Kersenplukken in het debat over bio?

Met het EOS-artikel getiteld “Met bio help je het milieu niet vooruit” (met referenties ook hier te lezen), trachtte ik op een onpartijdige en wetenschappelijk onderbouwde manier na te gaan in hoeverre de keuze voor biologische producten een vorm van effectief milieu-activisme is. Bioforum schreef een reactie op het artikel, met ondermeer als kritiek het gebrek aan nuance. Toegegeven, de titel van het EOS-artikel is te ongenuanceerd. De stelling is namelijk dat er onvoldoende wetenschappelijke bewijzen zijn dat biologische landbouw wel milieuvriendelijker is dan gangbare landbouw. Afwezigheid van bewijs is nog geen bewijs van afwezigheid. We weten eigenlijk niet of bio het milieu vooruit helpt, dus kunnen we dat ook niet zo letterlijk zeggen. Op basis van de wetenschappelijke literatuur kunnen we alvast wel zeggen dat de vermeende voordelen van biovoeding op vlak van milieu en gezondheid sterk overschat worden. Er zijn veel effectievere milieu- en gezondheidsmaatregelen die minder kosten.

Het Bioforum schreef ook: “Het is niet wetenschappelijk om aan cherrypicking te doen en enkel die onderzoeken aan te halen die een vooraf geformuleerde stelling bevestigen.” Als ik al een vooraf geformuleerde stelling bevestigd wou zien, dan was het – gezien mijn jarenlange vrijwillige en professionele engagementen bij verschillende milieuorganisaties en mijn steun en consumptie van biovoeding – wel de stelling dat biologische landbouw duidelijk beter is. Maar die stelling heb ik niet kunnen bevestigen. Uit mijn artikel blijkt ook mijn afkeer voor cherrypicking (kersenplukken), het vooringenomen selecteren van anekdotes en studies. Cherrypicking is een vorm van ongewenste willekeur in de pseudowetenschap. In mijn artikel baseerde ik me op systematische overzichtsstudies en meta-analyses. Ik heb het belang van dergelijke meta-analyses doelbewust regelmatig aangehaald, precies om cherrypicking te vermijden.

Het Bioforum kaart de vraag aan of biolandbouw het voedselprobleem kan oplossen. Ja, een mondiale biologische landbouw kan waarschijnlijk alle mensen voeden, zeker als we minder dierlijke producten consumeren, minder voedsel verspillen, en voor de overvoede mensen: minder calorieën eten. Maar deze maatregelen staan los van het landbouwsysteem. Die maatregelen kunnen we ook met een gangbare landbouw nemen. De vraag is of biologische landbouw ook tegelijk de impact op de biodiversiteit kan minimaliseren. Het verlies van biodiversiteit door de landbouw is zo groot dat de landbouw niet enkel als uitdaging heeft om straks 9 miljard mensen te voeden, maar ook om de biodiversiteitscrisis terug te dringen. En het is nog niet zo evident dat een biolandbouw beter is voor de biodiversiteit als die landbouw meer oppervlakte vereist. Ik baseer me hiervoor op meta-analyses die duidelijk aangeven dat biolandbouw lagere opbrengsten heeft. Het Bioforum mag dat dan wel tegenspreken of trachten te nuanceren door te verwijzen naar het Rodale Institute, maar mij lijkt die ene referentie meer cherrypicking in te houden, en als instituut voor biologische landbouw is Rodale ook minder onpartijdig.

Als we naast een mondiale voedselzekerheid en -rechtvaardigheid ook veel waarde toekennen aan biodiversiteit, en als de biodiversiteitscrisis zo groot is, dan kunnen we best alle beetjes inzetten die helpen. Waarom geen en-en-verhaal: productieverhoging samen met een vermindering van voedselverspilling en vleesconsumptie? En waarom ook niet ggo’s inzetten die de landbouw nog een beetje milieuvriendelijker kunnen maken?

Tot slot nog een inhoudelijke kritiek. Het Bioforum verwijst naar een studie van de Wageningen Universiteit die stelt dat de biologische landbouw in Nederland voor tenminste 10 miljoen euro minder negatieve externe effecten veroorzaakt. Ten eerste is dit bedrag een overschatting: het is namelijk gebaseerd op de milieu-impact per hectare landbouwgrond in plaats van per kilogram product. En we weten dat biolandbouw lagere opbrengsten (minder kilogram per hectare) kent. Het grootste deel van die 10 miljoen euro externe milieukosten die de gangbare landbouw produceert is het gevolg van de emissies van stikstof en broeikasgassen. Maar de twee meta-analyses waar ik naar verwijs in mijn artikel geven aan dat de biolandbouw minstens evenveel emissies van stikstof en broeikasgassen heeft per kilogram. Indien we met de milieukosten per kilogram zouden rekenen, zal de biolandbouw veel minder milieukosten besparen. Ten tweede is dat bedrag van 10 miljoen euro ongeveer een factor 10 kleiner dan de meerkost die consumenten extra uitgeven aan biovoeding (indien biovoeding ongeveer 30% duurder is dan niet-bio). Het is belangrijk om externe milieukosten te internaliseren in de prijs, maar de vraag is of de meerkost van biovoeding dan niet te hoog is.

Geplaatst in Blog | Tags: , | 1 reactie

Waarom we een donatieplicht hebben

Binnen het effectief altruïsme wordt de organisatie GiveDirectly gepromoot als één van de betrouwbaarste en bewezen effectiefste goede doelen op het vlak van armoedebestrijding. GiveDirectly transfereert geld via gsm-betaaldiensten naar de armste gezinnen in Kenia en Oeganda, waarbij de gezinnen dat geld mogen besteden zonder voorwaarden. Die onvoorwaardelijke cash transfers gelden als een vorm van basisinkomen (GiveDirectly is ook begonnen met het eerste langdurige experiment voor een basisinkomen).

Een eerlijke verdeling van surpluswinst

Een gift aan GiveDirectly is niet zomaar een vorm van vrijblijvende liefdadigheid, er is een sterk argument dat het een rechtvaardigheidsplicht is. Wij (de meeste mensen in rijke landen zoals België) profiteren namelijk van een geprivatiseerde surpluswinst (synoniemen: onverdiende inkomsten, economische rente). In de economie worden productiefactoren zoals grondstoffen, arbeid, kapitaal, kennis en ondernemerschap vergoed met bijvoorbeeld pachten, lonen, interesten en winsten. Zonder die vergoeding zou een productiefactor niet ingezet worden. Surpluswinst is de extra vergoeding voor een productiefactor die hoger is dan nodig om deze productiefactor in voldoende mate in te zetten of te produceren. Een vergoeding voor ondernemerschap of het inzetten van kapitaal zijn vormen van normale winst, en deze winsten zijn net zoals het loon van arbeid verdiende inkomsten. De extra surpluswinst is een onverdiende inkomst omdat er geen productie van een productiefactor tegenover staat.

Er zijn verschillende vormen van economische rente of surpluswinst, zoals Ricardiaanse rente ten gevolge van het bezit en gebruik van schaarse natuurlijke hulpmiddelen en overgeërfde rijkdommen  (genoemd naar de econoom David Ricardo) en monopolierente ten gevolge van een monopoliemacht door een bedrijf of een overheid. Iemand die schaarse natuurlijke rijkdommen zoals grond, mineralen en brandstoffen bezit, kan genieten van onverdiende inkomsten door dat bezit. Die inkomsten zijn onverdiend omdat ze niet het gevolg zijn van arbeid, risiconeming of ondernemerschap. Niemand heeft die natuurlijke rijkdommen zelf gemaakt. Die onverdiende inkomsten zijn de economische rente van de natuurlijke rijkdommen. Het zijn surplusinkomsten boven wat er nodig is voor een bedrijf om de normale winsten te genereren. Hetzelfde geldt voor het bezit van overgeërfde rijkdommen: niemand van de huidige generatie heeft die rijkdommen geproduceerd. Die rijkdommen bestaan reeds en hoeven dus niet meer vergoed te worden om als productiefactor te kunnen dienen. Het inkomen en vermogen dat men verwerft door het bezit van overgeërfde rijkdommen waar men zelf niets voor gedaan heeft, vormen een onverdiende surpluswinst.

Als iemand zich een hoeveelheid natuurlijke grondstoffen toe-eigent, verwerft die persoon er een exclusiviteit of monopolie op, wat wil zeggen dat iemand anders die grondstof dan niet meer kan gebruiken. Natuurlijke rijkdommen zoals grondstoffen zijn in deze zin dus uitsluitbaar (of rivaliserend): men kan ze exclusief toe-eigenen en het eigen gebruik of bezit ervan sluit het gebruik of bezit door anderen uit.

Veel van ons inkomen en vermogen is gebaseerd op surpluswinst, waarbij we een vorm van monopolie hebben op een schaars goed dat niet door de huidige generatie mensen geproduceerd werd. Door dat monopolie sluiten we anderen uit van het bezit van dat schaars goed of die productiefactor. Die uitsluiting is een vorm van schade die we veroorzaken aan anderen, in het bijzonder de armste mensen. We stelen als het ware die schaarse goederen van de armste mensen. Door die uitsluiting of diefstal zouden we de armste mensen een compensatie of schadevergoeding moeten betalen.

Die schadevergoeding kan ook begrepen worden als een eerlijke verdeling van surpluswinst. De schaarse natuurlijke en overgeërfde rijkdommen behoren eigenlijk toe aan iedereen. Iedereen heeft een gelijk recht op een gelijk deel van die rijkdommen. De surpluswinst zou dus eerlijk verdeeld moeten worden. Als men onevenredig veel van die rijkdommen toe-eigent, dan krijgen de uitgeslotenen ter compensatie een groter deel van de surpluswinst. Dat is onze rechtvaardigheidsplicht, wat verder gaat dan vrijblijvende liefdadigheid. Een gift aan GiveDirectly kan begrepen worden als een schadevergoeding, een compensatie of een eerlijke verdeling van de surpluswinsten.

Er zijn drie belangrijke voorbeelden waarbij we schaarse goederen en productiefactoren als het ware stelen van de armere mensen:natuurlijke grondstoffen, CO2-emissierechten en jobs. Het is onduidelijk hoeveel een gemiddelde Belg als schadevergoeding zou moeten betalen ten gevolge van deze diefstal, maar als we alle onverdiende toegeëigende surpluswinsten optellen kan het bedrag oplopen tot enkele duizenden euro’s per jaar per persoon. Hoogstwaarschijnlijk heeft een Belg een plicht om meer dan 1000 euro per jaar (pakweg 5% van het netto-inkomen) te doneren aan een organisatie zoals GiveDirectly.

Diefstal van natuurlijke grondstoffen

We gebruiken en verbruiken veel natuurlijke grondstoffen zoals fossiele brandstoffen en mineralen. Die natuurlijke rijkdommen in de bodem behoren toe aan iedereen, maar de hoeveelheid beschikbare grondstoffen is beperkt. Iedereen heeft eigendomsrechten op een gelijk aandeel van de totale grondstoffenvoorraad. Als wij een grondstof gebruiken, kan iemand anders die niet meer gebruiken. Als wij meer dan ons eerlijke aandeel van beschikbare grondstoffen gebruiken, dan moeten we de eigendomsrechten op die extra grondstoffen kopen van anderen. Doen we dat niet, dan schenden we de eigendomsrechten van anderen. Dit is een vorm van diefstal waarvoor we een schadevergoeding moeten betalen.

De olie in onze wagen en de mineralen in onze gsm zijn vaak als het ware gestolen goederen. Veel arme landen zijn rijk aan grondstoffen, maar corrupte regimes hebben er de macht veroverd en zo de controle op die grondstoffen in de bodem verworven. Die grondstoffen worden verkocht op de internationale markten, maar de arme bevolking krijgt niets van de inkomsten van die grondstoffenverkoop. De internationale handel in olie en mineralen is voor een groot deel een handel in gestolen goederen, waarbij de armste bevolking wordt bestolen. Een basisprincipe van vrije handel stelt dat men geen handel mag drijven in gestolen goederen.

Diefstal van emissierechten

Rijke mensen in de ontwikkelde landen stoten te veel broeikasgassen uit. We moeten die uitstoot sterk beperken om klimaatverandering te vermijden. De atmosferische opnamecapaciteit voor broeikasgassen is beperkt. Het recht om broeikasgassen uit te stoten is dus een schaars goed, en wat schaars is, heeft een economische waarde. Iemand met een te hoge CO2-uitstoot eist te veel dat recht op voor zichzelf. Een emissierecht is een soort van eigendomsrecht op een deel van de atmosferische verwerkingscapaciteit van de aarde. Naast broeikasgassen hebben aardse ecosystemen ook voor andere emissies een beperkte verwerkingscapaciteit. Daardoor zijn er ook andere emissierechten voor bijvoorbeeld reactieve stikstofverbindingen en verzurende gassen.

De aardse verwerkingscapaciteit is een schaars goed en iedereen heeft een gelijk recht op dit schaars goed dat de aarde ons biedt. Maar in ons huidige economische systeem worden CO2-emissierechten niet eerlijk verdeeld. We zouden een economische prijs moeten plakken op de uitstoot van een ton CO2, bijvoorbeeld via een systeem van verhandelbare emissierechten. Elke persoon zou dan eerlijkheidshalve een gelijke hoeveelheid emissierechten moeten krijgen.

