Schadelijkheid van goedbedoelde acties

Dit artikel verscheen ook in het SKEPP-magazine Wonder en is gheen Wonder 2, 2022.

Sociale rechtvaardigheid, ecologische duurzaamheid, dierenwelzijn. Dat zijn de waarden waarvoor ik me zowat twintig jaar geleden begon in te zetten. Van manifestaties voor mensenrechten tot petities voor dierenrechten. Van lezingen over duurzame voeding tot studiewerk over de ecologische voetafdruk. Van vrijwilligerswerk voor ontwikkeling in Afrika tot directe acties tegen walvisjacht in Antarctica. Na jaren van actievoeren, vroeg ik me af: “Wat waren nu de effectiefste acties, goede doelen en maatregelen die ik steunde?”

Zo kwam ik in contact met de effectief-altruïsmebeweging: een groep van kritisch denkende wereldverbeteraars die met grondige analyses en wetenschappelijk bewijs op zoek gaan naar de beste maatregelen om goed te doen in de wereld. Het altruïsme verwijst naar het helpen van anderen. Daar zijn activisten mee vertrouwd. Maar ik besefte dat veel van mijn activisme helemaal niet zo effectief was. Dat veroorzaakte een ware revolutie in mijn denken. Ik ben de afgelopen jaren op vele vlakken van mening veranderd.

Hier volgen een tiental voorbeelden van acties die ik deed voor menselijke ontwikkeling, milieu en dierenwelzijn, waarvan de kans groot is dat ze niet enkel ineffectief, maar zelfs contraproductief waren. Het zijn goedbedoelde acties die misschien wel meer kwaad dan goed kunnen doen. Ze tonen aan dat wereldverbeteraars er goed aan doen om kritisch te denken en te luisteren naar wetenschappelijk onderzoek in plaats van buikgevoelens. Voor een uitgebreider overzicht, met verwijzingen naar wetenschappelijke literatuur, zie “My mistakes and failures”.

Fondsenwerven voor een mediaan goed doel

Een vrij recent, revolutionair inzicht binnen het effectief altruïsme, is dat een kleine minderheid van maatregelen veel effectiever blijkt te zijn dan de grote meerderheid. De meeste goede doelen en acties hebben weinig positieve impact, sommige kunnen zelfs negatief zijn, maar een kleine minderheid is supereffectief. Dan gaat het al gauw over tien tot duizend keer effectiever. Alsof de bevolking bestaat uit allemaal dwergen en een paar superreuzen. Bijvoorbeeld, met het geld nodig om een blinde een tiental jaar te helpen met een blindengeleide hond, kunnen we chirurgen betalen om in arme landen een duizendtal goedkope ingrepen tegen ooglidinfecties uit te voeren, waardoor een duizendtal kinderen niet meer langzaamaan blind worden.

Je mag zeker nog veel geld geven om een blinde te helpen als je met die persoon een persoonlijke band hebt. Effectief altruïsme is zeker niet tegen partijdig altruïsme waarbij hulp gebonden is aan een interpersoonlijke band. Dergelijk altruïsme is niet irrationeel. Maar een effectief altruïst heeft ook een potje van geld, tijd of middelen ter beschikking voor onpartijdig altruïsme, waarbij effectiviteit cruciaal is. Kiezen voor de maatregel die minder goeds oplevert, is dan irrationeel.

