Antwoord op het BioForum

Een tweede keer reageert BioForum op mediaberichten over mijn gewijzigde standpunt over biovoeding. Hier wil ik graag op antwoorden. (Zie hier voor mijn antwoord op hun eerste reactie.)

“Bruers hangt een extreme visie aan die al het lijden onder dieren wil uitroeien. Niet alleen het lijden van landbouw- of huisdieren. Hij pleit er ook voor om op verregaande manier in te grijpen in de natuur om leed bij wilde dieren te voorkomen.”

Je zou kunnen zeggen dat extremere visies een hogere kans hebben om minder betrouwbaar te zijn, maar dat geldt niet als die extreme visie onderbouwd wordt door standpunten die allesbehalve extreem zijn. Mijn visie over ingrijpen in de natuur is gebaseerd op drie uitgangspunten die allesbehalve extreem zijn: 1) extreem, onnodig leed is niet goed, 2) als we dat leed op een effectieve manier kunnen verminderen en welzijn doeltreffend bevorderen, dan is dat goed, en 3) we mogen niet discrimineren. In de natuur is er heel veel dierenleed dat we onderschatten, en er is geen reden om te zeggen dat dat dierenleed minder erg is dan even sterk leed dat ervaren zou worden door onze kinderen, honden en katten. Als het BioForum deze uitgangspunten niet onderschrijft of de logica niet deelt, dan hoor ik het graag. Maar mijn visie over dierenleed in het wild heeft niets te maken met mijn gewijzigd standpunt over biovoeding. Ik heb eerder de indruk dat het BioForum hier een soort van ad hominem drogreden probeert, of een non sequitur. Maar mijn indruk kan fout zijn, dus zal ik gewoon met argumenten op de kritiek ingaan.

 

“Inzicht in de visie van Bruers helpt om zijn kritiek ten opzichte van biologische landbouw te plaatsen. Biolandbouw gaat immers uit van een kringloopmodel, dat zegt dat dierlijke mest essentieel is om de bodem vruchtbaar te houden en aan duurzame landbouw te doen. Veeteelt, mits strikte beperking van de veestapel volgens de draagkracht van de grond, is dan logisch, zelfs onontbeerlijk. Dat model beantwoordt niet aan Bruers visie op dierenleed en staat haaks op zijn pleidooi voor een puur plantaardige landbouw. Milieuvriendelijkheid lijkt het criterium te zijn waarop Bruers biolandbouw aanvalt, maar ons lijkt het minstens evenveel om dierenwelzijn te gaan.”

Ik ben me ervan bewust dat het gebruik van dieren een belangrijk element zou kunnen zijn in de biolandbouw, voornamelijk omwille van de mest, en dat de biolandbouw dan sneller betrokken kan raken bij dierenrechtenschendingen in de veeteelt. Bij gesprekken met een aantal biologische veetelers merkte ik ook een vrij sterke speciesistische houding bij die boeren, wat ik sterk afkeur. Dat alles zou bij mij onbewust een vooroordeel tegen bio kunnen genereren. Maar dat lijkt me onwaarschijnlijk te zijn. In mijn wetenschappelijke analyse van de biolandbouw heb ik bewust geprobeerd het dierenwelzijnverhaal terzijde te schuiven zodat mijn oordelen daardoor niet zouden verkleuren. En ik weet natuurlijk ook dat ik niet de hele biosector over dezelfde kam mag scheren op basis van immorele speciesistische opvattingen van een aantal bioboeren (want er zijn ook niet-bio boeren met speciesistische opvattingen en bioboeren zonder speciesistische opvattingen).

Voor zover ik me ervan bewust ben, was dierenleed helemaal niet de reden waarom ik de vermeende voordelen van biovoeding in twijfel trok. Dat blijkt volgens mij duidelijk uit mijn blogberichten. Ten eerste gaf ik in mijn artikel over biovoeding aan dat dierenleed het enige is waar biolandbouw beter op scoort dan gangbare veeteelt (op een irrationeel aspecten na, namelijk de keuze voor onwerkzame homeopathie in plaats van antibiotica als de veedieren ziek zijn). Ten tweede heb ik enkele jaren geleden geschreven dat een mondiale veganistisch-biologische landbouw waarschijnlijk haalbaar is. Mocht dierlijke mest dan toch nodig zijn, dan is het ook denkbaar een landbouwsysteem te hebben waarbij we geen dieren doden of opsluiten (dode dieren produceren namelijk geen mest meer), maar gewoon dieren voederen met oneetbare etensresten en de mest verzamelen om in de landbouw te gebruiken. Dus ik zie dat gebruik van dierlijke mest niet als cruciaal knelpunt in de biolandbouw. Tot slot ga ik nog steeds regelmatig naar de biowinkel omdat daar de keuze van veganistische producten groter is.

Wat is dan wel de reden waarom ik minder vertrouwen kreeg in de voordelen van bio en waarom ik bio in twijfel ben gaan trekken? Mijn confrontatie met wetenschappelijke bevindingen, in het bijzonder meta-analyses over de gezondheids- en milieuaspecten van biovoeding. Op vlak van gezondheid wist ik al wel dat er meerdere meta-analyses waren die aangaven geen relevante verschillen te zien tussen biovoeding en gangbare voeding. Het waren vooral de milieuaspecten die me in het verleden motiveerden om bio te kopen en promoten. Maar de afgelopen jaren heb ik me op professioneel vlak verdiept in de ecologische voetafdruk en levenscyclusanalyses van voeding die de milieu-impacten van voeding in kaart brengen. En zo stuitte ik op meta-analyses die de milieuvoordelen van bio in twijfel trokken. Die twijfel werd versterkt door het lezen van literatuur van kritisch denkende skeptici en effectieve ecologisten (effective environmentalists) die aangaven dat de keuze voor biolandbouw niet bepaald een wetenschappelijk onderbouwde effectieve milieumaatregel is. Verder rezen er een aantal frustraties over irrationele regelgeving, bijvoorbeeld dat het in biolandbouw niet toegelaten is vitaminen toe te voegen aan plantaardige alternatieven voor melk of om ggo’s te gebruiken die duidelijke milieu- en gezondheidsvoordelen bieden, en het nog wel toegelaten is om schadelijke pesticiden en schaarser wordende minerale meststoffen (bv. rotsfosfaat) te gebruiken.

“Hij lijkt ook niet te hebben gemerkt dat de biodiversiteit de laatste 30 jaar serieus is afgenomen, mede dankzij intensieve landbouwpraktijken.”

Dit is wel de meest bizarre uitspraak. Ik ben al bijna 20 jaar milieu-activist met als primaire drijfveer biodiversiteitsbehoud. Ik ben zeer goed op de hoogte van de wetenschappelijke studies over het verlies van biodiversiteit. Het Living Planet Report ligt op mijn bureau; dan is het wel erg gek te beweren dat ik niets van het biodiversiteitsverlies zou opgemerkt hebben.