Om de klimaatdoelstellingen te halen (in het bijzonder om de kans op een klimaatopwarming groter dan 1,5°C voldoende te beperken), zou een efficiënte CO2-taks (koolstofbelasting) of emissiehandelssysteem een prijs plakken van ongeveer 80 euro per ton CO2 in 2016 met een jaarlijkse stijging van 5 euro per ton CO2 (dus 100 euro per ton in 2020).

Een gemiddelde persoon in een rijk land stoot per jaar ongeveer 15 ton CO2 en equivalente broeikasgassen uit. Dus zou een gemiddelde persoon in 2017 ongeveer 1300 euro moeten betalen aan emissierechten of via een koolstofbelasting. Een gemiddelde mens op aarde stoot ongeveer 7 ton CO2-equivalenten per jaar uit, dus als een internationale overheid de inkomsten van een koolstofbelasting of de verkoop van emissierechten zou uitdelen als een universeel basisinkomen, zou elke mens op aarde 600 euro per jaar krijgen. Een gemiddelde persoon in een rijk land zou dus netto gezien 700 euro moeten betalen omdat die persoon te veel broeikasgassen uitstoot. De armste personen in de armste landen krijgen netto gezien bijna 600 euro per jaar, want die stoten bijna geen broeikasgassen uit.

Wat betekent dit allemaal? Het betekent eigenlijk dat rijke mensen emissierechten stelen van de armste mensen, ter waarde van 700 euro per jaar per persoon. De rijken verwerven een deel van de schaarse CO2-opnamecapaciteit van de atmosfeer zonder voor dit schaars goed te betalen. Die 700 euro is een vorm van schadevergoeding die een rijke persoon verplicht is te betalen aan de armste mensen. Die armste personen hebben recht op 600 euro per jaar.

En als de rijke persoon diens broeikasgasemissies niet reduceert en de komende jaren evenveel broeikasgassen blijft uitstoten, gaat die persoon elk jaar 100 euro extra moeten betalen aan de armste mensen. Tegen 2060 zal dat uitkomen op 4500 euro per jaar. Natuurlijk gaan rijke mensen wel aangezet worden om minder uit te stoten als ze jaarlijks zoveel zouden moeten betalen. De CO2-prijs gaat zodanig toenemen dat we de komende decennia de mondiale klimaatdoelstellingen halen.

Uitsluiting van jobs

Vraag en aanbod op de mondiale arbeidmarkt zijn allesbehalve in evenwicht door een beleid van gesloten grenzen en restricties op arbeidsmigratie. Door de gesloten grenzen is er in de mondiale economie een fundamentele onrechtvaardigheid. De arbeidsproductiviteit (de economische waarde die een arbeider kan genereren per eenheid werk) is in rijke landen tot 10 keer hoger dan in de armste landen. Dat wil dus zeggen dat iemand in een rijk land tot 10 keer meer koopkracht verwerft dan een gelijkaardige persoon in een arm land die even bekwaam (opgeleid, getalenteerd en gemotiveerd) is en hetzelfde werk verricht (even lang, risicovol en zwaar). De lonen in de rijke landen kunnen voor hetzelfde werk 10 keer hoger zijn dan in de armste landen. Dit is het zogenaamde plaatspremium (place premium).

Deze enorme loonkloof is een vorm van mondiale apartheid. Buitenlanders worden uitgesloten van het hebben van een job in het binnenland. Die uitsluiting is vergelijkbaar met de uitsluiting ten gevolge van het bezit van natuurlijke grondstoffen. Omdat door die uitsluiting van buitenlanders de mondiale arbeidsmarkt niet in evenwicht is, profiteren werknemers in de rijke landen van een surpluswinst door de hogere lonen. Die uitsluiting is een vorm van schade, want door die uitsluiting beperken we de jobmogelijkheden van buitenlanders. Het is alsof ik jou verhinder om bij iemand anders te gaan werken. Door die uitsluiting is de arbeidsmarkt niet in evenwicht en is in de arme landen de vraag naar werk groter is dan het aanbod. Daardoor worden de lonen in de arme landen gedrukt. Een beleid van gesloten grenzen schaadt dus de arme bevolking: de arme bevolking krijgt te lage lonen uitbetaald.

Er zijn dan twee opties: ofwel de grenzen openen voor buitenlandse werknemers, ofwel die buitenlanders een schadevergoeding betalen. Die schadevergoeding is een compensatie die een jobbezitter moet betalen aan de uitgesloten personen die minstens even capabel zijn om te werken maar verhinderd worden. Dit is te vergelijken met een grondstofbezitter die meer grondstoffen bezit dan het eerlijke aandeel en daarvoor een vergoeding moet betalen aan de armste mensen die te weinig grondstoffen bezitten.

Conclusie

Doordat we arme mensen uitsluiten van jobs en we hun grondstoffen en emissierechten stelen, moeten we die arme mensen een schadevergoeding betalen. Die arme personen krijgen dat bedrag onvoorwaardelijk, net zoals gebeurt bij GiveDirectly. Het is onduidelijk hoeveel schadevergoeding we verschuldigd zijn, maar als we de surpluswinsten optellen van het bezit van natuurlijke en overgeërfde rijkdommen, emissierechten en jobs, dan vermoed ik dat het voor een gemiddelde Belg al snel meer dan 5% van het inkomen bedraagt (de diefstal van CO2-emissierechten bedraagt waarschijnlijk al 4% van het inkomen). De organisatie Giving What We Can heeft een giving pledge (giftgelofte) om minstens 10% van het inkomen te doneren aan de meest effectieve goede doelen. Het zou best kunnen dat deze pledge geen kwestie is van vrijblijvende liefdadigheid, maar wel van rechtvaardigheid en dat het dus een morele plicht is.

 

Geplaatst in Artikels, Blog | Tags: , | 2 reacties

Eigen ziekte eerst. Over ziektediscriminatie, willekeur en effectief altruïsme

“Eigen volk eerst,” dat is de leuze van het nationalisme. Maar wie behoort tot het eigen volk? Ik woon in Antwerpen: bestaat mijn volk dan uit Antwerpenaren, Vlamingen, Belgen, Europeanen of wereldburgers? Het Vlaams nationalisme focust op het Vlaamse volk, maar dat is willekeur, want men kan evengoed het Europese volk nemen. Of het Antwerpse volk. Ook bij interreligieuze conflicten zien we die willekeur. In het Midden-Oosten is er een conflict tussen Christenen en Moslims, in Noord-Ierland is er een conflict tussen Katholieken en Protestanten. Wie behoort tot het eigen geloofsvolk? Alle Katholieken? Of alle Christenen, inclusief Protestanten? Of alle Abrahamieten, inclusief Joden en Moslims? En wie behoort tot het eigen biologische volk? Alle blanken? Dat is racisme. Alle mensen? Dat is speciesisme. Alle primaten? Alle zoogdieren? Alle gewervelde dieren?

Het idee van eigen volk eerst bevat ongewenste willekeur, want er is een hele hiërarchie van volkeren, en als je in die hiërarchie naar willekeur een groep aanduidt als het eigen volk en zo leden van andere groepen uitsluit, dan gaan die uitgesloten individuen dat niet graag hebben. Net zoals we individuen naar willekeur kunnen onderverdelen in volkeren, zo kunnen we patiënten naar willekeur onderverdelen volgens ziekten. Dan hebben we een neiging om prioriteit te geven aan patiënten die tot dezelfde groep van zieken behoren.

Een voorbeeld: als fysicus sta ik vol bewondering voor het werk van de Britse fysicus Stephen Hawking, waarschijnlijk de beroemdste nog levende fysicus. Zoals bekend lijdt Hawking aan de spierverlammingsziekte ALS. Diegenen die de biografische film The Theory Of Everything hebben gezien, kunnen zich goed het leed van een ALS-patiënt voorstellen. Je krijgt dan een emotionele betrokkenheid voor het lot van ALS-patiënten. Daarnaast ken ik mensen die meededen met de Ice Bucket Challenge om geld in te zamelen voor wetenschappelijk onderzoek naar ALS. Hoewel ik zelf geen ALS heb, zou ik die ziekte als ‘mijn ziekte’ kunnen beschouwen omwille van de emotionele betrokkenheid die ik voel met patiënten zoals Stephen Hawking. Redenen genoeg dus om mij specifiek het lot van ALS-patiënten aan te trekken en ook geld te doneren.

Maar is dat het beste dat ik kan doen met mijn geld? Dat is de vraag die het effectief altruïsme zich stelt. Als we kijken naar de meest effectieve goede doelen die gezondheid bevorderen, dan staat een organisatie zoals de Against Malaria Foundation bovenaan in de aanbevelingen van GiveWell. Die organisatie die malaria bestrijdt is dus waarschijnlijk effectiever dan een organisatie die ALS bestrijdt.

In een opiniestuk dat ik mee onderschreef, werd het voorbeeld aangehaald van ALS versus malaria. Daarop reageerde de ALS Liga België met een recht van antwoord. De laatste zin in hun reactie is interessant omdat ze sterk inspeelt op onze emoties: “Beseft Effectief Altruïsme Vlaanderen wat hun woorden betekenen voor een ALS-patiënt die net voor Kerstmis te horen krijgt dat hij/zij aan ALS lijdt?”

Een effectieve altruïst probeert niet enkel de emoties (het hart) te volgen, maar ook de ratio (het verstand). Het probleem is dat een effectieve altruïst niet enkel de stem van die ALS-patiënt hoort, maar van alle patiënten. En voor elke ALS-patiënt die voor Kerstmis het slechte nieuws te horen krijgt, zijn er bijvoorbeeld 20 kinderen die voor Kerstmis te horen krijgen dat ze malaria hebben en eraan zullen sterven omdat ze geen toegang hebben tot de medicijnen. (Dit is gebaseerd op de Global Burden of Disease cijfers: malaria zorgt voor 1,3% van alle sterftes, 20 keer meer dan alle motorische-zenuwcelziektes samen, inclusief ALS. In termen van verlies van gezonde levensjaren of DALY’s is malaria 60 keer schadelijker dan motorische-zenuwcelziektes.)

De klacht van de ALS Liga toont aan dat er ook bij ziektes een vorm van willekeur zit waardoor we prioriteiten stellen die minder effectief zijn en dus minder gewenst zijn. Ongewenste willekeur dus. ALS is namelijk één type van neurologische ziektes. Wat met de patiënten die lijden aan andere types, zoals Alzheimer? En neurologische ziektes zijn maar één categorie van niet-overdraagbare ziektes. Wat met de patiënten die leiden aan bijvoorbeeld chronische ademhalingsziektes? We hebben een hele hiërarchie van ziektes.

Het wordt pas echt moeilijk als we beseffen dat er verschillende vormen van ALS bestaan. Er zijn tientallen subvormen van ALS die we ruw gezegd in twee vormen kunnen onderverdelen: sporadische ALS (SALS) en familiaire ALS (FALS). SALS komt veruit het meeste voor: 80% van de gevallen. Als we al geld geven aan ALS-onderzoek, hoe moeten we de fondsen voor dat onderzoek dan verdelen over SALS en FALS? Krijgt het onderzoek naar SALS de meeste fondsen omdat de meeste ALS-gevallen een vorm van SALS zijn? Dan gaan we waarschijnlijk minder snel een behandeling voor FALS vinden. Wat dan met een FALS-patiënt die net voor Kerstmis te horen krijgt dat hij/zij aan FALS lijdt? Moeten we de fondsen dan gelijk verdelen over SALS en FALS, dus elk de helft? Dan riskeren we een efficiëntieverlies waardoor minder ALS-patiënten geholpen worden. Als ik me betrokken voel met ALS-patiënten omwille van Stephen Hawking, en als ik te horen krijg dat Hawking een zeldzaam type ALS heeft, zou ik dan vanaf nu prioriteit moeten geven aan die zeldzame variant? Zou ik dan plots de andere ALS-varianten links laten liggen?

De keuze naar de verdeling van fondsen is onvermijdelijk. Ook de ALS Liga ontkomt daar niet aan. De vraag is vooral hoe we verschillende ernstige ziektes onderverdelen in groepen en subgroepen, en hoe we de fondsen dan moeten verdelen tussen die subgroepen. De ALS Liga focust op ALS, maar een FALS Liga of een Neuroziekte Liga zijn evengoed denkbaar. Wie moeten we dan steunen? Een keuze voor de ALS Liga in plaats van de FALS Liga is willekeur. Als ik me betrokken voel met patiënten die een bepaalde ziekte hebben en daarom prioriteit wil geven aan de behandeling van die ziekte – een soort van ‘eigen ziekte eerst’ – over welke ziekte hebben we het dan? FALS? ALS? Neurologische ziektes?

Een effectieve altruïst wil zoveel mogelijk ziektes genezen en mensen redden, en dan maakt de onderverdeling in groepen en subgroepen van ernstige ziektes niet uit. De effectieve altruïst kijkt naar één groep van ernstige ziektes, namelijk die van alle ernstige ziektes. Dan is er geen willekeur. En binnen die totale groep van alle ernstige ziektes moeten dan de fondsen zo effectief mogelijk verdeeld worden, zodat er zo weinig mogelijk patiënten kunnen klagen als ze voor Kerstmis te horen krijgen dat ze een ernstige ziekte hebben. Dit is een toepassing van de ethische minimale klachten theorie.