Ik heb in het verleden geld ingezameld voor verschillende goede doelen. Doordat ik toen weinig oog had voor effectiviteit, zou het best kunnen dat ik in sommige gevallen meer kwaad dan goed deed, ondanks mijn goedbedoelde inzet. Rangschik alle goede doelen van lage naar hoge effectiviteit. Het zou best kunnen dat een van de goede doelen waar ik me voor inzette ergens in de middenmoot behoort, dus met een mediaan effectiviteit. Doordat de meeste goede doelen een lage effectiviteit hebben die rond de mediaan zit, maar een kleine minderheid een zeer hoge effectiviteit hebben, is de gemiddelde effectiviteit hoger dan de mediaan effectiviteit. Dat zien we ook bij een scheve inkomensverdeling: de meeste mensen hebben een inkomen ver onder het gemiddelde inkomen, omdat een kleine minderheid van superrijken het gemiddelde inkomen omhoog trekt. Als ik op straat mensen aansprak om geld te doneren aan een goed doel, dan gaan mensen misschien ietsje meer geld doneren aan goede doelen, maar ze gaan vooral verschuiven tussen goede doelen. Ze gaan meer aan mijn goede doel doneren en minder aan andere. Maar die verzameling van andere goede doelen heeft een gemiddelde effectiviteit, en die is hoger dan de effectiviteit van mijn mediaan goed doel. Dus globaal genomen komt dat geld dan terecht bij goede doelen met een lagere effectiviteit. We eindigen met een wereld waarin minder goeds wordt gedaan dan de wereld waarin ik me helemaal niet inzette voor dat mediaan goed doel. Fondsenwerven voor een goed doel kan dus soms meer kwaad dan goed doen. Dergelijke contra-intuïtieve conclusies komen we vaak tegen binnen het effectief altruïsme. Dus als je geld inzamelt voor een goed doel, denk dan goed na of dat goede doel een effectiviteit heeft hoger dan het gemiddelde. En wees je ervan bewust dat er organisaties zijn die met eenzelfde bedrag dat ze van je krijgen, misschien wel honderd keer meer goeds realiseren. Hoeveel zou je willen betalen om te weten te komen wat die supereffectieve goede doelen zijn? Hoe waardevol is die informatie over de effectiviteit van goede doelen?

Fair-trade

Ik kocht vroeger veel fair-trade producten. Maar toen ik me verdiepte in de economie, kwam ik tot nieuwe inzichten. Minder dan een vijfde van het fair-trade premium (de meerkost die we als consument betalen voor een product van eerlijke handel) komt terecht bij de boeren. De rest komt terecht bij mensen die niet zo heel arm zijn. Die boeren zijn ook niet de allerarmste mensen, want ze hebben grond en ze kunnen een duur een fair-tradelabel betalen. Vanuit rechtvaardigheidsoogpunt is het beter als geld gaat naar de armsten. Om het nog erger te maken: als de fair-tradeboeren extra geld krijgen voor hun producten, bovenop de vrije-marktprijs, dan kan dat leiden tot overproductie. De armere niet-fair-tradeboeren gaan dan de prijzen van hun producten moeten drukken, waardoor ze nog lagere inkomens krijgen. Dit is duidelijk niet de effectiefste manier om extreme armoede te bestrijden.

In de plaats van fair-trade, koop ik nu de goedkoopste producten, en het uitgespaarde geld – dat al gauw oploopt tot enkele honderden euro’s per jaar – geef ik aan goede doelen aanbevolen door GiveWell. Dat zijn de effectiefste goede doelen om extreme armoede uit te roeien. GiveWell wordt hoog aangeschreven binnen het effectief altruïsme omdat ze zich zo sterk baseert op wetenschappelijk onderzoek, van randomized controlled trials tot meta-analyses. GiveWell heeft voor ons het studiewerk verricht en heeft enkele supereffectieve goede doelen gevonden.

Antiglobalisering en sweatshopboycots

Mijn activisme begon bij de antiglobaliseringsbetogingen zo’n twintig jaar geleden. Ik voerde actie tegen het mondiale kapitalistische systeem van vrije handel. Ik boycotte vele multinationals en kocht geen producten gemaakt in sweatshops in het Zuiden. Maar dergelijke boycots kunnen averechts werken. Als niemand nog zulke producten koopt, dan gaan sweatshops de deuren sluiten, dan gaan multinationals niet meer investeren in fabrieken in arme landen. Wat gebeurt er dan met die lokale arbeiders die hun job verliezen? Die worden ofwel werkloos (zonder sociaal opvangnet), of ze moeten noodgedwongen gaan werken in bijvoorbeeld de landbouw, mijnbouw of prostitutie. Dat zijn sectoren met slechtere arbeidsomstandigheden, want als die arbeidsomstandigheden beter waren geweest, dan besloten die mensen wel om in die sectoren te gaan werken. Een boycot kan dus meer kwaad dan goed doen (met uitzondering de boycot van producten gemaakt met slavernij, want slaven worden gedwongen tot werk in slechte omstandigheden en zijn er wel beter af wanneer ze dat slavenwerk niet meer kunnen doen). Er is een consensus bij economen dat mondiale vrije handel een sociale welvaartswinst oplevert doordat het wederzijds voordelige handelstransacties oplevert waar alle partijen baat bij hebben.

