeofferd wordt. Die patiënten waren er dus niet beter aan toe geweest als de onschuldige persoon niet bestond. Die extra waardering van de vijf patiënten voor de optie met orgaantransplantatie boven de optie zonder orgaantransplantatie, is dus een ongeldige waardering of afwijsbare waardering. De enige persoon voor wie de geldige waardering in beide opties verschillend is, is de onschuldige persoon die opgeofferd dreigt te worden (stel dat de vijf patiënten diens waardering afwijzen, dan kan die persoon er geldig bezwaar tegen aantekenen, waardoor die afwijzing ongeldig is en de waardering van die persoon dus geldig is). Die persoon heeft een hogere geldige waardering voor de optie waarin hij niet opgeofferd wordt. Die optie heeft dan de hoogste som van geldige (onafwijsbare) waarderingen, en moet dus verkozen worden.

De keuze van de optie om de onschuldige persoon niet op te offeren voor een orgaantransplantatie, is de keuze volgens een deontologische ethiek waarin iedereen een recht op lichamelijke zelfbeschikking heeft. Dat recht kunnen we ook herformuleren als het recht om niet als louter middel gebruikt te worden voor de doelen van anderen. Iemand wordt als louter middel gebruikt voor de doelen van anderen, wanneer diens lichaam tegen diens wil in gebruikt wordt. De twee woorden ‘lichamelijke’ en ‘zelfbeschikking’ (evenals de twee woorden ‘middel’ en ‘louter’), komen overeen met de twee voorwaarden om te spreken van een rechtenschending: 1) iemands lichaam moet aanwezig zijn om het doel te bereiken (dus die persoon moet bestaan en diens lichaam is het middel), en 2) het gebruik van diens lichaam is ongewenst door die persoon (dus die persoon moet dingen doen of ondergaan die zij niet wil). In het geval van het orgaantransplantatiedilemma moet het lichaam van die onschuldige persoon aanwezig zijn, want zonder diens lichaam zijn er geen organen om te transplanteren. En gedood worden door de chirurg is ongewenst door die persoon. Dus het recht op lichamelijke zelfbeschikking van die persoon wordt geschonden.

Dat recht om niet als louter middel gebruikt te worden, is een rechtstreeks gevolg van het recht om waarderingen van anderen af te wijzen als er geen geldige bezwaren zijn tegen die afwijzing. Datzelfde recht speelt ook mee bij het brandend-huis-dilemma. Stel dat jij jouw kind redt, dan mag ik je daar niet voor veroordelen. Je hebt niet de plicht om de vijf kinderen te redden, want als je wel die plicht had, mocht je daartoe gedwongen worden. Jouw aanwezigheid is noodzakelijk om die vijf kinderen te redden, want als je niet bestond, dan konden die kinderen niet gered worden. Als je gedwongen wordt om die kinderen te redden, dan wordt je dus gebruikt als louter middel voor de doelen van anderen, want de aanwezigheid van je lichaam is noodzakelijk om die kinderen te redden, en je moet dan iets doen dat je niet wil (omdat je liever je eigen kind redt).

Hier zien we dat het recht om niet als louter middel gebruikt te worden een vorm van partijdigheid toelaat: bij het helpen van anderen mag je partijdig zijn en een voorkeur geven voor jouw dierbaren, maar je moet gelijkaardige niveaus van partijdigheid bij anderen tolereren. Als jij jouw kind redt in plaats van andere kinderen, dan moet je tolereren dat anderen de voorkeur geven aan het redden van hun kinderen in plaats van jouw kinderen. Die partijdigheid is enkel toegelaten bij het helpen van anderen, niet bij het schaden van anderen. Dat jij jouw kind mag bevoordelen en mag redden uit een brandend huis en daardoor een ander kind laat sterven, wil niet zeggen dat jij bijvoorbeeld een ander kind mag doden om diens organen te gebruiken als jouw kind gered kan worden met een orgaantransplantatie. Als je dat andere kind opoffert en diens lichaam gebruikt voor je eigen kind, dan schaad je dat andere kind, in de zin dat dat kind er beter aan toe was geweest als jij niet bestond. Dat andere kind kan dan diens recht inroepen om de welzijnstoename (door de levensverlenging) van jouw kind ongeldig te verklaren en af te wijzen. Jouw kind kan daar geen geldig bezwaar tegen aantekenen, want als dat andere kind niet bestond, konden diens organen niet gebruikt worden. Als jij daarentegen in het brandend huis een ander kind laat sterven, dan kun je het recht inroepen om de welzijnstoename (door de levensverlenging) van dat andere kind kind ongeldig te verklaren. Dat kind kan daar geen geldig bezwaar tegen aantekenen, want als jij niet bestond, werd dat kind ook niet gered.