De landbouw is natuurlijk een grote speler in die biodiversiteitscrisis, want de veeteelt is een onderdeel van de landbouw en volgens de VN-FAO is de veeteelt waarschijnlijk de belangrijkste speler in het mondiale verlies van biodiversiteit. Het grootste deel van die veeteelt bestaat uit intensieve landbouwpraktijken, dus in die zin is de stelling correct dat intensieve landbouw een oorzaak is van de biodiversiteitscrisis, maar men kan dan even goed zeggen dat de landbouw in het algemeen een oorzaak is.

Wat we wel kunnen zeggen is dat de huidige intensieve landbouw veel milieuvriendelijker is geworden dan de landbouw enkele decennia geleden. Als we met de landbouwpraktijken van enkele decennia geleden nu 7 miljard mensen moesten voeden, met evenveel dierlijke producten, dan was dat nog erger geweest voor de biodiversiteit. Ik zou eerder zeggen dat het verlies van biodiversiteit komt van twee factoren: 1) veel mensen, die 2) veel producten consumeren met een hoge milieu-impact, zoals dierlijke producten. Dan is het interessanter om de snelle bevolkingsgroei te beperken, door te investeren in vrijwillige gezinsplanning, en de consumptie van dierlijke producten te verminderen, door te investeren in organisaties die diervrije (plantaardige) voeding promoten. Dat zijn twee belangrijke win-win-winmaatregelen. In plaats van een meerkost te betalen voor duurdere biovoeding, zouden we dat geld kunnen geven aan deze effectievere maatregelen.

“Bruers valt bio aan met argumenten die geen steek houden.”

Hier had ik graag concrete tegenargumenten gezien.

“Maar een expert in biolandbouw is hij niet, zelfs niet in landbouw.”

Omdat ik op professioneel vlak de ecologische voetafdruk heb berekend van voedings- en landbouwbedrijven en van regio’s zoals Vlaanderen en Wallonië, beschouw ik me wel als expert op vlak van milieu-impactmeting. De vraag is vooral of ik de studies van milieu- en landbouwexperten correct kan interpreteren en op een onpartijdige manier kan evalueren. Aangezien ik een doctoraat heb ik de wetenschappen en een doctoraat in de moraalfilosofie bij een promotor (Johan Braeckman) die veel belang hecht aan kritisch denken en de wetenschappelijke methode, wordt het onwaarschijnlijk dat ik niet goed wetenschappelijke studies zou kunnen interpreteren. Aangezien ik me engageer bij verschillende milieuorganisaties die biolandbouw promoten, wordt het onwaarschijnlijk dat ik die studies partijdig zou evalueren ten voordele van de gangbare landbouw.

Geplaatst in Blog | Tags: , , | 3 reacties

Hoe de veeteeltsector helemaal post-truth gaat

Opiniestuk in De Morgen (3-03-17)

Gisteren publiceerde ik een opiniestuk in De Morgen naar aanleiding van de misleidende uitspraken over melk door Boerenbond-woordvoerster Anne-Marie Vangeenberghe. Het artikel klaagde de post-truth houding van de veeteeltsector aan, waarbij wetenschappelijke, objectieve feiten van geen tel meer zijn. Ik hoopte dat de slotwoorden duidelijk waren voor de belangenorganisaties van de veeteeltsector: “Als we op een correcte manier het debat willen voeren over gezonde, duurzame en diervriendelijke voeding, dan gaan de Boerenbond en het ABS moeten ophouden met het misleiden van de bevolking.” Blijkbaar wou Hendrik Vandamme, voorzitter van het Algemeen Boerensyndicaat, er nog een schepje post-truth bovenop doen met een reactie in De Morgen.

Vandamme verwijst met trots naar de Belgisch witblauw dikbilrunderen en de Piétrain-varkens die heel efficiënt voeder omzetten in spierweefsel. Nochtans is het wetenschappelijk bewijs duidelijk: het vlees van die runderen en varkens heeft nog steeds een hogere ecologische voetafdruk dan volwaardige plantaardige alternatieven. Dat dat vlees een lagere voetafdruk heeft dan nog ergere dierlijke producten, praat natuurlijk niet het gebruik van dat vlees goed. Wat Vandamme dan weer verzwijgt, is de kost op vlak van dierenleed: die runderen en varkens hebben namelijk een ernstige lichamelijke handicap van overdadige spiergroei. Welke gezondheidsproblemen een dergelijke intensieve vleesproductie kan teweeg brengen, zien we op undercoverbeelden van de Vlaamse varkensveeteelt en op foto’s van dikbilrunderen met een keizersnede in hun zij.

Vervolgens zwaait Vandamme met het argument van de circulaire economie, “de duurzame insteek bij uitstek”: melkkoeien eten de reststromen op van de productie van tofu. Bij die productie worden sojabonen verwerkt tot twee componenten: sojamelk en sojapulp of perskoek. De sojamelk (niet sojaolie, zoals Vandamme ten onrechte schreef) wordt dan zoals kaas gestremd tot tofu. En het restproduct, de sojapulp? Die is voor de koeien. Vandamme beweert dat de tofu-adepten de veehouders dankbaar zouden moeten zijn voor het opruimen van wat hij noemt: “hun ecologische troep”. Wat Vandamme dan natuurlijk weer verzwijgt, is dat die sojapulp veel andere toepassingen kent. Ten eerste wordt die sojapulp in de Aziatische keuken vaak gegeten en staat het in Japan bekend als okara.  Ten tweede kunnen we die sojapulp verwerken in brood, koekjes, veggieburgers, vegetarische worstjes, tempeh en noem maar op. Ten derde kan die sojapulp ook gewoon dienen als compost of stikstofmest. Dieren kweken die veel broeikasgassen uitstoten, veel grondstoffen nodig hebben en veel granen omzetten in oneetbare mest, om de sojapulp van de tofu te kunnen verwerken, is niet bepaald de meest efficiënte vorm van circulaire economie. De veeteelt is zelfs de grootste verstoorder van de mondiale stikstofkringloop.

Vandamme klaagt dat de sojabonen voor de tofu van de andere kant van de wereld komen met door zware stookolie aangedreven schepen. Wat hij verzwijgt is dat de meeste geïmporteerde soja bestemd is voor de veeteelt, dat die sojaperskoek niet louter het restproduct is van de marginale tofuproductie, dat de soja voor de tofu niet altijd komt van de andere kant van de wereld en dat de ecologische voetafdruk van het transport met grote vrachtschepen veel kleiner is dan de ecologische voetafdruk die koeien nalaten. Het is de veeteelt, niet de tofuproductie, die de economische drijvende kracht vormt achter de huidige sojateelt.

Het meest schrijnende in de reactie van Vandamme is zijn verwijzing naar mijn opiniestuk: “wie praat over het dagelijks toevoegen van antibiotica aan melkveevoeder weet duidelijk niet dat antibiotica taboe zijn in de melkveehouderij”. Ten eerste heb ik in mijn opiniestuk niet geschreven dat antibiotica dagelijks zouden toegediend worden aan de koeien. Maar wil Vandamme nu zeggen dat al die koeien die ziek worden door uierontstekingen niet eens antibiotica krijgen?  Wil hij even iedereen die het goed meent met dierenwelzijn op stang jagen? Nee, Vandamme weet best dat melkkoeien wel degelijk antibiotica krijgen, want waarvoor dienen anders die brochures over het gebruik van antibiotica in de melkveehouderij?