In plaats van me te verzetten tegen de kapitalistische globalisering, pleit ik nu voor een andere vorm van economische vrijheid: vrije internationale migratie. Door het effectief altruïsme ben ik economie gaan studeren, omdat de economische wetenschap zich sterk bezighoudt met effectiviteit van maatregelen. Zo heb ik economisch onderzoek gedaan naar vrije migratie, samengevat in mijn boek Open Grenzen. Arme landen hebben gebrekkige instituties (economische spelregels). Door een gebrekkig rechtssysteem (denk aan contractrecht, eigendomsrecht, kwaliteitsstandaarden,…) is er minder vertrouwen en dus minder productiviteit in die economie. Mochten wij verhuizen naar een arm land, dan zou onze arbeidsproductiviteit er veel lager zijn, zelfs als we de lokale taal perfect machtig zijn. Ons loon zou er gemiddeld vier keer lager liggen, voor gelijkaardig werk. Een beleid van gesloten grenzen betekent dat mensen niet mogen migreren naar de plaatsen waar hun arbeid het productiefst is. Die grenzen veroorzaken een enorme mondiale loonkloof van 75%, en een verlies van productiviteit. Bij vrije migratie kan het bruto mondiaal product (het totale wereldinkomen) verdubbelen. De mensheid wordt dan dubbel zo rijk. Het mondiaal jaarinkomen stijgt met 30.000 euro per migrant die toegelaten wordt op de arbeidsmarkt in een hoog-inkomensland. Vrije migratie is daarmee de effectiefste maatregel om extreme armoede uit te roeien en mondiale inkomensongelijkheid te verkleinen.

GGO-verbod

Laten we naar het milieu-activisme gaan. Toen ik begon na te denken over de effectiviteit van mijn acties, was mijn verzet tegen genetisch gemanipuleerde gewassen (GGO’s) het eerste sterke voorbeeld waarvan ik van mening ben veranderd (en waarvoor ik in 2016 de Zesde Vijs Skepp-prijs ontving). Ik trok op onderzoek uit, en mijn argumenten tegen genetische manipulatie smolten als sneeuw voor de zon. Er bleek namelijk een duidelijke wetenschappelijke consensus te zijn dat GGO’s veilig en doeltreffend zijn. Een meta-analyse gaf aan dat GGO-landbouw resulteerde in 37% lager pesticidengebruik, 20% lager landgebruik (door hogere opbrengsten) en bijna 70% hogere inkomens voor de (veelal armere) boeren. GGO’s bieden veel potentieel in termen van resistentie (tegen ziektes, overstromingen, droogtes, insecten,…), bodemvruchtbaarheid, biodiversiteit, voedingswaarde en houdbaarheid. De huidige overdadig strenge regelgeving rond GGO’s – die er kwam onder druk van de milieubeweging – zet een rem op innovaties van levensreddende gewassen (denk aan gouden rijst) en versterkt de monopoliemacht van grote zaadmultinationals.

Biovoeding

Vroeger kocht ik veel producten van biologische landbouw. Maar ook biovoeding is een irrationeel kantje van de milieubeweging. Meerdere meta-analyses geven aan dat biovoeding (per kilogram product) een hogere ecologische voetafdruk (landgebruik door lagere opbrengsten) en een hogere stikstofvoetafdruk (vermestings- en verzuringsgraad) heeft. De Environmental Impact Quotient van pesticiden toegelaten in de biolandbouw is soms hoger dan van synthetische pesticiden. Op velden met genetisch gemanipuleerde gewassen die Bt-insectengif (een biologische pesticide) aanmaken is er vaak een hogere biodiversiteit van onschadelijke ongewervelde dieren dan op biolandbouwvelden waar Bt-insectengif gebruikt wordt. Al bij al heeft biolandbouw mogelijks een hogere impact op de biodiversiteit. En er zijn geen duidelijke gezondheidsvoordelen voor de consument. Biovoeding is wel 30% duurder. Die meerkost is pakweg tien keer hoger dan de externe milieukosten van niet-biologische voeding die niet in de prijs verrekend zijn, en veel hoger dan de gemiddelde betalingsbereidheid om gezondheidsrisico’s van pesticidenresidu’s te verminderen. De giftigheid van pesticidenresidu’s in gangbare voeding is lager dan van de consumptie van een alcoholische drank om de paar jaar. Mochten consumenten rationeel hun gezondheidsrisico’s inschatten, dan zouden ze niet zoveel extra geld neerleggen voor biovoeding die niet bepaald gezonder is. Biovoeding kan hogere niveaus van giftige mycotoxines bevatten, omwille van een minder effectieve schimmelbestrijding. En voor de armste landen in Afrika is biolandbouw (onder de noemer agro-ecologie of conservatielandbouw) ook geen oplossing: volgens een meta-analyse biedt het geen verbetering op vlak van voedselproductiviteit, voedselzekerheid en gendergelijkheid van boeren.