Hier zien we ook de bekende asymmetrie tussen positieve en negatieve plichten in de deontologische ethiek: een negatieve plicht om anderen niet te schaden weegt zwaarder door dan de positieve plicht om anderen te helpen. Iemand doden (iemand schaden) is erger dan iemand laten sterven (iemand niet redden), want als je iemand doodt, was het slachtoffer er beter aan toe geweest wanneer jij niet bestond, en als je iemand laat sterven, was het slachtoffer er niet beter aan toe geweest als jij niet bestond. Deze asymmetrie in de deontologische ethiek is dus ook een rechtstreeks gevolg van het recht om waarderingen van anderen af te wijzen als die anderen er geen geldig bezwaar tegen kunnen hebben.

Populatie-ethiek

Bij de deontologische ethiek kunnen we ons de vraag stellen: wat als het individu die het recht inroept om de waarderingen van anderen af te wijzen, niet had bestaan? Bij de populatie-ethiek kunnen we daarentegen de vraag stellen: wat als het individu dat bezwaar aantekent tegen de afwijzing van diens waarderingen, niet had bestaan?

De populatie-ethiek onderzoekt wat de beste optie is als onze keuzes bepalen wie er in de toekomst gaat bestaan. In het derde dilemma kunnen de ouders bepalen of er nog extra kinderen in de toekomst gaan bestaan. Dat volgens het welzijnsmaximalisme het reeds geboren kind zichzelf als het ware moet opofferen, in de zin dat het een toekomst moet aanvaarden waarin het gezin uitgebreid wordt met tientallen kinderen die allen levens hebben die nauwelijks waard zijn om geleefd te worden, staat in de populatie-ethiek bekend als de ‘venijnige conclusie’.

Om die venijnige conclusie in het voortplantingsdilemma te vermijden, kan het reeds bestaande kind haar recht inroepen om de waarderingen van de extra kinderen af te wijzen. Zolang die kinderen niet bestaan, kunnen ze geen geldig bezwaar aantekenen tegen die afwijzing. En als de kinderen wel bestaan, kunnen ze ook geen bezwaar aantekenen, want ze hebben dan een positieve waardering voor hun situatie.

Stel dat de ouders een grote kinderwens hebben en er voor kiezen om kinderen op de wereld te zetten met een negatief levenswelzijn, dus levens die het niet waard zijn om geleefd te worden. Die kinderen kunnen zeggen dat ze liever niet geboren waren geweest. Als de ouders hun recht inroepen om de negatieve waarderingen van die ongelukkige kinderen af te wijzen, en als die kinderen dan bestaan, dan kunnen ze wel een geldig bezwaar aantekenen tegen die afwijzing door de ouders.

Ook hier zien we een bekende asymmetrie wat betreft de voortplanting. Het op de wereld zetten van ongelukkige kinderen is niet goed en moeten we vermijden, maar het op de wereld zetten van gelukkige kinderen is geen verplichting. We hebben een plicht om het bestaan van ongelukkige wezens te vermijden, maar geen plicht om het bestaan van gelukkige wezens te veroorzaken. De negatieve waarderingen van potentiële wezens (toekomstige generaties) moeten we altijd volledig in rekening nemen, maar de positieve waarderingen niet. Potentiële wezens zijn wezens die in de toekomst kunnen geboren worden, maar we kunnen kiezen voor een toekomst waarin ze niet bestaan. Potentiële wezens zijn dus wezens die niet in alle mogelijke (verkiesbare) toekomsten bestaan. Uit deze voortplantingsasymmetrie kunnen we het principe afleiden dat we wel wezens gelukkig moeten maken, maar niet noodzakelijk gelukkige wezens moeten maken.

Beperking op het recht om waarderingen van anderen af te wijzen

Het recht om waarderingen van anderen te negeren, is niet absoluut. Stel dat een persoon heel veel levens kan redden, en daarbij iets moet doen dat slechts een klein beetje tegen diens wil in is. Dan mag die persoon wel verplicht worden om die levens te redden. Die persoon mag dus wel gebruikt worden as louter middel, als het gebruik slechts een beetje ongewenst is en het doel heel waardevol is. Die persoon mag dan niet meer de waarderingen van de potentiële slachtoffers ongeldig verklaren of afwijzen.