Vandamme vraagt zich af of hij ook niet bijdraagt tot het beperken van de broeikasgasuitstoot door het behoud van graslanden en door die graslanden verder te gebruiken als koolstofopslag. We kunnen kort zijn: wetenschappelijke studies voor Nederland die de uitstoot van broeikasgassen vergelijken tussen koemelk en sojamelk, wijzen duidelijk in dezelfde richting: koemelk is ongeveer dubbel zo belastend voor het klimaat als sojamelk.

Een laatste wapenfeit van Vandamme: verwerkte vleesvervangers bevatten vaak veel toegevoegde calorieën en zout. Nu ja, het maakt niet uit of er ook ongezonde plantaardige producten bestaan, zolang er maar vleesvervangers bestaan die gezonder zijn dan vlees.

Dit alles indachtig is het wel zeer ironisch en ongemeen bizar dat Vandamme afsluit met datgene waar ik precies naartoe wil: “Dan kan er misschien een objectiever debat pro en contra vlees gevoerd worden, als het even mag?”

Geplaatst in Blog | Een reactie plaatsen

Waarom ook geen Dagen Zonder Melk?

Opiniestuk verschenen in De Morgen (1-3-17)

De veeteelt zit in het defensief. De boerenorganisatie ABS reageerde op de Dagen Zonder Vlees campagne, de Boerenbond reageerde op de campagne tegen melk van BE Vegan. Deze veganismevereniging liet vorige week posters plaatsen op Gentse trams met de boodschap ‘Melk, niet goed voor elk!’. De reacties van ABS en Boerenbond-woordvoerster Anne-Marie Vangeenberghe lijken wel de zoveelste voorbeelden van post-truth te zijn, waarbij wetenschappelijke, objectieve feiten van geen tel meer zijn en de waarheid op de tweede plaats komt.

Volgens mevrouw Vangeenberghe zijn melkkoeien in topvorm. Maar volgens onderzoekers van de universiteit Gent krijgt de helft van de melkkoeien binnen het jaar melkklierontsteking[1], hebben één op twee koeien een klauwletsel en is één op vier kreupel.[2] De natuurlijke levensverwachting van een koe is twintig jaar, maar ze wordt al binnen de zes jaar naar het slachthuis gevoerd omdat ze dan letterlijk leeggemolken is.  Melkkoeien werden de laatste decennia genetisch geselecteerd zodat ze een ernstige lichamelijke handicap hebben: hun grote uiers produceren meer dan 20 liter melk per dag, meer dan het dubbele van 50 jaar geleden. Dat is vermoeiend. Professor diergeneeskunde John Webster vergelijkt die prestatie van de melkkoe met een mens die elke dag zes uur zou hardlopen. Geen topvorm, wel topprestaties.

Een melkkoe wordt elk jaar zwanger gemaakt en na de geboorte neemt men het kalfje weg van de moederkoe. Net zoals baby’s krijgen kalfjes emotionele en gezondheidsproblemen als ze op jonge leeftijd gescheiden worden van hun moeder. Recent onderzoek van professor Daniel Weary toont aan dat melkkoeien depressie en stress kunnen ervaren. Als wij depressief zijn of veel stress of pijn hebben, gaan wij pessimistischer oordelen in onzekere situaties. Dergelijk pessimisme zien we ook bij kalfjes in de veeteelt. Professor Weary leerde kalfjes aan om naar een wit scherm te lopen voor een beloning en om weg te blijven van rode schermen. Maar hoe reageren de kalfjes op roze schermen? Verwachten ze eten te krijgen in dergelijke onzekere situatie? Optimistische kalfjes zullen snel geneigd zijn naar het roze scherm te lopen. Maar kalfjes die zoals in de veeteelt onthoornd werden[3] en weggenomen werden van de moederkoe[4], gingen pessimistischer oordelen en bleven vaker weg van de roze schermen.

Dit ingenieus experiment laat zien dat kalfjes gemoedstoestanden hebben. Uit ander onderzoek blijkt dat koeien aha-ervaringen hebben: ze maken sprongen van opwinding na het oplossen van een probleem. Ze kunnen langdurige, hechte vriendschappen aangaan met andere dieren. En ze hebben een vorm van empathie: ze leren minder goed als ze bij een koe zijn die erg gespannen is en ze eten minder als hun soortgenoot zich niet goed voelt.

Dat koemelk slechter is voor het milieu dan bijvoorbeeld sojamelk, staat wetenschappelijk vast. De productie van een liter koemelk veroorzaakt dubbel zoveel uitstoot van broeikasgassen als een liter sojamelk, tien keer zoveel vermesting, vijf keer zoveel waterverbruik, vier keer zoveel impact op de biodiversiteit en dubbel zoveel ontbossing. Voor sojamelk heb je namelijk minder akkerland nodig dan voor koemelk, en helemaal geen grasland. En soja behoeft geen stikstofmest.

Soja-eiwit heeft dezelfde kwaliteit als melkeiwit[5] en is daardoor even volwaardig. De meeste sojamelk in de winkel bevat evenveel calcium, vitamine D en B12 als koemelk. Gelooft Vangeenberghe dan echt dat de voedingswaarde van koemelk duizend keer beter is dan van sojamelk? Ze zei ook dat die plantaardige vervangers moeten worden verrijkt met supplementen. De consument moet alvast niets toevoegen aan die volwaardige sojamelk. De producent voegt natuurlijk wel mineralen en vitaminen toe aan de sojamelk, maar ook de veeboer moet mineralen, vitaminen en veel antibiotica toevoegen aan de voeding van de koe. Wat is dan het verschil tussen koemelk en sojamelk? Koemelk bevat meer ongezonde voedingsstoffen zoals verzadigde vetten en kankerbevorderende groeifactoren, sojamelk bevat gezonde voedingsvezels en kankerbeschermende fytochemicaliën. Sojamelk is geen verplichting, want ook bijvoorbeeld bladgroenten en noten bevatten veel calcium.

De grootste organisatie van voedingsdeskundigen, de Academy of Nutrition & Dietetics, zegt duidelijk dat dierlijke producten zoals koemelk niet nodig zijn en dat evenwichtige, volledig plantaardige voedingspatronen geschikt zijn voor alle mensen, inclusief zwangere vrouwen en topsporters.

Als we op een correcte manier het debat willen voeren over gezonde, duurzame en diervriendelijke voeding, dan gaan de Boerenbond en het ABS moeten ophouden met het misleiden van de bevolking. Dat is zeker niet goed voor elk.

Stijn Bruers is doctor in de moraalfilosofie en doctor in de wetenschappen

Tobias Leenaert is medeoprichter van het Center for Effective Vegan Advocacy
Evelyne Mertens is diëtiste, gespecialiseerd in veganisme, en master in het management en beleid van de gezondheidszorg

[1] https://www.dgz.be/project/klinische-mastitis-op-vlaamse-melkveebedrijven

http://lib.ugent.be/fulltxt/RUG01/002/165/520/RUG01-002165520_2014_0001_AC.pdf

M-team Ugent (2013). Klinische mastitis op Vlaamse melkveebedrijven. M-news, September 2013.