Logisch gezien is de kans heel klein dat de woorden van Effectief Altruïsme Vlaanderen iets persoonlijks betekenen (in de zin van de kans op genezing verhogen) voor een ALS-patiënt die nu te horen krijgt dat hij/zij ALS heeft, want de levensverwachting bij ALS is 4 à 5 jaar. De kans is heel klein dat het geld dat nu gedoneerd wordt aan ALS-onderzoek ertoe zal leiden dat er binnen de 5 jaar een effectieve behandeling van ALS op de markt is. De ALS-patiënt zal dus hoogstwaarschijnlijk niet genezen worden door de donaties die nu gegeven worden aan onderzoek. Enkel de toekomstige ALS-patiënten zullen hopelijk genezen kunnen worden. Als er binnen de 5 jaar toch een medicijn tegen ALS beschikbaar is, zal dat komen door de donaties die in het verleden reeds gegeven werden. Maar op die gedane donaties hebben de woorden van Effectief Altruïsme Vlaanderen geen vat meer.

De woorden van Effectief Altruïsme Vlaanderen hebben geen invloed op de overlevingskansen van die patiënt. Die patiënt en diens familie en vrienden kunnen natuurlijk wel bezorgd zijn om het lot van andere, toekomstige ALS-patiënten die afhankelijk zijn van de nieuwe donaties. Dat is een vorm van  ‘eigen ziekte eerst’, waarbij er willekeur is over welke ziekte we het moeten hebben: waarom ALS en niet bv. Alzheimer? Beiden zijn immers neurologische ziektes. Als een ALS-patiënt sterft, dan sterft die persoon aan een neurologische ziekte. Dus waarom niet focussen op neurologische ziektes? En waarom focussen op een neurologische ziekte en niet op bv. malaria? Beiden zijn immers ernstige ziektes.

Een effectieve altruïst heeft een hekel aan ongewenste willekeur en is daarom een kosmopoliet die geen belang hecht aan grenzen tussen gemeenten, provincies, gewesten, landen, landenunies of continenten. Er is geen reden om te zeggen dat de grenzen tussen landen belangrijker zijn dan de grenzen tussen gemeenten. Er is maar één land, de wereld, en maar één volk, iedereen. En zo ook is een effectieve altruïst een kosmopoliet op het vlak van ziektes. Een effectieve altruïst hecht geen belang aan verschillen tussen FALS en SALS, tussen ALS en Alzheimer of tussen neurologische ziektes en infectieziektes. Alle ernstige ziektes tellen mee. Er is geen reden om te zeggen dat het verschil tussen ALS en Alzheimer belangrijker is dan het verschil tussen FALS en SALS.

Voor een effectieve altruïst maakt het niet uit welke ziekte prioriteit krijgt, zolang er maar zoveel mogelijk gezonde levensjaren (QALY’s) gered worden. Bij het kiezen van de meest effectieve interventie laat de effectieve altruïst zich leiden door drie criteria: omvangrijkheid (bv. hoeveel slachtoffers maakt de ziekte?), reduceerbaarheid (bv. hoe gemakkelijk of goedkoop is de behandeling?) en verwaarloosdheid (bv. hoeveel geld gaat er al naar die ziektebestrijding en hoeveel nu kan mijn extra donatie leveren?). Dan zijn er veel aanwijzingen dat het bestrijden van een verwaarloosde tropische ziekte zoals malaria via de Against Malaria Foundation effectiever is dan ALS-bestrijding (tenzij de toekomstige ALS-behandeling, inclusief onderzoek- en ontwikkelingskosten, goedkoper gaat zijn dan muskietennetten tegen malaria).

Als meer en meer mensen deze effectief altruïstische redenering volgen (en hun donaties verhogen), zal al snel het grensnut van malariabestrijding afnemen bij extra donaties (dit is de economische wet van afnemend grensnut), en dan worden andere interventies tegen andere ziektes effectiever.

Geplaatst in Artikels, Blog | Tags: , | 2 reacties

Waarom we dierenleed in de natuur moeten bestrijden

Er is veel dierenleed in de natuur: honger, ziektes, ongevallen, parasieten, roofdieren, gevechten,… We mogen het morele probleem van dierenleed in het wild niet onderschatten, want het gaat om triljarden dieren en intense ervaringen van pijn, angst en stress. Toch wordt dit probleem sterk genegeerd, zelfs door dierenactivisten die opkomen voor het welzijn en de rechten van dieren. Velen zijn tegen het idee om in te grijpen in de natuur om het welzijn van dieren te bevorderen. Maar de laatste jaren zien we een belangrijke kentering bij filosofen die het probleem willen aanpakken en het belang ervan aankaarten.[1]

Waarschijnlijk het grootste probleem in de natuur is r-selectie. Dit is een voortplantingsstrategie van veel diersoorten. De ‘r’ staat voor rate of growth van een populatie, een parameter die te maken heeft met het aantal nakomelingen dat een individu heeft. Die r-geselecteerde dieren hebben veel nakomelingen en slechts een zeer klein aantal van hen overleeft het tot hun reproductieve leeftijd waarop ze zichzelf kunnen voortplanten. Een vogel legt tijdens haar leven tientallen eitjes. Gemiddeld één ervan zal overleven tot volwassen, reproductieve leeftijd, want anders krijgen we een exponentiële bevolkingsexplosie van vogels. Voor elke fluitende vogel is er een veelvoud aan vogeltjes die een miserabel kort leven hebben gekend. De grote meerderheid van de pasgeboren dieren hebben zeer korte levens met veel negatieve ervaringen door honger, ziekten en predatie. Op het einde van hun korte leventje hebben ze een pijnlijke doodstrijd.

De kans is groot dat al dat leed niet opweegt tegen de paar positieve ervaringen die ze hebben in hun korte leven. Dus de kans op het hebben van een negatief levenswelzijn is hoog voor dieren die een r-selectie reproductieve strategie hebben. Een negatief levenswelzijn wil zeggen dat het beter was geweest om nooit geboren te zijn. Liever niet bestaan dan een bestaan leiden met zoveel leed. En aangezien de meeste dieren een r-selectie reproductieve strategie hebben, is de kans groot dat de meeste levens op aarde het niet waard zijn om geleefd te worden. Stel dat je zou reïncarneren en herboren worden als een willekeurig voelend wezen op aarde. De kans is groot dat je dan liever niet was herboren geweest.

Dit heeft zeer vergaande consequenties over hoe we ons ethisch moeten verhouden tegenover de allesbehalve idyllische wilde natuur. De natuur heeft een bijzonder slecht ontwerp dat ontzettend veel leed veroorzaakt. Is natuurbehoud wel zo goed als er zoveel dierenleed aan kleeft? Vanuit een effectief altruïstisch standpunt zouden we moeten beginnen met wetenschappelijk onderzoek hoe we op een veilige en doeltreffende manier kunnen ingrijpen in de natuur om het welzijn van alle dieren zo goed mogelijk te bevorderen. Net zoals er een academische discipline conservation biology bestaat die onderzoekt hoe we zo goed mogelijk aan natuurbehoud (biodiversiteitsbehoud) kunnen doen, zo is er het voorstel om een nieuwe academische discipline te starten: welfare biology die onderzoekt hoe we zo goed mogelijk het welzijn kunnen bevorderen.[2]

Het ironische is dat zelfs veel dierenactivisten – die tegen dominantie, discriminatie, vrijheidberoving en menselijk chauvinisme zijn – het idee afkeuren dat we zouden moeten ingrijpen in de natuur om het welzijn van dieren te bevorderen en dat die critici zich daarbij beroepen op argumenten die elementen bevatten van discriminatie, vrijheidberoving en chauvinisme. Die tegenstanders van interventies in de natuur willen de natuurlijke orde behouden. Zij beweren dat interventie in de natuur een soort menselijke dominantie of menselijk chauvinisme is dat botst met een dierenethiek. Ze beweren dat voorstanders van interventie een vorm van discriminerend, arrogant, antropocentrisch speciesisme hebben waarbij die voorstanders hun eigen menselijke waarden op de niet-menselijke natuur willen opleggen. Maar het omgekeerde is waar: die tegenstanders  – die beweren tegen arrogantie, chauvinisme en speciesisme te zijn – zijn zelf vastbaar voor het discriminerend, arrogant, antropocentrisch speciesisme. Ze maken daarbij enkele denkfouten en merken hun eigen speciesisme niet op.

Een veel gehoorde kritiek tegen het idee om in te grijpen in de natuur is dat we een onderscheid zouden moeten maken tussen leed veroorzaakt door mensen versus leed veroorzaakt door de niet-menselijke natuur. Het door mensen veroorzaakt leed zou dan moreel gezien een belangrijker probleem zijn. Vandaar dat we wel iets moeten doen tegen het dierenleed in de veeteelt maar niet tegen het dierenleed in de natuur (behalve als mensen de oorzaak zijn van dat dierenleed, bijvoorbeeld door milieuvervuiling of vernietiging van habitat voor wilde dieren).

Zelfs dierenactivisten die tegen antropocentrisme en speciesisme beweren te zijn, geven vaak dit argument. Dat is ironisch, want het argument verwijst letterlijk naar de mensensoort, door expliciet een onderscheid te maken tussen menselijke versus niet-menselijke oorzaken van leed. Een morele regel die expliciet naar iets menselijks verwijst, is een speciesistische regel. Maar voor een effectieve altruïst maakt dat onderscheid niets uit. Een altruïst kijkt naar wat de anderen, de slachtoffers, willen. En voor de slachtoffers maakt dat onderscheid niets uit. In het geval van dierenleed maakt het voor de lijdende dieren niet uit of dat leed veroorzaakt werd door een mens dan wel door de niet-menselijke natuur. Ze willen gewoon niet lijden.

Hetzelfde kunnen we zeggen over de beschuldiging van arrogantie en chauvinisme: de tegenstanders die tegen het ingrijpen in de natuur zijn, hebben zelf een vorm van chauvinisme of arrogantie. Ze zijn namelijk tegen interventie omdat ze de natuurlijkheid of de biodiversiteit van de natuur willen behouden. Daarmee leggen ze hun eigen waarden (dat natuurlijkheid goed is, dat we niet voor God mogen spelen, dat biodiversiteit een morele waarde heeft) op aan de slachtoffers, de wilde dieren, op een manier die de slachtoffers niet willen. Die tegenstanders zijn van mening dat wat ze willen (hun eigen voorkeuren en waarden) belangrijker is dan wat al die lijdende dieren willen. Dat is niet bepaald altruïstisch. De voorstanders van interventie zijn niet arrogant als ze willen wat de anderen (de slachtoffers, de dieren) willen. Ze zijn vooral gericht op wat de anderen willen en denken niet dat hun eigen voorkeuren en waarden belangrijker zijn dan die van de slachtoffers in de wereld.

Dus de tegenstanders van interventie willen natuurlijkheid (de integriteit van het ecosysteem, de natuurlijke schoonheid, de biodiversiteit, de natuurlijke processen) respecteren terwijl de voorstanders de voorkeuren van de slachtoffers (het welzijn, de vrijheid, de autonomie) willen respecteren. De tegenstanders waarderen natuurlijkheid, de voorstanders waarderen welzijn. Het verschil tussen de tegenstanders en de voorstanders is dat de tegenstanders vooral streven naar wat ze zelf willen: de natuur zelf heeft geen voorkeuren en interesseert zich niet in diens natuurlijkheid of biodiversiteit. Ecosystemen zijn niet bezorgd om hun eigen integriteit of biodiversiteit omdat de ecosystemen geen bewustzijn hebben om die natuurlijkheid, integriteit of biodiversiteit te ervaren. Biodiversiteit en integriteit zijn geen voorkeuren van natuurgebieden, omdat natuurgebieden niet in staat zijn om iets te waarderen, ze zijn zich niet bewust van wat dan ook. Aan de andere kant, als een effectieve altruïst waarde toekent aan het welzijn van iemand anders (bijvoorbeeld een wild dier), is er wel altijd iemand anders (namelijk dat wilde dier), die ook dat welzijn waardeert.

Eigenlijk komt het erop neer dat een tegenstander van interventie de eigen esthetische smaakvoorkeur laat primeren boven het welzijn van anderen. De keuze om de natuurlijkheid, integriteit of schoonheid van de natuur te respecteren is een esthetische smaakvoorkeur. Het laten primeren van de eigen voorkeuren boven die van anderen is een vorm van egoïsme, chauvinisme of arrogantie.