Hetzelfde geldt bij de voortplanting en de keuze voor het bestaan van toekomstige generaties. Stel dat de huidige generatie volledig de positieve waarderingen van toekomstige potentiële individuen negeert. In de toekomst kunnen er dan veel individuen geboren worden, maar als die een positieve waardering hebben voor hun bestaan, dan telt die waardering niet mee in de som van  geldige, onafwijsbare waarderingen. Alle negatieve waarderingen (bijvoorbeeld levens met veel leed) moeten daarentegen wel meegeteld worden. Dat wil zeggen dat de totale geldige waardering van toekomstige generaties enkel maar negatief kan zijn. Omdat er veel en grote toekomstige generaties kunnen bestaan, kan die totale geldige waardering al snel zo negatief zijn, dat ze de totale waardering van de huidige generatie overtreft. In dat geval is het beter dat er helemaal geen toekomstige generaties geboren worden, en dat we moeten kiezen voor massale uitsterving van alle bewuste leven. Dat is ongewenst, en we kunnen deze ongewenste conclusie vermijden door het recht om positieve waarderingen van toekomstige wezens af te wijzen, te beperken. Als toekomstige wezens bijvoorbeeld een heel positieve waardering hebben voor hun bestaan, dan is die positieve waardering wel (grotendeels) geldig en moet ze (grotendeels) meegeteld worden.

Hoe sterk het recht is om waarderingen van anderen te negeren, kan afhangen van de keuzeopties die we hebben, en moeten we democratisch bepalen. Hebben we bijvoorbeeld een heel sterke voorkeur om de conclusie van massa-uitsterving te vermijden, en hebben alle keuzeopties veel toekomstige generaties die sterk negatieve waarderingen hebben voor hun bestaan, dan moeten we al snel positieve waarderingen van toekomstige wezens sterk laten meetellen, zodat de totale waardering van toekomstige generaties toch nog netto positief is.

Toepassing: de veeteelt

De veeteelt is een goed voorbeeld om het kernwaarderingsmaximalisme op toe te passen.

Bekijk het eerst vanuit een deontologisch-ethische hoek. Mensen die graag dierlijke producten eten, hebben een hogere waardering voor de situatie waarin ze dierlijke producten kunnen eten, dan voor de situatie waarin ze die niet kunnen eten. De veedieren hebben daarentegen een lagere waardering voor de situatie waarin hun lichamen gebruikt worden voor de productie van dierlijk voedsel zoals vlees, zuivel en eieren. De lichamen van veedieren worden als middel gebruikt, en de veedieren moeten daarbij dingen ondergaan die ze niet willen. Het recht op lichamelijke zelfbeschikking van de veedieren wordt dus geschonden. De veedieren (of de mensen die voor de belangen van veedieren opkomen) kunnen dan hun recht inroepen om de waarderingen van mensen die dierlijke producten eten, af te wijzen. In het bijzonder kunnen ze zeggen dat het extra genot of welzijn van het eten van dierlijke producten, niet mag meegeteld worden. De mensen kunnen daar geen geldig bezwaar tegen aantekenen, want als de veedieren niet bestonden, dan konden de mensen ook niet genieten van het eten van dierlijke producten. De waarderingen van de mensen voor het eten van dierlijke producten zijn dus ongeldig. De waarderingen van de dieren om niet tegen hun wil in gebruikt te worden als middel, zijn wel geldig. Die waarderingen van de dieren vormen kernwaarderingen of onafwijsbare waarderingen. Volgens het kernwaarderingsmaximalisme is veeteelt dus niet toegelaten.

We kunnen het ook bekijken vanuit een populatie-ethische hoek. Als veedieren een negatieve waardering hebben voor hun leven in de veeteelt, dan is het beter dat die dieren niet geboren worden, dan dat ze een bestaan leiden in de veeteelt. Die negatieve waarderingen moeten we dan meetellen. Die negatieve waarderingen kunnen al snel groter zijn dan de positieve waarderingen van mensen voor het eten van dierlijke producten. De totale waardering van mensen plus dieren gaat dan lager liggen in de situatie met veeteelt.