[2] http://www.buitenpraktijk.ugent.be/v2/singlepages/artikelenarchief/artikelenrund/klauwproblemen.pdf

[3] Neave H.W., Daros R.R., Costa J.H.C., von Keyserlingk M.A.G., Weary D.M. (2013) Pain and Pessimism: Dairy Calves Exhibit Negative Judgement Bias following Hot-Iron Disbudding. PLoS ONE 8(12): e80556.

http://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371/journal.pone.0080556

[4] Daros, R.R., Cost, J.H.C., von Keyserlingk, M.A.G., Hötzel, M.J., and Weary, D.M. (2014). Separation from the Dam Causes Negative Judgement Bias in Dairy Calves. PLoS ONE 9(5): e98429.

http://journals.plos.org/plosone/article/authors?id=10.1371/journal.pone.0098429

[5] Volgens de protein digestibility-corrected amino acid score (PDCAAS)

Geplaatst in Blog | Een reactie plaatsen

Dagen zonder dierenleed

Waarom wat meer vegetarisch eten een vorm van effectief altruïsme is

Opiniestuk verschenen in Knack, 1 maart 2017

Vandaag start de zesde editie van de succesvolle Dagen Zonder Vlees-campagne. Ook dit jaar kun je jezelf samen met je vrienden of collega’s uitdagen om tijdens de vastenperiode zoveel mogelijk dagen vegetarisch te eten. Dit jaar wordt de kaap van 100.000 deelnemers gerond.

Vanuit het effectief altruïsme heeft zich inmiddels ook een groep aangesloten. Effectief altruïsme is een groeiende sociale beweging die rede en bewijs gebruikt om de wereld zo goed mogelijk te verbeteren. Een campagne zoals Dagen Zonder Vlees valt zeker onder effectief altruïsme, want er is ondertussen veel bewijs dat de huidige vleesconsumptie en de intensieve veeteelt en visserij erg schadelijk zijn voor het milieu en de gezondheid. Bovendien beseffen wij ook dat in één klap vegetariër worden een grote stap is en dat het dus effectiever kan zijn enkele dagen zonder vlees aan te moedigen. Om de impact duidelijk te maken, houdt Dagen Zonder Vlees een teller bij: per vegetarische dag bespaar je zo’n twee kilogram CO2 en andere broeikasgassen. Impact meten is belangrijk binnen het effectief altruïsme, maar om echt te weten hoeveel goeds we doen, kunnen we die abstracte cijfers beter vertalen in concrete resultaten.

Kiezen voor plantaardige in plaats van dierlijke producten resulteert in minder milieuvervuiling en minder klimaatverandering, dus minder klimaatproblemen zoals droogtes en overstromingen. Daardoor zullen er in de toekomst minder mensen ziek worden of vroegtijdig sterven. En vaker plantaardig eten biedt ook meer directe gezondheidsvoordelen voor onszelf: minder hart- en vaatziekten, diabetes en kankers.

Hoe vertaalt zich dat concreet? Eén plantaardige maaltijd met veel groenten levert je gemiddeld een gezond half uur langer leven op (omdat je minder risico loopt op chronische ziektes). Diezelfde maaltijd levert andere mensen in de toekomst ruw geschat een paar gezonde levensminuten op (omdat de productie van een plantaardige maaltijd minder milieuproblemen veroorzaakt). Of met andere woorden: de paar minuten genieten van een stukje vlees komt overeen met een paar minuten die andere mensen in de toekomst minder in goede gezondheid zullen leven, en voor jezelf is het even ongezond als het roken van een sigaret. In vergelijking met veel andere maatregelen is een veggiedag redelijk effectief in het bevorderen van menselijke gezondheid. En goedkoop, want groenten kosten minder dan vlees.

Effectief altruïsme gaat niet enkel over de gezondheid en het welzijn van mensen. Hoe staat het met de impact op de niet-menselijke dieren? Wat is de invloed op het dierenleed? Daar wordt de impact van een veggiedag pas echt duidelijk. Kies je voor één dag zonder vlees en vis, dan red je één dier van de dood en bespaart dat een volle week dierenleed. Het gaat hier om het leed van dieren die gekweekt en opgesloten werden in de intensieve veeteelt en de viskweekbedrijven en de dieren die gevangen werden in de visnetten. Schrap je ook nog eens eieren van je menu die dag, dan bespaart dat een extra dag kippenleed in de intensieve pluimveehouderij.

Dit is iets om bij stil te staan: die paar minuten per dag genieten van het eten van dierlijke producten gaat gepaard met een week vol dierenleed. Hier is geen plaats om de precieze details van dat leed uiteen te zetten, maar laten we zeggen dat landbouwdieren een leven leiden dat we onze huisdieren nooit of te nimmer zouden toewensen.

Dagen Zonder Vlees is een geweldig initiatief om onze negatieve milieu-impact te verkleinen, maar het dierenleed mag zeker ook op de agenda staan. Wil je ook zo effectief mogelijk dierenleed verminderen, begin dan alvast met het verminderen van vis en pluimveeproducten. Een kilogram eieren en kippenvlees zorgt voor meer dan twintig dagen leed terwijl een kilogram rundvlees, varkensvlees of kaas overeenkomt met twee dagen dierenleed. En kweekvis is het allerergste: meer dan tweehonderd dagen dierenleed per kilogram vis. Voor de twijfelaars: er zijn voldoende wetenschappelijke bewijzen dat vissen kunnen lijden net zoals mensen, honden en andere gewervelde dieren.

Naast onze consumptiekeuzes kunnen we nog andere effectieve maatregelen nemen om menselijke gezondheid te bevorderen en dierenleed te verminderen. Binnen het Effectief Altruïsme wordt veel onderzoek gedaan naar de doeltreffendheid van donaties aan goede doelen. Wil je geld schenken aan organisaties die het meeste bewijs van effectiviteit kunnen voorleggen? Kijk dan naar de topaanbevelingen van GiveWell (voor menselijk welzijn) en Animal Charity Evaluators (voor dierenwelzijn).

Stijn Bruers, Tobias Leenaert, Kris Martens & Ben De Grove promoten Effectief Altruïsme in Vlaanderen.

Geplaatst in Artikels, Blog | Tags: , | 1 reactie

Nieuwe keuzes die ik maakte door het effectief altruïsme

Sinds enkele jaren ben ik betrokken bij de effectief altruïsmebeweging. Op een heel aantal vlakken heeft dat effectief altruïsme mijn activisme en mijn engagementen voor een betere wereld drastisch veranderd. Hoewel ik me al meer dan 15 jaar inzet voor dierenrechten, mensenrechten, sociale rechtvaardigheid, vrede en milieubescherming, waren veel van mijn acties en de goede doelen die ik steunde beperkt effectief. Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste nieuwe keuzes die ik maakte door het effectief altruïsme. De hoeveelheid goeds die ik nu doe voor de wereld zou best wel eens een factor 10 of 100 hoger kunnen liggen dan voorheen. Door het effectief altruïsme ben ik als het ware een paar versnellingen hoger geschakeld. Maar de overschakeling was emotioneel gezien niet altijd eenvoudig. Zo heb ik veel (voor)oordelen en opvattingen moeten opgeven en veel organisaties, maatregelen en actiemethoden moeten loslaten om plaats te maken voor nieuwe, effectievere keuzes. Op veel vlakken ben ik de afgelopen jaren van mening veranderd.