De houding van de tegenstanders is ook een vorm van discriminatie of speciesisme, want ze zijn niet geneigd om hun eigen voorkeuren te laten primeren wanneer een mens slachtoffer is. Als mensen slachtoffer zijn van niet-menselijk schade, bijvoorbeeld als kinderen worden aangevallen door een roofdier of geïnfecteerd worden door parasieten, dan gaan de tegenstanders zich niet beroepen op drogredenen zoals: “Wat de leeuw met die kinderen doet is natuurlijk en daarom moreel toegelaten, want een leeuw heeft geen morele verantwoordelijkheid. Als we kinderen genezen van parasieten, dan zal dat leiden tot onvoorziene gevolgen en meer problemen in de toekomst, zoals een overpopulatie van mensen en een verstoring van natuurlijke evenwichten. Kinderen moeten toch aan iets sterven. We hoeven dit kind niet te helpen want we kunnen onmogelijk alle kinderen beschermen tegen de natuur. Het haalt niets uit om dit ene kind te redden want er zijn zoveel kinderen die sterven door de natuur. We moeten de natuur haar gang laten gaan. Een leeuw heeft nu eenmaal vlees nodig, dus als we deze kinderen beschermen, zal de leeuw sterven van de honger.”

De tegenstanders van interventie beweren vaak dat een interventie de autonomie of zelfbeschikking van dieren schendt. Niets is minder waar: de interventies zijn net bedoeld om de autonomie en vrijheden van dieren te verhogen. Een dier dat niet meer kan rondwandelen door ziekte, verliest vrijheid. Een prooi die vastgegrepen wordt in de klauwen van een roofdier, verliest al haar autonomie. De lichamelijke zelfbeschikking van die prooi wordt geschonden als diens lichaam tegen diens wil in wordt gebruikt door een roofdier.

Ook de bewering van tegenstanders dat interventies nog nooit positieve resultaten hebben opgeleverd voor de dieren is fout. Het gaat hier om interventies die het welzijn en de autonomie van de dieren verhogen, niet om interventies om de natuur naar onze hand te zetten voor onze eigen doelen. Slechts een paar van onze interventies hadden als doel het welzijn van de slachtoffers, de dieren, te bevorderen. Van die interventies is er geen bewijs dat ze meer kwaad dan goed deden. En met betere wetenschappelijke kennis kunnen we die interventies nog sterk verbeteren.

De ethiek van tegenstanders van interventie bevat vele inconsistenties. Een roofdier gebruikt de lichamen van vele prooien tegen hun wil in. Vele prooien worden gedood en diens spierweefsels worden opgenomen in het lichaam van het roofdier, met als doel het overleven van het roofdier. Maar die noodzaak, het overleven, is geen voldoende reden om anderen te doden en te gebruiken, want de meeste tegenstanders van interventie zijn van mening dat we niet een persoon mogen opofferen om diens organen (nieren, lever, hart, longen,…) te gebruiken om de levens van meerdere patiënten te redden als er in het ziekenhuis een orgaantekort is. Voor die patiënten zijn die organen nochtans even levensnoodzakelijk als het vlees voor een roofdier.

Wat kunnen we dan doen om het dierenleed in de natuur aan te pakken? Wat is de meest effectieve strategie? Allereerst moeten we de situatie goed in kaart kunnen brengen: hoeveel leed is er? Wie lijdt er? Kunnen insecten voelen? Neurologisch en psychologisch onderzoek naar het bewustzijn en de gevoelens van dieren is een eerste zeer effectief goed doel om te steunen.

Vervolgens is het onderzoek in welfare biology belangrijk om te achterhalen hoe we op een veilige en doeltreffende manier kunnen ingrijpen in de natuur om het welzijn van dieren te bevorderen. Van zodra we doeltreffende interventies en technologieën hebben gevonden, kunnen we die voor de rest van de toekomst inzetten waardoor we het dierenleed van duizenden generaties na ons kunnen aanpakken. En aangezien elke generatie bestaat uit triljarden dieren, kan dat onderzoek een heel grote positieve impact hebben. We kunnen nu nog niet zeggen welke technologieën het beste gaan zijn. Maar sommige filosofen denken aan bijvoorbeeld het introduceren van gevoelloze ‘prooidieren’ (zelfreproducerende rondlopende robotten met kweekvlees) voor roofdieren om de voelende prooidieren te vrijwaren, immunocontraceptie via vaccinatie om overpopulaties te vermijden en genetische manipulatie met gene drives om de r-selectie reproductieve strategie te verminderen.

Maar eigenlijk is het gebrek aan wetenschappelijk onderzoek en haalbare technologieën niet het grote probleem. Het grote probleem zijn onze morele illusies of cognitive bias waardoor we foutieve spontane oordelen vellen tegen interventie in de natuur en we niet geneigd zijn om dat wetenschappelijk onderzoek te starten. Het overwinnen van onze morele illusies is dan misschien het belangrijkste wat we eerst zouden moeten doen. En daarvoor hebben we wetenschappelijk onderzoek in de psychologie nodig. Het ‘debiasen’, het rationeler maken van onze opvattingen, is de heilige graal in de psychologie.

Het thema van dierenleed in het wild is een mijnenveld van morele illusies, en aangezien deze morele illusies de grootste obstakels zijn in het bestrijden van dierenleed, loont het de moeite om hier enkele morele illusies te bespreken, toegepast op het dierenleed in de natuur.

Naturalisme

Het dierenleed in de natuur wordt vaak gerechtvaardigd met het argument dat het natuurlijk zou zijn. Het eerste probleem is dat niemand weet wat ‘natuurlijkheid’ precies betekent. Het is een heel vaag begrip dat voor vele interpretaties vatbaar is. Als ‘natuurlijk’ gewoon ‘niet veroorzaakt door mensen’ betekent, dan bekomen we een vorm van speciesisme. Dat is een vorm van ongewenste willekeur, want wat maakt het uit of een mens al dan niet de oorzaak is van leed? Waarom zou enkel het leed veroorzaakt door mensen onverantwoord zijn, en niet bijvoorbeeld enkel het leed veroorzaakt door vrouwen, door zwarten, door primaten, door zoogdieren? Als ‘natuurlijk’ hetzelfde is als ‘gebeurt in de natuur’, dan zijn vele vormen van geweld ook natuurlijk.

Zelfs als we goed weten wat natuurlijkheid betekent, dan stuiten we nog op het tweede probleem, namelijk dat er geen logisch verband is tussen wat natuurlijk is en wat goed of toegelaten is. Mag een leeuw een kind aanvallen omdat dat natuurlijk gedrag is? Als er geen logisch verband is, is er opnieuw willekeur. Neem de verzameling van alle soorten processen: natuurlijke, onnatuurlijke, pijnlijke, trage …. Waarom zouden de natuurlijke processen toegestaan zijn en niet bijvoorbeeld alle onnatuurlijke (kunstmatige) processen, alle opzettelijke processen, alle trage processen of alle pijnlijke processen?

Status quo bias

Status-quo bias[3] is het oordeel dat de huidige situatie beter is dan de mogelijke alternatieven, zonder dat men geldige redenen kan geven om dit oordeel te rechtvaardigen. In het geval van dierenleed in de natuur is status quo bias aan het werk wanneer men gelooft dat de huidige toestand en werking van ecosystemen optimaal is in termen van een morele waarde zoals dierenwelzijn.

Een methode om de status quo bias te detecteren, is de omkeringstest.[4] De huidige toestand van een ecosysteem wordt bepaald door een aantal parameters zoals het niveau van predatie, de mate van competitie of de hoeveelheid biodiversiteit. Predatie en competitie veroorzaken dierenleed. Wat gebeurt er als we deze niveaus verlagen, bijvoorbeeld door het verminderen van het aantal roofdieren? Tegenstanders van interventie geloven dat deze vermindering niet goed is omdat de concurrentiedruk en natuurlijke selectie goed zijn voor de populaties van prooidieren. Dankzij de roofdieren kennen de prooidieren geen overpopulatie en overleven de gezondste, snelste en meest wendbare prooidieren.  De tegenstanders van interventie geloven dat predatie en concurrentiedruk  het welzijn van de prooidieren ten goede komt.

Bij de omkeringstest moeten we ons de vraag stellen hoe het zit met de omgekeerde interventie: is het goed om extra roofdieren en extra concurrentiedruk te introduceren?  Zou dat het welzijn bevorderen?  Tegenstanders van interventie beschouwen dit als een slecht idee: extra roofdieren wil zeggen dat er meer prooidieren onder druk komen te staan. Er zullen meer prooidieren aangevallen worden en dat veroorzaakt extra leed.

Dat wil zeggen dat de tegenstanders geloven dat het huidige niveau van de predatie en competitie precies dat niveau is waarbij het dierenwelzijn maximaal is. Maar het is niet duidelijk waarom dit het geval zou moeten zijn, omdat de natuur (een ecosysteem of een natuurlijk proces) niet gericht is op het maximaliseren van het welzijn. Evolutie is een blind proces en interesseert zich niet in welzijn. Het zou wel erg toevallig zijn dat de huidige niveaus van predatie, competitie en biodiversiteit precies die niveaus zijn waarbij het dierenwelzijn optimaal is. Je kunt het vergelijken met een topografische kaart met bergen en dalen. Als je een willekeurige plek aanwijst op die kaart, is de kans zeer klein dat je een bergtop hebt aangewezen.

Het kan de natuur niet schelen hoe snel een dier kan reageren en weglopen. Als de natuur geen waarde toekent aan reactiesnelheid of wendbaarheid, wie vindt dat dan wel belangrijk? Waarom zou reactiesnelheid belangrijker dan welzijn? Misschien waardeer jij snelheid en zie je liever een wereld waarin de dieren zeer snel zijn. Dan geef je een voorkeur aan predatie omdat dan de snelste dieren worden geselecteerd. Maar stel dat ik op dezelfde manier lichaamsgrootte waardeer: ik wil een wereld met grotere dieren, dus ik begin met het doden van de kleinste dieren zodat er een evolutionaire selectiedruk is richting grotere dieren. Zou dat een goede zaak zijn? Noch de natuur, noch de dieren zelf waarderen snelheid of lichaamsgrootte. Welzijn is de enige eigenschap die wordt gewaardeerd of de voorkeur geniet van ten minste één iemand, namelijk het voelende wezen zelf. We mogen niet onze eigen esthetische voorkeur voor snelheid of onze fascinatie voor de kleuren, lichaamsvormen en vermogens van dieren laten primeren boven de belangrijkere voorkeuren en vitale behoeften van de slachtoffers.

Omvangverwaarlozing

Een andere morele illusie die een rol speelt in het oordeel dat predatie toelaatbaar is, is omvangverwaarlozing (scope neglect): de verwaarlozing van het aantal slachtoffers. Als mensen denken aan predatie, zien ze een dier dat een ander dier doodt. Een leven voor een leven: ofwel zal het roofdier verhongeren ofwel zal de prooi gedood worden. Beide opties zijn even slecht. Maar in de loop van zijn leven doodt een roofdier veel prooidieren. Is het leven van een roofdier meer waard dan het leven van honderden prooidieren?

Overlevendenselectie

Overlevendenselectie (survivorship bias) is een veel voorkomende denkfout. Dierenartsen stonden voor een raadsel: het blijkt dat katten die van lager dan zes verdiepingen vallen minder verwondingen vertonen dan katten die van hoger dan zes verdiepingen vallen. Misschien komt dat omdat katten die van een hogere verdieping vallen meer tijd hebben om zich tijdens de val om te draaien en netjes op de poten te landen? Nee, de verklaring is eenvoudiger: de katten die van hogere verdiepingen vallen, overleven het meestal niet. De dierenarts krijgt die dode katten niet te zien.

Als we denken aan dieren in de natuur, denken we aan de overlevende dieren en niet aan de vele dieren die een heel kort leven vol leed hebben. Een vogel legt tijdens haar leven tientallen eitjes waarvan er slechts één het overleeft. De tientallen kuikentjes die het niet overleefden, kregen we niet te zien, want die zijn opgegeten door roofdieren of wormen. Als we dan enkel de volwassen, fluitende vogels te zien krijgen, denken we ten onrechte dat het wel meevalt met het dierenleed in de natuur.

Rechtvaardige wereld denkfout

De rechtvaardige wereld denkfout (just world hypothesis) is het geloof dat de wereld (de natuur) goed is en dat de slachtoffers in feite schuldig zijn, alsof de wereld een onzichtbare morele kracht heeft die het morele evenwicht herstelt.[5] Bij het probleem van dierenleed door predatie zien we deze rechtvaardige wereld denkfout aan het werk. Die morele illusie creëert de overtuiging dat predatie rechtvaardig en moreel goed is, want zonder predatie zouden de prooidieren de controle over hun vruchtbaarheid verliezen en gaan concurreren met elkaar door overpopulatie, de zwakke prooidieren zullen zich ook voortplanten en een verzwakking van de hele bevolking veroorzaken en de zieke prooidieren zullen andere dieren besmetten. Het is alsof de prooidieren geen onschuldige slachtoffers van predatie zijn, alsof de pijnlijke dood door roofdieren de verdiende straf is van de zieke, zwakke en concurrerende prooien. Dit is een morele illusie omdat we nooit zoiets zouden denken als onze familie, vrienden of andere mensen de prooidieren waren.

De bovenstaande morele illusies zijn slechts een paar voorbeelden die interfereren met onze oordelen over dierenleed in de natuur. Samen creëren ze een cluster van morele illusies die resulteert in het verwaarlozen of ontkennen van het probleem van dierenleed in de natuur. Dit leed, en onze potentiële mogelijkheden om dit leed te verminderen, mogen we niet onderschatten.

[1] Faria, C. (2016). Animal Ethics Goes Wild: The Problem of Wild Animal Suffering and Intervention in Nature (Ph.D.). Universitat Pompeu Fabra.