Maar stel dat veedieren een positieve waardering hadden voor hun leven in de veeteelt. Stel dat veedieren nog gelukkige levens hebben, dus meer positieve dan negatieve ervaringen hebben in de veeteelt. Mensen kunnen dan beslissen om die positieve waardering van de veedieren af te wijzen (niet mee te tellen in de som). Enkel hun eigen waardering voor het eten van dierlijke producten telt dan mee, en dat zou betekenen dat de veeteelt de beste optie is. Maar er is nog een derde optie mogelijk, waarin de veedieren wel bestaan, maar waarin ze niet gebruikt worden voor de productie van dierlijke voeding. In die derde optie worden de dieren goed verzorgd, hebben ze veel leefruimte, en worden ze niet geslacht. Voor die situatie hebben de dieren een nog hogere waardering dan voor de veeteeltsituatie. De mensen hebben daarentegen de laagste waardering voor die derde optie, want ze kunnen niet eens genieten van dierlijke producten, maar ze moeten wel de dieren verzorgen en hen voldoende leefruimte bieden ten koste van hun eigen leefruimte. Van zodra de mensen kiezen voor de optie van de veeteelt, gaan ze het bestaan van dieren veroorzaken. Van zodra die dieren bestaan, moeten hun waarderingen wel in rekening worden gebracht. Die dieren hebben de hoogste waardering voor de derde optie. Die derde optie kan zo de hoogste totale waardering van mensen en dieren hebben. Aangezien die derde optie de minste voorkeur (laagste waardering) heeft volgens de mensen, kunnen de mensen best op voorhand, voordat de veedieren bestaan, er toch voor kiezen om het bestaan van de veedieren te vermijden. Die onbestaande veedieren kunnen geen geldig bezwaar aantekenen tegen hun niet-bestaan. Dus uiteindelijk is de optie waarin de dieren niet bestaan, de beste volgens het kernwaarderingsmaximalisme. Conclusie: zelfs als veedieren in de veeteelt een positieve waardering zouden hebben voor hun bestaan in de veeteelt, is het beter om te kiezen voor de optie waarin die veedieren niet bestaan. Een veeteelt met gelukkige veedieren is dus ook ongewenst. Kiezen voor de optie waarin de dieren wel bestaan en een nog grotere waardering hebben dan voor hun bestaan in de veeteelt, mag ook, maar die optie is geen verplichting voor de mensen.

Conclusie

Volgens het kernwaarderingsmaximalisme moeten we de optie kiezen die de hoogste totale kernwaardering kent, waarbij dat totaal bestaat uit de som van alle kernwaarderingen van alle wezens die bestaan of ooit gaan bestaan en die bewuste waarderingen hebben voor de situaties waarin ze bestaan. Kernwaarderingen of onafwijsbare waarderingen zijn waarderingen waarvoor er geldige bezwaren zijn tegen afwijzing. Iedereen heeft een beperkt recht om waarderingen van anderen af te wijzen of ongeldig te verklaren, dus niet mee te laten tellen in het totaal, op voorwaarde dat die anderen er geen geldig bezwaar tegen kunnen hebben, dus als die anderen in de uiteindelijk gekozen optie geen lagere waardering hebben dan in de optie die gekozen zou zijn in de hypothetische situatie waarin sommige van de betrokken individuen niet hadden bestaan.

Als de individuen wiens waarderingen afgewezen worden er niet beter aan toe zouden zijn in hypothetische situaties waarin een van de betrokken partijen niet zou bestaan, dan zijn de waarderingen van die individuen niet geldig, dan mogen ze afgewezen worden en hoeven ze niet meegeteld te worden in de totale onafwijsbare waardering. Kernwaarderingen zijn geldige, onafwijsbare waarderingen waarvoor niemand op een geldige wijze het recht kan inroepen om ze te negeren. Die waarderingen moeten dus altijd meegeteld worden bij de bepaling van de beste optie.