Meer geld doneren

Veel sympathisanten van het effectief altruïsme besluiten een substantieel deel van hun inkomen te doneren aan effectieve goede doelen, en er ook openlijk over te communiceren om zo een geefcultuur te creëren en andere personen te inspireren. Zo heb ik in 2016 een recordbedrag van 50% van mijn netto-inkomen weggeschonken aan goede doelen, waardoor ik voor mijzelf iets minder dan het Belgische minimumloon overhield. De komende jaren beoog ik minstens 25% van mijn inkomen aan de meest effectieve goede doelen te schenken. Daarnaast zal ik nog sporadisch kleine bedragen schenken aan minder effectieve goede doelen die ik nog wil steunen omwille persoonlijke of emotionele (feel good) redenen in plaats van zuiver altruïstische redenen.

Doneren aan effectievere goede doelen

Minstens even belangrijk als de hoeveelheid donaties (de kwantiteit), is de kwaliteit van de donaties: de keuze van effectieve goede doelen om aan te doneren. Sommige goede doelen zijn pakweg 100 keer effectiever dan andere. De goede doelen waar ik nu aan doneer, zijn organisaties en goede doelen aanbevolen door effectief altruïstische ‘meta-charities’ zoals GiveWell (voor menselijke gezondheid en armoedebestrijding), Animal Charity Evaluators (voor dierenwelzijn), Centre for Effective Altruism, Effective Altruism Foundation, Open Philanthropy Project, The Life You Can Save en 80.000 Hours. Dit wil ook zeggen dat ik minder of niets meer doneer aan organisaties die ik vroeger veel steunde.

Vroeger doneerde ik veel geld aan organisaties die veel verschillende acties, projecten, campagnes of interventies doen. De effectiviteit van sommige interventies is niet altijd goed meetbaar, maar door onderzoek krijgen we van meer en meer interventies wel zicht op hun effectiviteit. En als we kijken naar de resultaten van die meetbare interventies, dan komen we tot de belangrijke vaststelling: de verdeling van effectiviteit is erg scheefgetrokken. Een kleine minderheid van interventies is vele malen effectiever dan de grote meerderheid. De meeste van de meetbare interventies hebben een effectiviteit lager dan het gemiddelde, omdat een kleine minderheid van supereffectieve interventies het gemiddelde naar boven trekt.

De vraag is hoe de verdeling van de niet-meetbare interventies eruit ziet. De kans is groot dat die effectiviteitsverdeling ook erg scheefgetrokken is, net zoals bij de meetbare interventies. Dat wil zeggen dat de meeste interventies van een grote organisatie weinig effectief zijn en een kleine minderheid van interventies heel effectief is. Als je geld geeft aan die organisatie, gaat dus een relatief groot deel van je geld naar interventies die een effectiviteit hebben lager dan het gemiddelde. Slechts een klein percentage van je donatie gaat naar heel effectieve projecten. Daarnaast hebben we gespecialiseerde organisaties die zich specifiek bezig houden met één project of interventie. Als dat een meetbare interventie is en als de effectiviteit van die interventie erg hoog blijkt te zijn, dan is het beter om geld te geven aan die organisatie, want dan gaat 100% van je geld naar een zeer effectieve interventie. Daarom zijn de goede doelen aanbevolen door de effectief altruïstische meta-charities effectiever dan de grote organisaties die veel onmeetbare interventies doen.

Vroeger doneerde ik veel aan bekende en grote milieuorganisaties. Omwille van verschillende redenen maak ik nu andere keuzes.

1) Grote en bekende organisaties krijgen meer geld dan andere, verwaarloosde goede doelen. Door de wet van het afnemend grensnut zal mijn extra euro donatie minder impact realiseren bij een grote organisatie.

2) Bekende milieuorganisaties focussen op bekende milieuproblemen zoals ontbossing en klimaatopwarming. Die problemen zijn dus minder verwaarloosd dan andere belangrijke problemen, zoals de risico’s van artificiële intelligentie.

3) Veel milieuorganisaties focussen op behoud van natuurgebieden en biodiversiteit, alsof biodiversiteit een intrinsieke waarde heeft. Vroeger kende ik meer waarde toe aan biodiversiteit, tot ik me realiseerde dat dat niet zuiver altruïstisch was. Ik waardeerde de biodiversiteit, maar een natuurgebied zelf waardeert niets. Een natuurgebied heeft geen voorkeuren en interesseert zich niet in diens biodiversiteit. Als ik de natuur bescherm omdat ik waarde toeken aan de natuur, dan is dat niet echt altruïstisch. Dat is te vergelijken met het beschermen van een kunstwerk omdat ik dat mooi vind. Daarom ben ik meer gaan focussen op welzijn: ik waardeer het welzijn van alle voelende wezens, en dat is wel altruïstisch want een voelend wezen waardeert zelf ook diens eigen welzijn. Als ik het welzijn van een voelend wezen bevorder, doe ik in eerste instantie iets dat dat wezen zelf graag heeft. Biodiversiteit kan wel een instrumentele waarde hebben voor het welzijn van voelende wezens en in die zin kan biodiversiteitbehoud nuttig zijn. Maar het is allesbehalve duidelijk in hoeverre de biodiversiteit van een natuurgebied bevorderlijk is voor het welzijn van alle voelende wezens (zie verderop het thema van dierenleed in het wild). De meest effectieve organisaties die aanbevolen worden in het effectief altruïsme kunnen veel meer welzijn realiseren dan het welzijn dat een milieuorganisatie kan realiseren met natuurbescherming.

4) Veel milieuorganisaties focussen op verschillende thema’s of verschillende milieuproblemen. Een relevant deel van die milieuproblemen zijn kleiner dan andere problemen, zijn moeilijker aan te pakken of te verminderen en worden minder sterk verwaarloosd dan andere problemen. Daardoor wordt een relevant deel van de campagnes of interventies van grote milieuorganisaties minder effectief in termen van het bevorderen van welzijn. Ik denk aan acties tegen genetische manipulatie (ggo’s) en kernenergie, het bannen van bepaalde pesticiden en het promoten van biologische voeding. Waarschijnlijk is de effectiviteit van milieuacties ook erg scheefgetrokken, zoals hierboven aangehaald: de meeste campagnes zijn weinig effectief. Dan gaat een groot deel van je donatie naar weinig effectieve maatregelen. Daarom dat ik nu meer doneer aan organisaties die gespecialiseerd zijn in veel effectievere milieuvriendelijke maatregelen, zoals het promoten van plantaardige voeding (veganisme), gezinsplanning en een groene belastingverschuiving. En ik geef meer geld aan organisaties die heel effectieve interventies hebben tegen de klimaatopwarming (bv. Cool Earth).

Meer werken om meer te kunnen doneren

Vroeger heb ik besloten om minder te gaan werken om meer tijd te hebben voor acties en vrijwilligerswerk bij verschillende organisaties. Doordat mijn uurloon redelijk hoog is, en de meest effectieve goede doelen waar ik aan kan doneren waarschijnlijk effectiever zijn dan veel engagementen die ik in mijn vrije tijd deed, heb ik besloten om terug meer te gaan werken om zo meer geld te verdienen om te kunnen doneren.