In plaats van biovoeding, kies ik voor plantaardige (veganistische) voeding. Veganisme is duidelijk veruit de effectiefste maatregel voor duurzame voeding: de totale mondiale broeikasgasemissie daalt met 10%, landgebruik met 50%, vermesting en verzuring met 25%, pesticidengebruik met 10%, biodiversiteitsverlies met 50%, antibioticagebruik met 75%, nieuwe infectieziektes (zoönoses zoals vogelgriep) met 15%, luchtvervuiling met 13%, voedselveiligheidsrisico’s (bv. bacteriële contaminatie) met 40%, arbeidsongevallen met 3% en antropogeen (door mensen veroorzaakt) dierenleed met 99%. Geen enkele andere persoonlijke gedragsmaatregel biedt zoveel winsten op zoveel vlakken.

Door te kiezen voor goedkopere niet-biovoeding in plaats van bio, spaar ik jaarlijks meer dan 500 euro uit. Dat geld doneer ik aan organisaties die technologische innovatie van diervrije voeding (alternatieve eiwitten of clean protein) versnellen, zoals het Good Food Institute, New Harvest, Clean Research, Modern Agriculture Foundation en Cellular Agriculture Society. Deze organisaties focussen op onderzoek en ontwikkeling van cellulaire landbouw voor de productie van celkweekvlees, en fermentatielandbouw voor de productie van melk zonder koe en ei zonder kip. Op die manier wordt een diervrije voeding voor iedereen makkelijker haalbaar.

Glyfosaatverbod

Stickers met doodskoppen plakken op Roundup-producten, een goed idee? Met deze actie voerde ik met de milieubeweging campagne voor een verbod op glyfosaat, het ingrediënt van de onkruidverdelger Roundup. Glyfosaat wordt geviseerd, omdat het de meest gebruikte herbicide is. Maar nu blijkt glyfosaat een van de veiligste herbiciden te zijn. Andere herbiciden zijn al snel honderd tot duizend keer giftiger. Dus als glyfosaat in de landbouw verboden wordt, dan mogen landbouwers echt niet overschakelen – zelfs niet een klein beetje – op andere herbiciden. Als ze in de plaats van glyfosaat slechts een tikkeltje andere herbiciden gebruiken, neemt de vergiftiging van het milieu toe. Dus we moeten eerst de giftigere herbiciden volledig bannen. En andere vormen van onkruidbestrijding (afbranden, ploegen,…) hebben ook een negatieve milieu-impact. Mocht glyfosaat wereldwijd verboden worden, dan daalt het jaarinkomen van boeren met 7 miljard dollar, stijgt de milieu-impactquotiënt van herbiciden met 12%, de jaarlijkse CO2-uitstoot met 2,6 miljoen ton, en is er bijna 800.000 hectare landbouwgrond extra nodig.

In plaats van acties voor het verbieden van glyfosaat kunnen we beter werk maken van verticale landbouw (indoor farming). Bij dergelijke voedselproductie hebben we geen problemen meer met onkruid, en ook niet met insectenvraat, extreme weersfenomenen, bodemerosie, landgebruik en watergebruik. Dat is dus veel milieuvriendelijker, en het effectiefste om pesticidengebruik te verminderen. Daarom steun ik nu de Association for Vertical Farming, om onderzoek en ontwikkeling van verticale landbouw te versnellen. Helaas zie ik binnen de milieubeweging redelijk wat weerstand tegen verticale landbouw, wat net zo irrationeel is als hun weerstand tegen GGO’s.