Horta, O. (2010). Debunking the Idyllic View of Natural Processes: Population Dynamics and Suffering in the Wild. Télos 17 (1): 73–88.

Tomasik, B. (2015). The Importance of Wild-Animal Suffering. Relations. Beyond Anthropocentrism 3 (2): 133–152.

Pearce, D. (2015). A Welfare State For Elephants? A Case Study of Compassionate Stewardship. Relations. Beyond Anthropocentrism. 3(2): 153–164.

McMahan, J. (2013). The Moral Problem of Predation. In Chignell, A.; Cuneo, T. & Halteman, M. Philosophy Comes to Dinner: Arguments on the Ethics of Eating. London: Routledge.

[2] Ng, Y.-K. (1995). Towards Welfare Biology: Evolutionary Economics of Animal Consciousness and Suffering. Biology and Philosophy 10 (3): 255–285.

[3] Kahneman D., Knetsch J. L. & Thaler, R. H. (1991). Anomalies: The Endowment Effect, Loss Aversion, and Status Quo Bias. Journal of Economic Perspectives 5 (1): 193–206.

[4] Bostrom N. & Ord T. (2006). The reversal test: eliminating status quo bias in applied ethics. Ethics 116 (4): 656–679.

[5] Lerner M.J. (1980). The Belief in a Just World: A Fundamental Delusion. Plenum: New York.

Geplaatst in Artikels, Blog | Tags: , , , , | 1 reactie

The scientific consensus on GMOs

There is a scientific consensus about the general safety of GMOs (that GMOs in general do not pose more risks to the environment and human health compared to other common plant breeding methods and that risks should be assessed on a case by case basis for all novel foods independently of the breeding process). Anti-GMO groups deny the existence of this scientific consensus on GMO safety.[1] How can we see whether there is a scientific consensus?

First we can look at the statements made by the vast majority of important scientific institutions worldwide: the International Council for Science[2], the World Health Organization[3], the European Academies Science Advisory Council[4], the European Commission[5], the American Association for the Advancement of Science[6], the American Medical Association[7], the United States National Academy of Sciences[8], the Council for Agricultural Science and Technology[9], the American Phytopathological Society, the American Society for Cell Biology, the American Society for Microbiology, the American Society of Plant Biologists, the French Academy of Science, the Union of German Academies of Sciences and Humanities, the Royal Society of London for the Improvement of Natural Knowledge[10] and many more. They all declare that GMOs are generally safe.

Second, we can look at surveys of a representative sample of scientists connected to the American Association for the Advancement of Science (AAAS): 88% of AAAS scientists say GM foods are generally safe to eat.[11]

Third, there is a recent letter to support precision agriculture and GMOs, signed by 121 Nobel laureates, including 43 laureates of medicine.[12] That is a majority of 63% of currently living Nobel laureates of medicine. Furthermore, we don’t see a broad reaction from the scientific community against this letter. The only reactions against this letter come from anti-GMO groups. Why would the scientific community be so silent if there were no scientific consensus?

[1] Hilbeck A. e.a. (2015). No scientific consensus on GMO safety. Environmental Sciences Europe.

[2] http://www.icsu.org/publications/reports-and-reviews/new-genetics-food-and-agriculture-scientific-discoveries-societal-dilemas-2003

[3] http://www.who.int/foodsafety/areas_work/food-technology/faq-genetically-modified-food/en/

[4] http://www.easac.eu/home/reports-and-statements/detail-view/article/plant-geneti.html

http://www.easac.eu/home/reports-and-statements/detail-view/article/planting-the.html

[5] http://europa.eu/rapid/press-release_IP-10-1688_en.htm

[6] https://www.aaas.org/sites/default/files/AAAS_GM_statement.pdf

[7] http://factsaboutgmos.org/sites/default/files/AMA%20Report.pdf

[8] https://www.nap.edu/read/10977/chapter/1

https://nas-sites.org/ge-crops/

[9] http://www.cast-science.org/download.cfm?PublicationID=282271&File=1e30b9edc325bd7238e06b551e4a73f4b712TR

[10] https://royalsociety.org/~/media/policy/projects/gm-plants/gm-plant-q-and-a.pdf

[11] http://www.pewinternet.org/2015/01/29/public-and-scientists-views-on-science-and-society/

[12] http://supportprecisionagriculture.org/

Geplaatst in Blog, English texts | Tags: , , | Een reactie plaatsen

De twijfel over biovoeding

Disclaimer: onderstaand artikel bevat mijn persoonlijke standpunten, dus niet noodzakelijk de standpunten van de milieuorganisaties waar ik bij betrokken ben. De standpunten die ik inneem zijn gebaseerd op mijn persoonlijke waarden en op de wetenschappelijke studies die ik tot nu toe (november 2016) tegenkwam. Argumenten of verwijzingen naar andere betrouwbare wetenschappelijke studies die onderstaande standpunten kunnen beïnvloeden, zijn welkom. Het is dan ook mogelijk dat dit artikel in de toekomst geüpdate wordt met nieuwe inzichten.

Wat zijn de meest effectieve maatregelen die we kunnen nemen om het milieu te helpen, en welke maatregelen halen weinig of niets uit voor het milieu? Dat is de vraag die gesteld wordt door de effective environmentalists, een groep binnen de sterk groeiende effective altruism beweging. Effectieve milieuactivisten stellen zich als doel om zoveel mogelijk biodiversiteit te beschermen, zo weinig mogelijk toekomstige generaties te belasten en zo sterk mogelijk milieugerelateerde gezondheidsproblemen terug te dringen. Biodiversiteit, gezondheid en intergenerationele rechtvaardigheid zijn centrale waarden voor de effectieve milieuactivisten.

Het nieuwe aan het effective environmentalism is dat de milieuactivisten in het nastreven van hun doelen op een wetenschappelijke en kritisch denkende manier de effectiefste middelen zoeken en twijfels hebben bij een aantal populaire milieumaatregelen. Ze behoren dus niet alleen tot de milieubeweging die strijdt tegen milieuproblemen, maar ook tot de wetenschappelijk-skeptische beweging die strijdt tegen pseudowetenschap.

Een populaire milieumaatregel waar veel effectieve milieuactivisten over twijfelen, is biologische landbouw. Is biolandbouw echt wel beter voor bijvoorbeeld de biodiversiteit en de gezondheid dan niet-biologische, gangbare landbouw? In wat volgt geef ik aanwijzingen voor de stelling dat de voordelen van biolandbouw door veel milieuactivisten overschat worden. Het promoten van biovoeding zou daarom minder prioriteit moeten krijgen ten opzichte van andere belangrijke milieumaatregelen.

Bio en milieu

Hoe kunnen we best nagaan in hoeverre biolandbouw beter is voor het milieu? Door te kijken naar wat de landbouwwetenschap erover te zeggen heeft. Wat zijn de meest betrouwbare wetenschappelijke studies over de milieueffecten van biolandbouw? Waarschijnlijk zijn dat de meta-analyses van vergelijkende studies: systematische overzichtsstudies die de resultaten samenvatten van vele vergelijkende studies die de milieu-impacten van biolandbouw vergelijken met die van gangbare landbouw.

De afgelopen jaren verschenen er een paar relevante meta-analyses over biolandbouw.[1] Wat blijkt volgens deze overzichtsstudies? Ten eerste is de soortenrijkdom op biologische velden ongeveer 30% hoger dan op niet-biologische landbouwgronden. Biolandbouw lijkt dus op het eerste zicht beter te zijn voor de biodiversiteit. Maar een groot probleem van de biolandbouw is het landgebruik. Biolandbouw heeft ongeveer 20% lagere opbrengsten, wat wil zeggen dat er meer grond nodig is voor dezelfde hoeveelheid voeding. Als we meer biovoeding eten, hebben we meer gronden nodig, en dat leidt tot extra ontbossing en dus minder natuurgebieden. De biodiversiteit van een natuurgebied is veel groter dan die van een landbouwgrond. Het inpalmen van natuurgebied door landbouw is waarschijnlijk de grootste bedreiging voor de biodiversiteit op het land.

Biolandbouw kent meer biodiversiteit op de akkers in vergelijking met gangbare landbouw, maar op boerderijniveau is de biodiversiteitswinst van biolandbouw minder uitgesproken.[2] En omdat de oppervlakte voor biolandbouw groter is, is er minder natuurgebied rond de boerderijen. Het is dus een moeilijke afweging tussen meer biodiversiteit in natuurgebieden versus meer biodiversiteit in landbouwgebieden. Het is nog niet zo duidelijk of biolandbouw wel beter is voor de landschapsbiodiversiteit, de regionale biodiversiteit op en rond de boerderijen. Een aantal wetenschappers vermoedt dat ‘land sparing’ (een kleine oppervlakte intensieve landbouw met hoge opbrengsten naast een oppervlakte natuurgebied) beter is voor de biodiversiteit dan ‘land sharing’ (een grote oppervlakte biolandbouw met lage opbrengsten maar hogere biodiversiteit zonder naastliggend natuurgebied).[3] Er is alvast één studie die het totale effect van biolandbouw op de landschapsbiodiversiteit tracht in te schatten en als resultaat opleverde dat er geen relevant verschil is tussen biolandbouw en gangbare landbouw.[4] Gangbare geïntegreerde landbouw met aanliggende natuurgebieden kan ook even goed zijn voor de biodiversiteit als biolandbouw. Er blijven nog veel belangrijke vragen onbeantwoord.[5]

De lagere opbrengsten van biolandbouw maken het moeilijk om in 2050 iedereen biologisch te voeden zonder extra ontbossing. Dat blijkt uit een recente studie in Nature waarin 500 landbouwscenario’s werden doorgerekend.[6] De scenario’s die uitgingen van gewasopbrengsten van biolandbouw gaven aan dat de huidige oppervlakte landbouwgrond te beperkt is om de wereldbevolking te voeden, tenzij we extra maatregelen nemen zoals een daling van vleesconsumptie of een omzetting van grasland in akkerland. Als we enkel de dieetkeuze zouden wijzigen, dan is mondiale biolandbouw zonder ontbossing nog wel haalbaar, maar dan enkel als iedereen veganistisch zou eten.

Hoe zit het met vervuiling en effecten op globale biodiversiteit door biolandbouw? De bovenvermelde meta-analyses geven aan dat op het vlak van klimaatopwarming (broeikasgasuitstoot), eutrofiëring (vermesting en zuurstofdaling in rivieren en zeeën) en verzuring er geen relevante verschillen zijn tussen biolandbouw en gangbare landbouw, als we deze milieu-impacten uitdrukken per kilogram voeding. Dus één kilogram biologische aardappelen heeft dezelfde impact als één kilogram niet-biologische aardappelen.

Misschien kent de biolandbouw iets meer bodemerosie omdat bioboeren geen synthetische herbiciden mogen gebruiken en daardoor vaker de grond omploegen om onkruid te bestrijden, maar daar zijn geen duidelijke aanwijzingen voor en bioboeren gebruiken ook technieken die bodemerosie tegengaan. Uit de meta-analyses blijkt dat biologische landbouwgronden ongeveer 10% meer organisch materiaal hebben en dus een betere bodemkwaliteit hebben dan niet-biologische landbouwgronden. Maar dat komt voornamelijk door de hogere input van organisch materiaal zoals dierlijke mest en groenbemesters. De bijhorende veeteelt en groenbemesting gaan dan weer gepaard met een hoger landgebruik. En de effecten van landbouwsystemen op de bodemkwaliteit kunnen ook plaatsafhankelijk zijn: alvast volgens één langetermijnstudie zou de gangbare landbouw in koudere gebieden voor een betere bodemkwaliteit kunnen zorgen dan de biologische landbouw.[7]

In biolandbouw mag geen kunstmest gebruikt worden. Een voordeel van kunstmest tegenover dierlijke mest is dat het bij kunstmest eenvoudiger is om de juiste dosissen van de voedingsstoffen te kiezen waarmee men de specifieke tekorten in de bodem kan aanvullen en nauwkeuriger aan de behoeften van de gewassen tegemoet kan komen. Bij dierlijke mest is men gehouden aan de verhoudingen van voedingsstoffen die de dieren leveren. Het nadeel van kunstmest is dat het meestal geproduceerd wordt of afkomstig is van schaarser wordende grondstoffen zoals aardgas en ertsen. Maar ook in de biolandbouw mag men schaarser wordende minerale meststoffen (bv. rotsfosfaat) gebruiken, en mag men brandstof gebruiken om onkruiden af te branden.

Dan is er nog de vraag over de vervuiling door giftige pesticiden. De meeste mensen die biologische voeding kopen, denken dat biolandbouw geen gebruik maakt van schadelijke pesticiden. Het verschil tussen biologische en gangbare landbouw is dat er in biologische landbouw geen synthetische pesticiden worden gebruikt (op een paar uitzonderingen na), maar nog wel zogenaamde natuurlijke pesticiden. Natuurlijke pesticiden zijn pesticiden die van natuurlijke bronnen komen en men dus in de natuur kan aantreffen.