Dat extra werk gaat ten koste van tijd die ik had voor acties. Een aantal acties die ik nu minder of niet meer doe, zijn: betogingen met onduidelijke eisen (bv. antikapitalistische betogingen of solidariteitsmarsen), massabetogingen die al heel veel volk trekken en waar mijn extra aanwezigheid minder impact realiseert (bv. vredesmanifestaties), betogingen waarvan onduidelijk is of een betoging het probleem kan oplossen (bv. antiracistische betogingen tegen het NSV), acties tegen kernenergie.

Kiezen voor goedkopere voeding om meer te kunnen doneren

Vroeger lette ik niet op een euro meer of minder voor mijn voeding, en ik kocht veel duurdere biologische en fair trade producten. Nu let ik wel sterk op mijn voedingsbudget en kies ik voor de goedkoopste producten. Daardoor bespaar ik meer dan 50 euro per maand. Dat bespaarde geld doneer ik dan aan de effectiefste goede doelen.

Ik koop enkel nog fairtradeproducten als er een risico is dat de gangbare producten gepaard gaan met rechtenschendingen (bv. slavernij op de cacaoplantages). Over het algemeen koop ik nu vaker goedkopere gangbare producten in plaats van duurdere fair trade en doneer ik het uitgespaarde geld aan een organisatie zoals GiveDirectly die directe cash transfers geeft aan de allerarmsten. Fair trade is een vorm van koppelverkoop, waarbij de verkoop van een product zoals koffie gekoppeld wordt aan een extra donatie. Ten opzichte van fair trade heeft GiveDirectly enkele voordelen: 1) GiveDirectly heeft de allerarmsten als doelgroep, wiens welzijn relatief sterker stijgt met een extra euro in vergelijking met fair trade boeren die minder arm zijn (en vaak al een stuk grond bezitten), 2) een relatief groter deel van het geld bereikt met GiveDirectly effectief de doelgroep (een groot deel van de meerkost van een fairtradeproduct gaat naar rijkere tussenhandelaren, promotie, administratie en controle van de licenties), 3) er is bij GiveDirectly geen risico op overproductie (dat er wel is bij fair trade door minimumprijzen en extra premies voor boeren, waardoor de arme boeren die geen fairtradelicentie kunnen bekomen in de problemen komen door het zakken van hun prijzen) en 4) er is meer wetenschappelijk bewijs (op basis van randomized controlled trials) voor de effectiviteit van GiveDirectly dan van fair trade.

Hetzelfde geldt voor biovoeding: in plaats van duurdere biovoeding te kopen, doneer ik het uitgespaarde geld aan organisaties die plantaardige voeding promoten, zoals EVA en BeVegan. In tegenstelling tot biovoeding heeft plantaardige voeding wel duidelijk wetenschappelijk bewijs van meerdere milieu– en gezondheidsvoordelen.

Meer spaargeld dynamisch beleggen om meer te kunnen doneren

Omdat we nu nog niet alles weten over de meest effectieve goede doelen, is het ook interessant om wat geld te sparen om later te kunnen uitgeven aan goede doelen, wanneer we meer kennis hebben over de effectiviteit van die goede doelen. Maar in plaats van het geld op een spaarrekening met een lage rente te zetten, is het beter om het geld te beleggen. En vanuit altruïstisch perspectief is het beter om dat geld ‘dynamisch’ in plaats van ‘voorzichtig’ of ‘defensief’ te beleggen. Bij dynamische beleggingen neemt men meer risico’s en investeert men in bedrijven die minder zekere maar wel potentieel hogere winsten realiseren. Dynamische beleggers hebben geen risicoaversie: ze zijn bereid hogere risico’s te nemen als de winstverwachtingen hoger liggen.

Vanuit persoonlijk standpunt bekeken is risicoaversie te rechtvaardigen, maar vanuit een effectief altruïsme bekeken is risicoaversie in zekere zin irrationeel. Ikzelf heb een zekere risicoaversie als het gaat om mijn eigen toekomst en mijn eigen inkomen. Ik zou liever met zekerheid 40 euro verdienen dan een gok wagen om met kans ½ 100 euro te verdienen en met kans ½ niets, ook al is de verwachte winst in dit laatste geval 50 euro. Dit komt door een afnemend grensnut van extra geld: als ik al veel geld heb, dan is een extra euro voor mij minder waard. Des te meer geld ik heb, des te minder belangrijk het voor mij wordt om extra geld te krijgen. Een stijging van 0 euro naar 40 euro is voor mij meer waard dan een extra stijging van 40 euro naar 100 euro. Het krijgen van 100 euro is voor mij niet dubbel zoveel waard als het krijgen van 50 euro. Maar als effectieve altruïst is er geen afnemend grensnut: het redden van 100 levens is wel dubbel zoveel waard als het redden van 50 levens.

Als er geen afnemend grensnut is – dus als elke extra hoeveelheid welzijn of elk extra gered leven even waardevol is ongeacht hoeveel levens men al heeft gered of hoeveel welzijn men al heeft gerealiseerd – dan wordt risicoaversie irrationeel. Vandaar dat ik besloot om minstens de helft van mijn spaargeld dynamisch te beleggen, met als doel een hogere verwachte return on investment te hebben om te kunnen doneren aan de effectiefste goede doelen. Ik kies er wel voor om te beleggen in ethisch verantwoorde bedrijven (bv. met Ethibel label).

Meer bloed doneren

Naast mijn geld en vrije tijd kan ik ook mijn lichaam inzetten om goed te doen. Daarom besloot ik meer bloedplasma te doneren bij donorcentra van het Rode Kruis. Ik geef elke maand minstens een keer plasma.

Nieuwe actievormen uitproberen

In het verleden heb ik veel protestacties en voorlichtingsacties gedaan, veel lezingen gegeven en veel online discussies gevoerd, met als doel het gedrag of de attitude (meningen) van mensen te beïnvloeden zodat ze ethischere keuzes maken. Wegens gebrekkig bewijs van effectiviteit heb ik veel actievormen van vroeger verlaten en richt ik me nu op actievormen die wel bewijs van effectiviteit hebben.

Het meest hoopvolle voorbeeld dat ik tegenkwam, is deep persuasion canvassing: het aangaan van gesprekken met mensen (bv. op straat) volgens een bepaalde techniek waardoor de gesprekspartners zo effectief mogelijk hun mening of attitude veranderen. Het behoort tot de meest effectieve overtuigingstechnieken en ik pas het veel toe op thema’s zoals dierenrechten, antispeciesisme en veganisme.

De deep canvassing techniek werd uitgewerkt door de transgender- en homorechtenbeweging in de VS en de effectiviteit ervan werd nauwkeurig wetenschappelijk onderzocht en gepubliceerd in het vakblad Science (David Broockman & Joshua Kalla, 2016, Durably reducing transphobia: A field experiment on door-to-door canvassing). Een interessante podcast over dat onderzoek is hier te beluisteren. Gesprekken van minder dan een kwartier hadden als resultaat een substantiële en langdurige daling van homofobie bij de gesprekspartners. Zowat één op de tien tegenstanders van transgenderrechten werd voorstander, een ongezien hoog percentage in vergelijking met andere overtuigingstechnieken.