Kernuitstap

Kernenergie kan niet ontbreken in het lijstje van irrationele milieucampagnes. Ik ben verschillende keren gearresteerd geweest voor blokkadeacties aan kerncentrales. Maar het afstappen van kernenergie doet waarschijnlijk meer kwaad dan goed. Kijken we naar het aantal doden door ongevallen en vervuiling, of de naar de CO2-uitstoot, per kilowattuur opgewekte elektriciteit, dan blijkt dat kernenergie vergelijkbaar is met hernieuwbare energie (wind- en zonne-energie) en 10 tot 1000 keer veiliger en klimaatvriendelijker is dan fossiele energie (gas en steenkool). Met andere woorden: als we van kernenergie afstappen, dan mag niet meer dan een paar procent van die energie vervangen worden door fossiele energie, of er vallen meer doden en er is meer klimaatverandering. Meer dan 90% van de kernenergie zou moeten vervangen worden door hernieuwbare energie. Dat is erg onwaarschijnlijk. Vandaar dat de meerderheid van wetenschappers voorstander is van het behouden van kernenergie en het bouwen van meer kerncentrales. Een ander voorbeeld van een contraproductieve maatregel, was de evacuatie van Fukushima na de kernramp door een tsunami. In vergelijking met de situatie dat de bevolking thuis bleef wonen, leidde die evacuatie tot naar schatting 1600 extra vroegtijdige overlijdens de eerste drie jaren na de ramp. En het sluiten van de Japanse kerncentrales na die ramp leidde mogelijks tot 20.000 extra doden, door de hogere energieprijzen in de winter (sterftes door de kou) en de hogere luchtvervuiling door steenkoolcentrales.

Kunststofban

Milieubewuste consumenten proberen zoveel mogelijk plastic te vermijden, en verkiezen natuurlijke materialen. Maar de milieu-impact (in termen van landgebruik, toxiciteit en broeikasgasuitstoot) van katoen is telkens hoger dan van kunststofvezels. En dierlijke producten (wol, bont en leder) zijn nog schadelijker. Volgens levenscyclusanalyses zijn glazen flessen meer dan dubbel zo slecht als plastic flessen. En plastic (wegwerp)zakken vervangen door papieren (wegwerp)zakken doet meer kwaad dan goed, want de milieu-impact van papier is groter. Een herbruikbare plastic boodschappentas is ook pakweg honderd keer beter dan een katoenen boodschappentas. In plaats van campagnes tegen plastic te voeren, kunnen milieu-activisten beter zwerfvuil verzamelen of meedoen met een beach clean actie. 

Palmolieboycot

Op een pot chocopasta in de biowinkel staat “palm oil free”. Palmolie wordt geassocieerd met ontbossing in Zuidoost Azië, het leefgebied van de orang-oetan. Onduurzame palmolie, waarvoor biodiverse wouden en veenmoerassen worden afgebrand, is inderdaad heel slecht voor het klimaat en de biodiversiteit. Maar dat is nog geen reden om alle palmolie te boycotten. Want duurzame palmolie is zowat de milieuvriendelijkste olie, omdat die de hoogste opbrengsten heeft. Die biologische chocopasta bevat bijvoorbeeld zonnebloemolie in de plaats van palmolie, en zonnebloemolie heeft een hogere ecologische voetafdruk door de lagere opbrengsten. Als we massaal palmolie vermijden en evenveel oliën blijven consumeren, dan hebben we veel meer land nodig. Maïsolie en duurzame palmolie hebben de laagste voetafdruk, maar zijn niet zo gezond. Lijnzaadolie is de gezondste olie, maar zoek je een olie die zowel voor het milieu als je gezondheid goed scoort, dan kan ik je koolzaadolie aanraden. Dierlijke vetten zoals boter zijn het sterkst af te raden, want die scoren het slechtste op zowel milieu als gezondheid.