Veel wetenschappers die de toxiciteit van pesticiden onderzoeken, kwamen tot de vaststelling dat natuurlijke pesticiden niet altijd veiliger zijn dan synthetische. Enkele voorbeelden van natuurlijke pesticiden die in de Amerikaanse of Europese biolandbouw gebruikt mogen worden, zijn: kopersulfaat (zeer persistent en meer dan 10 keer giftiger dan synthetische fungiciden volgens LD50 toxiciteitswaarden), pyrethrine (giftig voor bijen en vaak geproduceerd met bloemen waardoor er extra landbouwgrond nodig is), waterstofperoxide (giftig voor bijen), kalkzwavel (kan brandwonden veroorzaken en is extreem giftig voor aardwormen), rotenone (veertig keer giftiger dan de meest gebruikte herbicide glyfosaat volgens LD50 toxiciteitswaarden), nicotinesulfaat (100 keer giftiger dan glyfosaat), azadirachtin (dodelijk voor bijen[8] en andere onschadelijke ongewervelde dieren, kan hersenziektes bij kinderen veroorzaken), eucalyptusolie (dodelijk voor bijen) en methylbromide.

Bioboeren gebruiken vaak minder effectieve pesticiden waardoor het kan gebeuren dat ze meer moeten sproeien. Er is alvast één studie over soja die aanwees dat biologische pesticiden in vergelijking met synthetische pesticiden niet effectief zijn in het verminderen van milieurisico’s. De biopesticiden waren minder doeltreffend in het bestrijden van bladluizen, waren even giftig of soms zelfs giftiger voor sommige natuurlijke vijanden van bladluizen en hadden een hogere Environmental Impact Quotient dan de synthetische pesticiden.[9] Dat is niet geheel verwonderlijk: de biolandbouw beperkt zich tot de keuze van natuurlijke pesticiden, terwijl de gangbare landbouw een veel groter keuzeaanbod heeft van zowel natuurlijke als synthetische pesticiden. Aangezien natuurlijkheid van een pesticide niet gecorreleerd is met giftigheid, zou het best kunnen dat sommige synthetische pesticiden minder giftig zijn dan natuurlijke pesticiden. Maar die veiligere synthetische pesticiden mogen niet in de biolandbouw gebruikt worden.

In de biolandbouw mogen geen genetisch gemanipuleerde gewassen (ggo’s) geteeld worden. Door genetische manipulatie werden gewassen zoals katoen en maïs ontwikkeld die resistent zijn tegen rupsenvraat. Die zogenaamde Bt-gewassen produceren een insectengif dat natuurlijk is in de zin dat de bacterie Bacillus thuringiensis ook dit Bt-insectengif aanmaakt. Vandaar dat bioboeren hun gewassen mogen besproeien met Bt-insecticide. Nu blijkt uit een meta-analyse dat er op velden met insectenresistente ggo’s meer onschadelijke ongewervelde diersoorten (bv. insecten en spinnen) zijn dan op velden waar Bt-insectengif gesproeid wordt (wat in de biolandbouw toegelaten is).[10] De Bt-ggo’s maken zelf insectengif aan, dus voornamelijk de schadelijke insecten die van het gewas eten worden getroffen. Bij het sproeien van Bt-insecticiden, zoals in de biolandbouw toegelaten is, worden veel meer insectensoorten getroffen, inclusief insecten die niet schadelijk zijn. Uit een andere meta-analyse blijkt dat de Bt-ggo’s zorgden voor een sterke daling van het pesticidengebruik.[11]

Het is dus vreemd dat ggo’s zoals Bt-gewassen niet toegelaten zijn in de biolandbouw. De Bt-gewassen zijn beter voor de insectenbiodiversiteit, de Bt-genen in de gewassen zijn natuurlijk want ze komen ook voor in natuurlijke bacteriën, en het Bt-insectengif is ook natuurlijk want het mag gebruikt worden in de biolandbouw.

Eén van de redenen waarom ggo’s niet toegelaten zijn in de biolandbouw, is het risico op een ongecontroleerde verspreiding van de ggo’s in het milieu waardoor de biodiversiteit wordt bedreigd. De ironie wil dat dergelijk risico nog steeds niet is vastgesteld bij ggo’s, terwijl er al wel gevallen bekend zijn van biologische bestrijding die uit de hand liepen. Exotische lieveheersbeestjes, snuitkevers en sluipvliegen werden, soms door bioboeren, geïntroduceerd in de VS en Europa met als doel locale insectenplagen of onkruiden te bestrijden. Die geïntroduceerde dieren mogen dan wel natuurlijk zijn, een aantal van die exoten zijn zich gaan gedragen als hinderlijke, invasieve soorten die de locale biodiversiteit bedreigen.[12]

Conclusie: er zijn zeer weinig wetenschappelijk onderbouwde aanwijzingen dat biovoeding beter zou zijn voor het milieu. Het is moeilijk te zeggen of de totale milieuvoetafdruk van biovoeding lager is dan van gangbare voeding. Wat dierlijke producten betreft zijn er wel meer aanwijzingen dat biologische dierlijke producten een hogere milieu-impact hebben dan niet-biologische producten.[13] Dat komt omdat de dieren in de bioveeteelt langer leven en zodoende meer grondstoffen (veevoeders, energie, water) nodig hebben en meer vervuiling (mest en broeikasgassen) produceren. Koeien die meer gras eten, zoals in de biolandbouw gebruikelijk is, stoten ook meer van het krachtige broeikasgas methaan uit.

Bio en gezondheid

Hoe zit het dan met de gezondheidsvoordelen van biovoeding? We kunnen kijken naar anekdotes of individuele studies, maar dan zijn we wel een tijdje zoet. Opnieuw kunnen we een binnendoorweg nemen en meteen kijken naar de systematische overzichtsstudies.[14] De eenvoudige conclusie is: er is geen deftig wetenschappelijk bewijs dat biovoeding gezonder is dan gangbare voeding.

Op het vlak van voedingswaarde, zoals de hoeveelheid vitaminen of mineralen, zien we alvast geen relevante verschillen tussen biologische en niet-biologische voeding.[15] Het blijft bij enkele anekdotes: biomelk kan bijvoorbeeld meer omega-3 en ijzer bevatten, maar dan weer minder jodium en selenium.[16] Ook hier is het weer ironisch dat biolandbouw het gebruik van ggo’s afzweert, want er zijn ggo’s in ontwikkeling die meer voedingswaarde hebben dan gangbare gewassen, zoals gouden rijst dat beta-caroteen bevat en gewassen die extra omega-3 vetzuren of vitamine D produceren. Bioproducten mogen ook niet verrijkt worden met vitamines. Gangbare sojamelk wordt vaak verrijkt met bijvoorbeeld vitamine B12, wat deze sojamelk gezonder maakt dan de biovariant.

Wat met de schadelijke stoffen? Ook hier kunnen we niet zeggen dat biovoeding systematisch relevant gezonder zou zijn dan gangbare voeding. Biologische graangewassen bevatten misschien iets meer giftige mycotoxines van schimmels omdat de bioboeren geen synthetische fungiciden mogen gebruiken en biogranen een hoger suikergehalte hebben wat ze aantrekkelijker maakt voor schimmels.[17] Dit staat in contrast met enkele aanwijzingen dat sommige ggo’s die niet toegelaten zijn in de biolandbouw, zoals Bt-maïs, minder mycotoxines bevatten.[18]

We kunnen nog voorbeelden geven van voedselrisico’s die misschien (met mager bewijs op basis van enkele studies of anekdotes) hoger zijn bij bioproducten. Biologische groenten hebben misschien iets hogere risico’s op besmettingen met schadelijke bacteriën zoals E.coli omdat de biolandbouw vaker gebruik maakt van onbehandelde dierlijke mest in plaats van kunstmest en dierlijke mest die behandeld werd met straling of niet-biologische antibacteriële middelen.[19] Ook biologisch vlees bevat misschien iets vaker schadelijke bacteriën dan gangbaar vlees omwille van het lagere gebruik van antibiotica in de bioveeteelt. (Maar biovlees heeft alvast wel minder last van antibioticaresistente bacteriën.) Biologische veeteeltproducten bevatten misschien iets meer schadelijke transvetten. Biologisch kippenvlees en eieren bevatten misschien iets hogere concentraties dioxines omwille van het vaker scharrelen van de biokippen.

Maar het wetenschappelijk bewijs voor bovenstaande voedselrisico’s is telkens zeer schaars en vaak inconsistent. Voor de stelling dat sommige bioproducten lagere hoeveelheden van bepaalde schadelijke stoffen bevatten, is er ook telkens zeer schaars bewijs.

De vraag die hierbij opduikt is opnieuw die van de pesticiden. Zijn bioproducten gezonder omwille van lagere hoeveelheden giftige pesticiden? Wat is de impact van pesticiden op de gezondheid van de consument?

Een studie die de 12 voedingsproducten onderzocht die het grootste risico op pesticidenresidu’s kennen, concludeerde dat de voornaamste pesticiden op die producten verwaarloosbare gezondheidsrisico’s voor consumenten opleveren en dat het vervangen van die producten door biologische varianten geen vermindering van gezondheidsrisico’s oplevert.

Het is duidelijk dat sommige pesticiden in de biolandbouw schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid.[20] Maar we mogen niet vergeten dat planten ook natuurlijke pesticiden aanmaken om zich te verdedigen tegen schimmels, insecten en andere aanvallers. Meer dan 99,9% van de pesticiden die we binnenkrijgen, komen van de planten zelf. Planten die we eten bevatten duizenden natuurlijke pesticiden. Hoe schadelijk zijn deze natuurlijke chemicaliën in de planten? Gemiddeld genomen even schadelijk als synthetische: de verhouding kankerverwekkende tegenover niet-kankerverwekkende natuurlijke chemicaliën is ongeveer even groot als de verhouding kankerverwekkende tegenover niet-kankerverwekkende synthetische pesticiden.[21] Omdat bioboeren geen synthetische insecticiden en fungiciden mogen gebruiken, gebruiken ze vaker rassen met een van nature sterkere weerstand tegen schimmels en insecten. Dat zou kunnen betekenen dat die weerbaardere rassen zelf meer pesticiden aanmaken om zich te verdedigen. Het dient wel benadrukt te worden dat er geen aanwijzingen (relevant meetbare effecten) zijn dat biologische rassen die weerbaarder zijn tegen schimmels en insecten ongezonder zijn dan niet-biologische rassen.

Hoewel er op niet-biologische producten meer residuen van pesticiden terug te vinden zijn dan op bioproducten, is er in vergelijking met de grote hoeveelheid natuurlijke pesticiden in de planten en de dosissen aangebrachte biologische pesticiden op de biologische gewassen geen overtuigend bewijs dat de dosissen synthetische pesticiden op niet-biologische producten een belangrijke oorzaak van kanker zijn. De Wereldgezondheidsorganisatie heeft nog geen inschatting kunnen maken van de totale ziektelast veroorzaakt door het consumeren van synthetische pesticiden. Wat we al wel kunnen zeggen is dat meer dan 10% van de sterftegevallen het gevolg is van een te lage consumptie van groenten, fruit, noten en zaden. Ondanks de duizenden natuurlijke pesticiden in fruit en groenten, zijn deze producten zeer gezond. Alles wat fruit en groenten duurder maakt, zoals de hogere prijs van biovoeding, is daarom riskant omdat het de consumptie van deze gezonde producten doet dalen, vooral bij armere mensen.

De strenge regelgeving om minuscule hoeveelheden synthetische pesticiden te vermijden, is zeer duur. Uit onderzoek blijkt dat de meeste controleprogramma’s voor toxische stoffen in voeding bijna 150 keer meer kosten per gered gezond levensjaar dan de meeste medische interventies.[22] Effectieve altruïsten waarschuwen voor het feit dat het ene goede doel honderd keer meer goed kan doen dan een andere organisatie met dezelfde middelen. Ook op het vlak van voeding zien we eenzelfde factor honderd verschil in kostenefficiëntie.

We kunnen eens kijken naar de uitgaven voor biovoeding van een gemiddelde Belg. Een Belg besteedt jaarlijks iets meer dan 25 euro aan biovoeding. Dat is een meerkost van 6 euro per jaar per Belg, omdat biovoeding gemiddeld 33% duurder is dan niet-bio. Over een heel leven uitgedrukt is dat een meerkost van 500 euro per Belg. Dit is de extra kost van een Belg die gemiddeld 1% in plaats van 0% biovoeding aankoopt (op basis van het totale gewicht van alle aangekochte voeding). Even ter vergelijking: 500 euro geven aan de meest effectieve goede doelen op het vlak van menselijke gezondheid, zoals de Against Malaria Foundation, kan 5 à 10 gezonde levensjaren redden. Het is zeer onwaarschijnlijk dat een gemiddelde Belg 5 jaar minder lang gaat leven als die Belg 0% in plaats van 1% biovoeding gaat consumeren.

De vraag die een effectieve milieuactivist zich stelt is of die meerkost van biovoeding wel zo rendabel is. Zoals gezegd zijn de milieu- en gezondheidsvoordelen van biovoeding weinig wetenschappelijk onderbouwd. Stel dat iedere Belg jaarlijks 6 euro zou geven aan wetenschappelijk landbouwkundig onderzoek om de landbouw verder te verduurzamen. Wetenschappers kunnen dan nieuwe, milieuvriendelijkere landbouwtechnieken ontwikkelen die voor de rest van de toekomst een voordeel opleveren voor het milieu. Dat zou wel eens een veel effectievere investering zijn dan een investering in biovoeding.