Deep canvassing bestaat grotendeels uit luisteren: een deep canvasser stelt gerichte vragen en toont oprechte interesse in de gesprekspartner. De vragen zetten de gesprekspartner aan het denken en de deep canvasser geeft de gesprekspartner het gevoel samen te zoeken naar antwoorden. Discussies en oordelen worden vermeden. In plaats van het louter poneren van feiten en argumenten, kadert de deep canvasser feiten of argumenten in persoonlijke verhalen of eigen beleefde ervaringen.

Meer impact van vrijwilligerswerk meten

Ik geef vaak lezingen in scholen over diverse onderwerpen, maar de impact van die lezingen heb ik nooit gemeten. Omdat impactevaluatie belangrijk is binnen het effectief altruïsme, ben ik ook aan de hand van enquêtes voor leerlingen de impact van mijn presentaties en workshops gaan meten. Zo onderzoek ik in hoeverre leerlingen hun consumptie van dierlijke producten hebben verminderd ten gevolge van een presentatie over dierenrechten en veganisme.

Meer aandacht voor wetenschappelijk psychologisch onderzoek

Mijn engagementen en keuzes vroeger waren weinig effectief omdat mijn oordeelvermogen misleid werd door spontane denkfouten, morele illusies, irrationele oordelen of cognitieve bias. Ik ben van mening dat veel politieke meningsverschillen en veel keuzes van wereldverbeteraars irrationeel zijn. Het bevorderen van kritisch-rationeel denken en het ‘debiasen’ van onze morele illusies zijn daarom van cruciaal belang gezien de uitdagingen waar we voor staan en de potentiële positieve impact die we met het ‘debiasen’ kunnen realiseren. Mijn komende boek ‘Morele illusies. Waarom onze intuïties niet te vertrouwen zijn’ (te verschijnen bij uitgeverij Houtekiet) geeft een overzicht van meer dan 20 morele illusies.

Meer aandacht voor dierenleed in het wild

Een onderwerp dat sterk geplaagd gaat met morele illusies, is het probleem van het dierenleed in de natuur. De meeste dierenrechtenorganisaties verwaarlozen dit probleem, maar een aantal belangrijke organisaties binnen het effectief altruïsme, zoals Sentience Politics en Animal Ethics, besteden er wel aandacht aan. Het inzicht dat de meeste dieren een zogenaamde r-selectie voortplantingsstrategie hebben, heeft mijn denken en mijn activisme drastisch beïnvloed. Bij r-selectie krijgt een dier veel nakomelingen waarvan er slechts een paar overleven en de meeste pasgeboren dieren een kort leven leiden vol leed (honger, dorst, ziekte, parasieten en predatie).

Vroeger deed ik veel vrijwilligerswerk in een opvangcentrum voor vogels en wilde dieren, gaf ik lezingen voor de bescherming van haaien en deed ik acties tegen de overbevissing van tonijn, tegen de vossenjacht en voor het behoud van natuurgebieden. Veel van die dieren die ik beschermde, zijn roofdieren die ongewenst leed veroorzaken bij veel meer andere dieren. In het vogelopvangcentrum worden muisjes gekweekt en in een emmer geplaatst in de kooi van de uilen. En de meeste dieren in de natuurgebieden die ik beschermde, hebben mogelijks een negatief levenswelzijn door het overwicht aan negatieve ervaringen vol leed in hun korte leven, gevolgd door een pijnlijke doodstrijd. Het is allesbehalve duidelijk in hoeverre mijn vroegere engagementen bijdroegen aan het welzijn van alle voelende wezens.

In plaats van het steunen van natuurbeschermingsorganisaties die een prioriteit geven aan het behoud van natuurgebieden en soorten in plaats van aan het bevorderen van welzijn, steun ik nu organisaties die onderzoek doen naar hoe we best kunnen ingrijpen in de natuur om het dierenleed in het wild te verminderen en het welzijn van alle voelende wezens te bevorderen. Animal Charity Evaluators wijst ook op het belang van dergelijk onderzoek.

Een ander thema waar ik nu minder aandacht aan schenk dan vroeger, is het probleem van menselijke overbevolking. Er is sprake van overbevolking als relatief veel individuen een kort leven gaan hebben met veel leed. Volgens deze standaard is er in de natuur veel overbevolking, gezien de r-selectie voortplantingsstrategie. Mensen daarentegen zijn één van de weinige dieren die evolueerden naar een zogenaamde K-selectie voortplantingsstrategie: weinig kinderen, met maximale overlevingskansen en goede gezondheid voor elk kind. In termen van welzijn is het goed als er meer dieren zijn met een K-selectie in plaats van een r-selectie voortplantingsstrategie, dus in die zin is het goed als er relatief veel mensen zijn.

Geplaatst in Artikels, Blog | Tags: , , | Een reactie plaatsen

A rational approach to improve worldwide well-being

Abstract

The existence of optical illusions demonstrates that our senses cannot always be trusted. But neither can we always trust our intuitions and judgments. There are cognitive biases such as moral illusions: spontaneous, intuitive moral judgments that are very persistent, but they violate our deepest moral values. These moral illusions are based on unwanted arbitrariness and they lead us away from a rational, authentic ethic. A rational ethic can be described with the slogan “effective in means, consistent in ends.” Moral illusions result in choosing ineffective means and inconsistent ends.

This article first gives a formulation of an anti-arbitrariness principle that is a perfect antidote against moral illusions. Next, it presents some examples of moral illusions that are relevant in animal ethics: speciesism, moral gravity bias and wild animal suffering neglect. Finally it points at the most important scientific research questions in order to choose the most effective means to reach the most consistent end of improving worldwide well-being.

Introduction: rational ethics and moral illusions

A rational ethic can be described by the slogan “effective in means, consistent in ends.” However, we cannot always trust our judgments and moral thinking processes: we are susceptible to moral illusions, a special kind of cognitive biases. Moral illusions are spontaneous, intuitive moral judgments that are very persistent, but they violate consistent ethical systems that are based on our most important or strongest moral values, intuitions and preferences (Bruers, 2015). These moral illusions can be compared with optical illusions that distort our perception. They are cognitive biases that distract us away from a rational, authentic ethic. When a moral intuition contradicts a consistent set of other, stronger and more coherent moral intuitions, this moral intuition cannot be trusted, just like we distrust a perception containing an optical illusion. Due to moral illusions, our ends or moral objectives become inconsistent or arbitrary, and our means to reach our ends become ineffective.

This article deals with those two problems: consistency in ends and effectiveness in means. Before we talk about effective means, we first have to tackle the first problem of inconsistency in ends. We need a good philosophical principle: the avoidance of unwanted arbitrariness. As a result, this anti-arbitrariness principle is probably the best argument that suggest that reducing the suffering of all sentient beings (or improving their lifetime well-being) should be one of our top priorities. As a lot of moral illusions are based on unwanted arbitrariness, the anti-arbitrariness principle is a perfect antidote against moral illusions. In the first part of this paper, I will discuss several moral illusions that are relevant in animal ethics: speciesism, moral gravity bias and wild animal suffering neglect.