Ovovegetarische producten

Laten we tot slot kijken naar enkele contraproductieve maatregelen op vlak van dierenwelzijn. Om dierenleed te verminderen, verving ik vlees door vegetarische vleesvervangers. Dat is meestal effectief, behalve in een geval: ik heb in het verleden rood vlees (rund- en varkensvlees) vervangen door ovovegetarische producten die kippenei-eiwit bevatten. Nu kunnen we het aantal uren leed uitrekenen die veedieren moeten ondergaan voor de productie van een portie (100 gram) van een dierlijk product. Voor een portie rood vlees moeten runderen en varkens ongeveer vijf uur negatieve ervaringen ondergaan die je je hond of kat niet zou toewensen. Maar de productie van een ovovegetarische vleesvervanger met kippenei-eiwit gaat al gauw gepaard met dubbel zoveel leed: pakweg tien uur leed per portie. Dat komt omdat er veel eieren nodig zijn voor dat eiwit, en legkippen in de gangbare pluimveeteelt ondergaan veel leed. Mensen die bezorgd zijn om dierenleed doen er goed aan om veganistische vleesvervangers te kiezen in plaats van vegetarische.

Omdat rood vlees een slechtere reputatie heeft dan kippenvlees op vlak van zowel het milieu als de gezondheid, gaan milieubewuste consumenten rood vlees vervangen door kip. Helaas, daardoor stijgt het dierenleed heel sterk. Voor de productie van een portie kippenvlees of eieren, moeten kippen in de pluimveeteelt wel twee dagen afzien, dus tien keer langer dan voor een even grote portie rood vlees of kaas. Het is moeilijk om het leed van een kip te vergelijken met dat van een mens, maar volgens zowat alle schattingen neemt het totale leed op aarde toe als rood vlees wordt vervangen door kippenvlees. Tenzij je gelooft dat kippen zowat gevoelloos zijn, telt het extra leed van de kippen in de pluimveeteelt zwaarder door dan het extra leed van mensen ten gevolge van de extra klimaatverandering en ziektes door de consumptie van rood vlees. En de risico’s op zoönotische infectieziektes, zoals vogelgriep, neemt ook sterk toe als mensen meer kippenvlees en eieren gaan eten. Met andere woorden: wil je dierenleed of volksgezondheidsrisico’s van infectieziektes verminderen, dan is minder kippenvlees en eieren kopen pakweg tien keer effectiever dan minder rund- en varkensvlees kopen. Een beetje minder kippenvlees en eieren kopen bespaart al meer dierenleed dan het schrappen van alle rood vlees en kaas van je menu.

Roofdieren

Omwille van mijn bekommernis voor dierenwelzijn heb ik jarenlang vrijwilligerswerk gedaan in een opvangcentrum voor wilde dieren. Daar heb ik ook roofdieren verzorgd, eten gegeven en vrijgelaten in de natuur. Maar het is allesbehalve duidelijk of dat wel ten goede kwam aan het totale dierenwelzijn in de wereld. Want een roofdier doodt en eet al gauw meerdere prooien. Ik heb levende muizen gevoederd aan een uil. Ik redde dan een dier, waarna meerdere dieren gedood worden. Soms zijn die prooidieren zelf ook carnivoren of omnivoren die andere dieren doden, dus het wordt heel ingewikkeld om uit te rekenen hoeveel dieren er gered dan wel gedood worden bij het vrijlaten van een roofdier. We zien ook dat dierenliefhebbers het meeste geld doneren aan honden- en kattenasielen. Dat zijn ook vleeseters, dus voor die honden en katten moeten dan weer veel andere dieren gedood worden.

In plaats van zomaar wat wilde dieren te helpen, verkies ik nu om eerst wat meer wetenschappelijk onderzoek te steunen naar veilige en effectieve maatregelen om het welzijn van alle wilde dieren – zowel roofdieren als prooidieren – te bevorderen. Daarom steun ik Wild Animal Initiative, een organisatie die wetenschappelijk onderzoek doet in welzijnsbiologie (welfare biology), een nieuwe onderzoeksdiscipline die het welzijn van dieren in de natuur evalueert. En ik steun onderzoek naar alternatieve eiwitten zoals celkweekvlees, waardoor we onze geliefkoosde honden en katten ook volwaardige, gezonde diervrije voeding kunnen geven.

Is het niet opmerkelijk dat ik meer dan tien goedbedoelde acties deed die mogelijks meer kwaad dan goed doen? Als mij dat kan overkomen, dan kan dat bij alle mensen met goedbedoelde intenties. Dit artikel is dus een oproep aan alle wereldverbeteraars: denk rationeel, analytisch en kritisch na over de effectiviteit van je acties. Dan vermijd je contraproductieve acties, en verhoog je je positieve impact met een factor tien of meer.


Dit bericht werd geplaatst in Blog en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s