Vele mensen kopen biovoeding omdat ze denken dat het gezonder is. Vaak beweren die mensen dat biovoeding ook beter smaakt. Maar dat is een illusie. Uit onderzoek blijkt dat als consumenten niet weten welk product biologisch is, ze geen smaakvoorkeur meer hebben voor de bioproducten.[23] Van zodra ze geloven dat een product biologisch is, gaan ze het lekkerder vinden, zelfs al werd hen wijsgemaakt dat het product biologisch is.

Dit is een soort van halo-effect (heiligenkranseffect). Een fysiek aantrekkelijke persoon wordt bijvoorbeeld vaak intelligenter ingeschat. Bij het halo-effect geeft de aanwezigheid van een bepaalde kwaliteit (zoals de gezondheid van een voedingsproduct of de fysieke aantrekkelijkheid van een persoon) bij de waarnemer de suggestie dat andere kwaliteiten (zoals de smaak van het product of de intelligentie van de persoon) ook aanwezig zijn.

Bio en dierenwelzijn

Om het verhaal van biovoeding af te ronden misschien nog een kort woordje over het dierenwelzijn in de bioveeteelt. Dat is alvast beter dan in de niet-biologische veeteelt. In de biolandbouw hebben de dieren iets meer ruimte en iets vaker vrije uitloop. De ligruimte bevat strooisel. Het onverdoofd castreren van varkens is verboden en het afbranden van snavels bij kippen en het staartknippen bij varkens gebeurt minder vaak dan in de intensieve veeteelt. Ook worden er in de bioveeteelt iets vaker dierenrassen gebruikt die minder snel groeien en daardoor minder gezondheidsproblemen door overdadige groei kennen. Op het vlak van transport en slachting is er geen wezenlijk verschil tussen gangbare en biologische veeteelt.

Toch is er één aspect waar dieren in de bioveeteelt slechter aan toe zijn, en wel ten gevolge van een pseudowetenschappelijke houding. Als de dieren in de bioveeteelt ziek zijn, krijgen ze eerder homeopathische middelen toegediend die geen inherente geneeskrachtige werking hebben in plaats van werkzame geneesmiddelen zoals antibiotica. Hier verliest biolandbouw – en in het bijzonder de bioveeteelt – wetenschappelijke geloofwaardigheid.

Conclusie

Kijken we naar de meta-analyses en systematische overzichtsstudies, dan zien we geen duidelijke aanwijzingen dat biovoeding systematisch of significant milieuvriendelijker en gezonder is dan niet-biologische voeding. Dergelijk gebrek aan wetenschappelijk bewijs rechtvaardigt niet de 33% meerkost van biovoeding. Die meerkost kan hoogstwaarschijnlijk beter geïnvesteerd worden in andere dingen zoals landbouwkundig onderzoek, de promotie van plantaardige voeding of effectieve gezondheidsinterventies om het milieu en de gezondheid van mensen te bevorderen. Men kan het uitgespaarde geld geven aan bijvoorbeeld organisaties die plantaardige voeding promoten (cfr. EVA en Be Vegan in België of de organisaties aanbevolen door Animal Charity Evaluators) of aan organisaties die het meest effectief gezondheid bevorderen (cfr. organisaties aanbevolen door GiveWell). De consumptie van biovoeding is hoogstwaarschijnlijk geen vorm van effectief milieuactivisme. Het gebruik van homeopathische middelen in de bioveeteelt, de afkeer van ggo’s, het onderscheid tussen synthetische en natuurlijke pesticiden en het overschatten van de gezondheids- en milieuvoordelen van biovoeding tonen aan dat in de biolandbouw enkele pseudowetenschappelijke trekjes aanwezig zijn.

Er zijn effectievere dingen die we kunnen doen dan het kopen en promoten van biolandbouw. Hoe kunnen we onze voedselproductie het sterkst verduurzamen? Ten eerste natuurlijk door de meest milieuvriendelijke landbouwtechnieken toe te passen, gaande van technieken in de gangbare landbouw tot genetische manipulatie tot agro-ecologie.

Ten tweede kunnen we meer investeren in wetenschappelijk onderzoek naar duurzame landbouwsystemen. Kijken we naar de top wetenschapshelden, de wetenschappers die als het ware de meeste mensenlevens hebben gered (http://scienceheroes.com/), dan staan bovenaan in het lijstje Fritz Haber en Carl Bosch, de uitvinders van de kunstmest, die met hun uitvinding reeds verantwoordelijk zijn voor het redden van bijna 3 miljard levens. Op de zesde plaats komt Norman Borlaug die de groene revolutie in de landbouw ontketende met productievere graangewassen. Dat is goed voor het redden van bijna 300 miljoen mensenlevens. Dit toont aan dat wetenschappelijk onderzoek veel vruchten kan afwerpen.

En ten derde kunnen we in plaats van meer biovoeding meer plantaardige voeding kopen. Bij biovoeding zijn er trade-offs: grotere biodiversiteit op de akkers versus meer landgebruik door lagere opbrengsten. En op andere vormen van milieuvervuiling zijn er geen duidelijke verschillen met gangbare landbouw. Dit kunnen we vergelijken met het verschil tussen plantaardige (veganistische) versus dierlijke producten. Veeteelt is waarschijnlijk de belangrijkste oorzaak in het verlies aan biodiversiteit.[24] De productie van plantaardige eiwitten is op heel veel vlakken significant beter dan de veeteelt: minder landgebruik, minder broeikasgasuitstoot, minder pesticidenvervuiling, minder waterverbruik, minder vermesting, minder verzuring, minder fijnstofuitstoot, minder diergeneesmiddelenvervuiling, minder brandstofverbruik, minder griepvirussen, minder ziekterisico’s. Dat is een tienvoudige winst in plaats van een trade-off. En de consumptie van plantaardige voeding is gezonder dan dierlijke producten: minder hart- en vaatziekten, minder diabetes, minder kankers, minder voedselvergiftigingen. De consumptie van dierlijke producten in plaats van plantaardige alternatieven zorgt voor een 10% hogere impact op milieu en gezondheid.[25] Veganistische voeding geeft dus een 10% reductie in de totale mondiale milieu-impact en ziektelast.

Appendix: toevoegingen

In deze appendix voeg ik nieuwe informatie toe die ik tegenkwam na de eerste publicatie van dit artikel.

Een studie die een inschatting probeert te maken van het extra risico op kanker door pesticiden, geeft aan dat de extra consumptie van een portie groenten of fruit per dag het risico op kanker door pesticiden op groenten en fruit verhoogt met maximaal 1 op 15 miljoen per jaar, wat ruimschoots gecompenseerd wordt door een daling van het risico op kanker met 2000 op 15 miljoen door de beschermende stoffen in groenten en fruit. De beschermende werking van groente en fruit is dus 2000 keer sterker dan het kankerrisico van pesticiden.

Met het risico op kanker door pesticiden kunnen we de volgende berekening maken: laten we aannemen dat de totale dagelijkse hoeveelheid pesticiden die een gemiddelde persoon met niet-biologische voeding consumeert 15 keer hoger is dan de hoeveelheid op één portie groente of fruit, en dat alle kankers resulteren in vroegtijdige sterfte. Dan zal 1 op een miljoen mensen per jaar sterven aan kanker door de consumptie van pesticiden op niet-biologische producten. Dit komt overeen met een micromort per jaar: een kans van 1 op een miljoen om te sterven (ter vergelijking, 20 km fietsen heeft een even hoog sterfterisico door ongevallen). Dat risico kan men vermijden door volledig biologisch te eten, aan een meerkost van 600 euro per jaar (33% meerkost op een totale jaarlijkse uitgave voor voeding van 1800 euro per persoon). Maar als we kijken naar hoeveel mensen bereid zijn te betalen voor extra veiligheidsmaatregelen om een micromort te vermijden, dan zien we dat mensen niet meer dan 50 euro willen betalen, 10 keer minder dan de meerkost van biovoeding. Biovoeding eten en 600 euro per jaar extra betalen met als doel de gezondheidsrisico’s van pesticiden te vermijden, wordt dan irrationeel.

We kunnen de meerkost van biovoeding ook vergelijken met de waarde van een statistisch leven (value of a statistical life): die bedraagt ongeveer 10 miljoen euro per leven (of beter: per vermeden dood). Deze waarde geeft aan hoeveel de samenleving (de overheid) bereid is te betalen om 1 leven te redden. De meerkost van biovoeding is 60 keer hoger dan deze waarde van een statistisch leven: als 1 miljoen mensen 100% biovoeding eten en zo jaarlijks 1 vroegtijdige sterfte door pesticiden vermijden, dan betalen ze er samen jaarlijks 600 miljoen euro extra voor. Met andere woorden: de meerkost van biovoeding is te hoog om het verminderen van het risico op sterfte door pesticiden te kunnen rechtvaardigen.

De meerkost van biovoeding is ook te hoog in vergelijking met de kost om grond- en oppervlaktewater te zuiveren van pesticiden die gebruikt worden in de niet-biologische landbouw. In Nederland moeten waterleidingbedrijven jaarlijks zo’n 23 miljoen euro besteden aan het zuiveren van water. Die kost zit niet verrekend in de prijs van gangbare producten. Nederlanders geven 1,13 miljard euro uit aan biovoeding. Dat komt overeen met een meerkost van 280 miljoen euro, opnieuw een factor 10 hoger dan de kosten van de waterleidingbedrijven door de gangbare landbouw.

Referenties

[1] Mondelaers, K., Aertsens, J., Van Huylenbroeck, G. (2009). A meta-analysis of the differences in environmental impacts between organic and conventional farming. British Food Journal 111 (10), 1098-1119.

Tuomisto H. e.a. (2012). Does organic farming reduce environmental impacts? A Meta-Analysis of European research. Journal of Environmental Management 112, 309-320.

Seufert V. e.a. (2012). Comparing the yields of organic and conventional agriculture. Nature 485, 229–232.

[2] Schneider et al. (2014) Gains to species diversity in organically farmed fields are not propagated at the farm level. Nature Communications. DOI: 10.1038/ncomms5151.

[3] https://www.kuleuven.be/metaforum/docs/pdf/wg_33_n.pdf

[4] Gabriel, D., Sait, S.M., Kunin, W.E. & Benton, T.G. (2013) Food production vs. biodiversity: comparing organic and conventional agriculture. Journal of Applied Ecology, 50, 355–364.

[5] Hole, D.G e.a. (2005). Does organic farming benefit biodiversity? Biological Conservation. 122 (1): 113–130.

[6] Erb K.-H. e.a. (2016). Exploring the biophysical option space for feeding the world without deforestation. Nature Communications 7:11382 doi:10.1038/ncomms11382.

[7] Kirchmann H. e.a. (2007). Comparison of Long-Term Organic and Conventional Crop-Livestock Systems on a Previously Nutrient-Depleted Soil in Sweden. Agronomy Journal. 99 (4): 960–972.

[8] http://ec.europa.eu/environment/integration/research/newsalert/pdf/bumblebee_survival_and_reproduction_impaired_by_pesticide_azadirachtin_even_at_recommended_levels_416na2_en.pdf

[9] Bahlai, C., Xue, Y., McCreary, C., Schaafsma, A., & Hallett, R. (2010). Choosing Organic Pesticides over Synthetic Pesticides May Not Effectively Mitigate Environmental Risk in Soybeans PLoS ONE, 5 (6).

[10] Marvier M, McCreedy C, Regetz J, Kareiva P. (2007) A meta-analysis of effects of Bt cotton and maize on nontarget invertebrates. Science 316(5830):1475–7.

[11] Klümper W. & Qaim M. (2014). A Meta-Analysis of the Impacts of Genetically Modified Crops. PLoS ONE 9(11): e111629.

[12] Vilcinskas A. e.a. (2013). Invasive Harlequin Ladybird Carries Biological Weapons Against Native Competitors, Science 340 (6134): 862-863.

Louda S. e.a. (1997). Ecological Effects of an Insect Introduced for the Biological Control of Weeds, Science 277:1088-90.

Strong D.R. (1997). Fear No Weevil, Science 277:1058-59.

Boettner G.H. e.a. (2000). Effects of a Biological Control Introduction on Three Nontarget Native Species of Saturniid Moths, Conservation Biology 14:1998-1806.

[13] Blonk, H. (2009) Naar een gecombineerde meetlat voor milieu en dierenwelzijn. Blonk Milieuadvies.

[14] Dangour, A., Lock, K., Hayter, A., Aikenhead, A., Allen, E., & Uauy, R. (2010). Nutrition-related health effects of organic foods: a systematic review American Journal of Clinical Nutrition, 92 (1), 203-210.

Smith-Spangler C. e.a. (2012). Are organic foods safer or healthier than conventional alternatives?: a systematic review. Ann Intern Med. 157(5):348-66.

[15] Dangour AD e.a. (2009). Nutritional quality of organic foods: a systematic review. Am J Clin Nutr. 90(3):680-5.