Er zijn twee groepen van betrokken individuen: diegenen die hun recht kunnen inroepen om de waarderingen van anderen af te wijzen, en diegenen die bezwaar kunnen aantekenen tegen de afwijzing van hun waarderingen. Omdat er twee betrokken partijen zijn, kunnen we twee soorten vragen stellen. Wat als de individuen die het recht inroepen om de waarderingen van anderen af te wijzen, niet hadden bestaan? En wat als de individuen die bezwaar aantekenen tegen de afwijzing van hun waarderingen, niet hadden bestaan? Bij de eerste vraag komen we uit op de deontologische ethiek, waarbij het recht geldt om niet als louter middel gebruikt te worden. Dat recht creëert ook een asymmetrie tussen positieve en negatieve plichten, waarbij een negatieve plicht om anderen niet te schaden sterker is dan een positieve plicht om anderen te helpen. Bij de tweede vraag komen we uit op de populatie-ethiek, waarbij het recht geldt om niet het bestaan te moeten veroorzaken van toekomstige wezens met een positieve waardering voor hun bestaan. Dat recht creëert een asymmetrie met betrekking tot de voortplanting: we hebben altijd goede redenen om het bestaan te vermijden van wezens met een negatieve waardering voor hun bestaan, maar niet altijd goede redenen om het bestaan te veroorzaken van wezens met een positieve waardering voor hun bestaan.

Door het recht om de waarderingen van anderen af te wijzen, kan het kernwaarderingsmaximalisme zowat alle contra-intuïtieve implicaties van het welzijnsmaximalisme (het klassieke utilitarisme) vermijden. Dat recht is niet absoluut, maar is beperkt: als het verschil in totale waardering tussen twee opties heel groot is, mag het recht niet ingeroepen worden om de optie met de lagere totale waardering te bekomen.

Het kernwaarderingsmaximalisme komt overeen met het complaint-free discounted utilitarianism. Het populatie-ethische gedeelte van deze theorie komt overeen met het person-affecting neutral-range utilitarianism. Het kernwaarderingsmaximalisme is een inhoudelijk (substantief) ethisch basisprincipe, dat zegt welke keuze we precies moeten maken. Daarnaast is er ook een procedureel ethisch basisprincipe, namelijk het antiwillekeurprincipe, dat zegt hoe we een keuze moeten maken (welke regels we moeten volgen bij het maken van een keuze).


[1] Exacter geformuleerd geeft een waardering aan hoe sterk het individu de gekozen optie waardeert of verkiest ten opzichte van een referentie-optie. In die referentie-optie hebben alle andere individuen dezelfde waardering als in de gekozen optie, maar het individu zelf heeft geen waardering (omdat het individu bijvoorbeeld niet bestaat, bewusteloos is of het vermogen ontbreekt om opties te waarderen). De waardering van een individu kan de verwachtingswaarde zijn van een gewogen functie van onder meer het levenswelzijn van het individu in de gekozen optie. Het levenswelzijn meet de hoeveelheid positieve en negatieve ervaringen van een individu over het volledige leven. Om levenswelzijn van verschillende individuen onderling te kunnen vergelijken, kan de intensiteit van een ervaring berekend worden aan de hand van het aantal ‘juist merkbare verschillen’ (bijvoorbeeld het aantal discrete basiseenheden pijn waaruit een pijnervaring is opgebouwd). Een juist merkbaar verschil in welzijn is de basiseenheid van welzijn, en die is voor elk individu even groot. Het levenswelzijn kan dan bestaan uit een gewogen som van alle juist merkbare verschillen van welzijn (positieve ervaringen) min de gewogen som van alle juist merkbare verschillen van onwelzijn (leed, negatieve ervaringen), over het volledige leven van het individu. De gewichtsfactoren in de gewogen som geven aan hoe sterk het individu diens toekomstige ervaringen waardeert. Door die gewichtsfactoren heeft iemand die bijvoorbeeld 100 jaar leeft met een constant positief welzijn een hoger levenswelzijn dan de som van het levenswelzijn van twee personen die elk 50 jaar leven met een even hoog constant welzijn. Dat wil zeggen dat iemand pijnloos en onverwachts doden en vervangen door een nieuwe persoon die even gelukkig is, een lagere som van levenswelzijn oplevert. Het levenswelzijn van individuen dienen we te verhogen, waarbij een prioriteit kan gegeven worden aan individuen met het laagste levenswelzijn. Die prioriteit wil zeggen dat individuen met een lager levenswelzijn een sterker gewicht krijgen in de som van waarderingen. Een waardering is dus een gewogen functie van het levenswelzijn. Als een optie onzeker is in de zin dat ze meerdere uitkomsten kan opleveren, waarbij elke uitkomst een bepaalde kans heeft om op te treden en bepaalde ervaringen veroorzaakt bij een individu, kan de verwachtingswaarde volgens die kansen berekend worden van de gewogen levenswelzijnswaarden van een individu over de verschillende uitkomsten.

Dit bericht werd geplaatst in Blog en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s