[16] Średnicka-Tober D. e.a. (2016). Higher PUFA and n-3 PUFA, conjugated linoleic acid, α-tocopherol and iron, but lower iodine and selenium concentrations in organic milk: a systematic literature review and meta- and redundancy analyses. Br J Nutr. 115(6):1043-60.

[17] Magkos F. e.a. (2006). Organic Food: Buying More Safety or Just Peace of Mind? A Critical Review of the Literature. Critical Reviews in Food Science and Nutrition, 46:23–56

[18] Wu F. (2006) Mycotoxin reduction in Bt corn: potential economic, health, and regulatory impacts. Transgenic Res. 15(3):277-89.

[19] Mukherjee A, Speh D, Dyck E, & Diez-Gonzalez F (2004). Preharvest evaluation of coliforms, Escherichia coli, Salmonella, and Escherichia coli O157:H7 in organic and conventional produce grown by Minnesota farmers. Journal of food protection, 67 (5), 894-900.

[20] Gold, L., Slone, T., Stern, B., Manley, N., & Ames, B. (1992). Rodent carcinogens: setting priorities Science, 258 (5080), 261-265.

[21] Ames BN, Gold LS (1997). Environmental pollution, pesticides, and the prevention of cancer: misconceptions. FASEB J. 11(13):1041-52.

Ames BN, Profet M, Gold LS. (2009) Dietary pesticides (99.99% all natural). Proc Natl Acad Sci 87:777–81.

[22] Ames BN, Gold LS (1997). Environmental pollution, pesticides, and the prevention of cancer: misconceptions. FASEB J. 11(13):1041-52.

[23] Bourn D, Prescott J (2002). A comparison of the nutritional value, sensory qualities, and food safety of organically and conventionally produced foods. Crit Rev Food Sci Nutr. 42 (1): 1–34.

[24] Steinfeld H. e.a. (2006). Livestock’s Long Shadow: Environmental Issues and Options. Food and Agricultural Organization, United Nations. Rome.

[25] https://stijnbruers.wordpress.com/2016/01/17/the-environmental-benefits-of-vegan-diets/

Aleksandrowicz L, Green R, Joy EJM, Smith P, Haines A (2016). The Impacts of Dietary Change on Greenhouse Gas Emissions, Land Use, Water Use, and Health: A Systematic Review. PLoS ONE 11(11): e0165797.

Springmann M. e.a. (2016). Analysis and valuation of the health and climate change cobenefits of dietary change. Proc Natl Acad Sci. 113(15):4146-51.

Geplaatst in Artikels, Blog | Tags: , , , , | 2 reacties

Goed doen op zijn best (opinie)

Opiniestuk verschenen in De Morgen (8/11/16)

Het essay van Maarten Boudry over effectief altruïsme (rubriek Het Kernkabinet van Zeno, 5/11) lokte veel reacties uit van onder meer Orhan Agirdag, Willem Deconinck, Peter Decat en Dimitri Renmans in De Morgen (8/11). Die reacties zijn tekenend voor een foutief begrip van wat effectief altruïsme werkelijk is.

Een eerste misvatting over effectief altruïsme – vooral geuit door Orhan Agirdag – is dat een effectieve altruïst voor ons eventjes gaat bepalen wat waardevol is. Niet dus: een effectieve altruïst gaat niet bepalen wat we belangrijk moeten vinden, maar pleit wel voor een rationele ethiek. Het probleem is namelijk dat mensen vaak een inconsistente en irrationele ethiek hebben, vol willekeur, en dat ze niet goed weten wat hun eigen belangrijkste morele waarden zijn. Effectief altruïsme kan ons wel helpen bij het zoeken naar wat we het meest waardevol vinden.

Als we dan bepaald hebben wat we het waardevolst vinden, bijvoorbeeld het bevorderen van welzijn, is de vraag met welke interventies we dat doel zo doeltreffend mogelijk kunnen bereiken, en hoe we kunnen weten in welke mate we dat doel bereiken.

Een tweede misvatting over effectief altruïsme is dat een effectieve altruïst geen aandacht zou hebben voor moeilijk meetbare, complexe interventies met onzekere langetermijnresultaten. Democratische of economische hervormingen, acties voor gendergelijkheid, streven naar sociale rechtvaardigheid? Moeten we dergelijke doelen zomaar negeren omdat ze geen duidelijk meetbare resultaten op korte termijn opleveren, omdat ze niet passen in een zogenaamd neoliberaal efficiëntiedenken? Uiteraard niet.

We kunnen een effectieve altruïst vergelijken met een belegger of investeerder (om toch even neoliberaal te denken). Een investeerder is geïnteresseerd in maximale private winst, in een maximale financial return on investment. Een effectieve altruïst is geïnteresseerd in maximale morele winst, in een maximale social return on investment. Maar net zoals bij beleggers of investeerders zien we bij effectieve altruïsten verschillende risicoprofielen.

Je hebt veilige beleggers die een zeker resultaat willen zien bij hun investeringen, en voor altruïsten met een dergelijk risicoprofiel zijn de aanbevelingen van bijvoorbeeld GiveWell interessant. GiveWell werd in 2007 opgericht door enkele jonge investeerders die schatrijk werden bij een Amerikaans beleggingsfonds. Ze besloten hun rijkdom weg te schenken aan goede doelen en – het zal een beroepsmisvorming zijn – gingen daarbij met een ware beleggersmentaliteit op een heel rationele, kritische, analytische manier op zoek naar de beste goede doelen.

Dat onderzoek leverde een zeer belangrijk inzicht op dat de impuls gaf aan de effectieve altruïsmebeweging. Het blijkt dat als je gezondheidsinterventies gaat meten, bijvoorbeeld hoeveel kwaliteitsvolle of gezonde levensjaren een gezondheidsorganisatie kan redden per gedoneerde euro, sommige interventies en organisaties 10 tot 10.000 keer doeltreffender zijn dan andere. Hetzelfde geldt voor organisaties die werken op het vlak van bijvoorbeeld armoedebestrijding en onderwijs in de armste landen. 75% van de initiatieven van goede doelen hebben geen effect, of zelfs kwalijke effecten. Een effectieve altruïst gaat op zoek naar die overige 25%.

Natuurlijk doet een effectieve altruïst ernstige pogingen om geschikte indicatoren te gebruiken die geen perverse effecten opleveren. Agirdag geeft in zijn kritiek (DM 8/11) het voorbeeld van dokters die beoordeeld worden op overlevingscijfers van de patiënten, waardoor die dokters de ergste gevallen niet behandelen wegens een te lage overlevingskans. Een goede dokter wil natuurlijk zoveel mogelijk levens redden. Maar dan is het wel degelijk interessant om rekening te houden met de ernst van de ziekte en de overlevingskansen van de patiënten. Dit staat in de medische wereld bekend als triage en is een voorbeeld van efficiëntiedenken dat al veel levens heeft gered.

Een effectieve altruïst kijkt dus naar indicatoren zoals gezonde levensjaren, effectieve schooldagen of duurzame inkomensstijgingen. Die indicatoren zeggen natuurlijk niet alles, maar als de ene interventie honderd keer meer gezonde levensjaren of schooldagen oplevert dan de andere, is de kans klein dat die andere interventie toch meer goeds realiseert.

Dit inzicht in de extreme spreiding in effectiviteit van interventies is nieuw en zorgt voor een ware omwenteling bij het beoordelen van goede doelen. De reactie van Agirdag is tekenend: vaak denkt men dat bijvoorbeeld het percentage administratiekosten een geschikte indicator is om een goed doel te beoordelen. Hoeveel geld gaat er naar administratie, fondsenwerving en het salaris van de directeur, en hoeveel geld gaat er daadwerkelijk naar projectenwerking? Dat is irrelevant. Als je eten koopt, denk je toch ook niet hoeveel administratie- en reclamekosten dat bedrijf heeft of hoeveel de directeur verdient? Je bent enkel geïnteresseerd in de prijs-kwaliteitverhouding. Zo ook is een effectieve altruïst enkel geïnteresseerd in deze verhouding: hoeveel goeds tegen welke prijs? De berekening is eenvoudig: een goed doel dat 100 keer meer levens redt per gedoneerde euro is beter dan een goed doel dat slechts één leven redt, zelfs al gaat 50% van die gedoneerde euro naar administratiekosten. Zou je echt een brood kopen dat 100 keer duurder is, omdat die bakker minder administratiekosten heeft?

Sindsdien doet GiveWell aanbevelingen over de goede doelen die het sterkst staan op het vlak van bewijs van effectiviteit. Geef je je geld aan een goed doel aanbevolen door GiveWell, dan ben je zeker van je social return on investment, want die werd op een heel transparante en wetenschappelijke manier gemeten en beoordeeld. Ideaal voor de risico-averse altruïst met een veiliger investeringsprofiel.

Naast de veilige beleggers heb je ook de risico-investeerders – de venture capitalists – die bereid zijn te investeren in moeilijker meetbare interventies met onzekere maar potentieel zeer beloftevolle langetermijnresultaten. Ook altruïsten met een dergelijk risicoprofiel – noem ze maar de venture altruists – kunnen hun gading vinden binnen het effectief altruïsme. Het Open Philanthropy Project is een spin-off van GiveWell, geschikt voor de effectieve altruïsten die interesse hebben in een meer gewaagde vorm van goed doen: interventies met een kleinere slaagkans maar met potentieel zeer grote impact. Denk aan het doorvoeren van politieke en economische hervormingen zoals het immigratiebeleid. Of aan het verminderen van het risico op catastrofale rampen. Of het investeren in diervrije producten zoals plantaardige voeding, om weg te gaan van die veeteelt vol dierenleed.

Aan de lezer die afhaakt door al deze beleggerstermen, in de overtuiging dat dat enkel is voor de rijken onder ons: op wereldschaal behoort u hoogstwaarschijnlijk tot de 5% rijksten en bezit u dus zeker voldoende om ook mee te investeren en er goed mee te doen. Voor de meelezende student of degene die twijfelt over zijn carrière: ook daarop kan je dezelfde beleggersslogica toepassen en verschillende pistes vergelijken qua impact. Dat brengt je waarschijnlijk bij  domeinen als politiek of economie. Zoek hiervoor naar de organisatie 80.000 hours.

Tot slot willen we nog even antwoorden op de vele mythes die opdoken in de opiniestukken van Agirdag, Deconinck, Decat en Renmans. Er is wetenschappelijk bewijs dat het redden van kinderen in Afrika niet bijdraagt aan toekomstige overbevolkingsproblemen. Effectieve altruïsten die toch bezorgd zijn om het bevolkingsprobleem, kunnen geld doneren aan organisaties zoals Marie Stopes International die werken rond vrijwillige gezinsplanning om het aantal ongewenste zwangerschappen te verminderen.

Effectieve altruïsten die schoolresultaten in ontwikkelingslanden willen verbeteren, kijken naar de gehele context en naar alle factoren waar ze vat op hebben en pakken eerst de belangrijkste knelpunten aan gaan. Als de schoolresultaten slecht zijn, niet zozeer omdat er te weinig goede leerkrachten of schoolboeken zijn maar vooral omdat kinderen vaak thuis blijven door eenvoudig te genezen worminfecties, dan is het uitdelen van goedkope ontwormingsmedicijnen het doeltreffendst. Het spreekt natuurlijk voor zich dat men enkel gaat ontwormen in gebieden met risico op worminfecties. Van zodra de kinderen ontwormd zijn zal de effectieve altruïst het volgende knelpunt aanpakken en desnoods andere organisaties naar voor schuiven om te steunen. Effectieve altruïsten staan zeker open voor complexe multidimensionele interventies, mits er voldoende aanwijzingen van doeltreffendheid zijn.

Bij het aanbevelen van de Against Malaria Foundation die bednetten tegen malariamuggen uitdeelt in Afrika, hield GiveWell rekening met de mogelijkheid dat die netten misbruikt kunnen worden als visnetten. Dat risico werd onderzocht en verwaarloosbaar geacht. Dankzij die bednetten zien we de afgelopen paar jaar een drastische daling van het aantal malariasterftes.

De beste investering die een donor kan doen is in een NGO die zoveel mogelijk goeds realiseert aan de goedkoopste prijs. Dat een interventie al dan niet zo complex is zodat een een langdurig partnerschap met de lokale bevolking moet aangegaan worden, is daarbij irrelevant. Een interventie die zo doeltreffend en snel een probleem kan oplossen zodat een langdurige partnerschap niet nodig is, kan ook goed zijn.

Net zoals gerandomiseerde controleproeven zeer nuttig zijn in de geneeskunde bij het achterhalen van de doeltreffendheid van een nieuw medicijn, zo zijn dergelijke experimenten ook nuttig bij ontwikkelingssamenwerking. Zulke impactevaluaties zijn inderdaad kostelijk, maar zeer effectief. Kijk maar naar de sterke vooruitgang in de gezondheidszorg dankzij de zogenaamde bewijsgebaseerde geneeskunde. Daarom dat effectieve altruïsten het belang inzien van een bewijsgebaseerde ontwikkelingssamenwerking.

Stijn Bruers (moraalfilosoof), Kris Martens (psycholoog) en Tobias Leenaert (oprichter EVA vzw.) promoten Effectief Altruïsme in Vlaanderen.

Geplaatst in Artikels, Blog | Tags: | Een reactie plaatsen