The second part of this article deals with the effectiveness of means. This is the area of science rather than philosophy. We need much more scientific research, but a lot of that research is blocked by our moral illusions and the inconsistencies or arbitrariness in our ends. Therefore, overcoming our moral illusions might be a necessary and effective first step to improve scientific research that results in effectively improving worldwide well-being. I will present the most important scientific research questions in order to choose the most effective means to reach the most consistent end of improving worldwide well-being.

Consistency in ends: avoiding unwanted arbitrariness

To understand the anti-arbitrariness principle, we first have to understand the notion of arbitrariness. Arbitrariness is the opposite of uniformity or regularity and involves the absence of a good rule that relates to all the elements of a set or category. There is a simple useful test that allows us to assess whether arbitrariness is present.

Suppose we have a set containing elements X, Y and Z. For example the set of all species, containing species Homo sapiens (humans), Sus domesticus (pigs) and Canis familiaris (dogs). Suppose you pick element X. Then we say that there is arbitrariness about X if we can ask a meaningful and nontrivial question: “Why would you pick X and not for example, Y or Z?” and if this question cannot be answered by a rule which does not explicitly refer to X (or if there is no reason why X would be so special). The question is meaningful when Y and Z belong to the same set or category as X (and are therefore not something completely different) and the question is non-trivial if Y and Z are not simply “non-X”. So if you pick the species Homo sapiens as the moral community, what would your answer be if I asked you “Why humans and not for example pigs or dogs?” This question cannot be answered with a reference to e.g. a (potential) capacity for rational or moral agency, because some humans lack this capacity. Neither can it be answered with a rule like “humans have rights”, because this explicitly refers to humans and hence becomes a circular argument.

In ethics, we can for example look at the set of all basic moral rules, such as utilitarian principles (e.g. “maximize total well-being”) or deontological principles (e.g. “never use a person as merely a means”). With such basic moral rules we can construct a coherent ethical system where the basic rules act as axioms. But an ethical system cannot simultaneously contain all possible rules. A coherent ethical system consists of a small subset of the set of all possible moral rules, so there is always unavoidable arbitrariness in ethical systems.

Next to unavoidable arbitrariness, some kinds of arbitrariness are avoidable but innocent in the sense that anyone can consistently want this arbitrariness and no-one can consistently object to it. You can consistently want something if that what you want is not in contradiction with a consistent set of all the most important things that you want or prefer.  Consider a rule to drive on the right lane. Such a rule is arbitrary (we can ask the question “Why on the right and not the left?”), it can be avoided (e.g. by allowing to drive everywhere), but this arbitrariness is harmless because no-one cares if everyone collectively decides to drive on one lane instead of the other (in some countries, everyone drives on the left lane and nobody has a problem with that). The only possibilities to avoid this arbitrariness is to say that we can drive nowhere (neither left nor right) or to say that we can drive everywhere (both left and right).[1] And those are things we do not want. We strongly prefer to avoid accidents and we strongly prefer to use a vehicle, so a rule to drive on the right is compatible with our strongest preferences and wants. No-one has a value system that is incompatible with a rule to drive on the right lane.[2] Everyone can consistently prefer arbitrariness (to drive on the right lane) above a universal prohibition (to drive nowhere) and a universal permission (to drive everywhere) resulting in chaos and accidents.

The unavoidable and innocent kinds of arbitrariness are kinds that anyone could consistently want. The culprit in ethics is the unwanted arbitrariness: the arbitrariness that not everyone can consistently want. You cannot consistently want something if what you want is incompatible with a consistent set of all the most important things that you want or prefer (e.g. your strongest moral values). Here we see a reflection of the ‘consistent in ends’ part of a rational ethic. The anti-arbitrariness principle in ethics states that all unwanted arbitrariness should be avoided. If one thing goes for X, then it must also apply to all Y and Z that are equal to X (in the sense of belonging to the same set as X) according to a rule, unless everyone can consistently want that it just applies for X. Arbitrariness is only allowed if it is not against anyone’s will.

Avoiding unwanted arbitrariness is a basic moral assumption.[3] Spatial borders, time periods or group boundaries are morally irrelevant because they create unwanted, arbitrary discrimination. The victims of discrimination cannot want their arbitrary exclusion.

With this anti-arbitrariness principle we can derive the most consistent or least arbitrary moral end: improving worldwide well-being. Well-being of a sentient being is the only property in the universe that is always valued by at least someone, namely the sentient being itself. I can value the well-being of another sentient being, but if I wouldn’t exist, that sentient being is still there to value its own well-being. That sentient being still experiences its own well-being and has a preference for a higher well-being, no matter what I believe. We value our own well-being or welfare, and if we want to avoid unwanted arbitrariness, acknowledging that we are not special compared to other individuals, then everyone’s well-being counts equally, including those of animals and future generations. If you say that your well-being is more important, then I can ask the non-trivial question: “Why your well-being and not the well-being of individuals Y or Z?” Therefore, the most consistent, least arbitrary end is the improvement of everyone’s well-being, without arbitrary exclusions.

The anti-arbitrariness principle also implies a kind of golden rule: “If you are allowed to do something, then so am I.” This can be stated more precisely: “If you are allowed to do something or follow a rule, then you must be able to consistently want that everyone may do the symmetrically equivalent thing or follow the same rule.” The symmetrical equivalence consists of a similar act by which the description of the pronouns “you” or “your” are exchanged with “I/he/she”, “me/him/her” or “my/his/her”. The positions of you and someone else are completely reversed. If you do not subscribe to this golden rule, then you must give a reason why you are so special such that you may do something that others may not do.

For example if you may kill a living being to eat, can I also kill a living being? You do not want me to kill you. But you still want to kill a plant to eat. So you’re going to have to define a group of living beings that we should not kill and eat. For example, your relatives and friends. But if you may say that we are not allowed to eat your preferred group of friends and relatives, then I may prefer my group that might exclude you and your friends, which means I may eat you or your friends. If you may kill someone who does not belong to your family and friends, then everyone else may kill anyone who does not belong to their own circle of friends. You do not want that someone of your circle of friends gets killed, so you cannot consistently want that everyone else may kill anyone who does not belong to their own circle of friends, because your circle of friends is not necessarily a part of someone else’s circle of friends. So you must define a different group. Perhaps the group of humans and dogs? But if you can determine that one should not eat anyone who belongs to the group of humans and dogs, I may decide that we should not eat anyone belonging to the species of pigs and chickens. Or I may decide that we should not eat someone belonging to the classes of mammals, birds and fish. Then you must accept that you are not allowed to eat meat and fish. But if I may decide that we should not kill animals to eat, then you may decide that we should not kill plants to eat, and I do not want that. So I cannot just define the group of animals. We cannot say that we may kill a living being if that living being does not belong to the group of relatives and friends, the group of people and dogs, the group of mammals and fish or the group of animals.

So how may we decide who or what we may kill to eat? Not by looking for what we may not kill simpliciter, but by looking for what we may not kill against its will. So if you are not allowed to kill someone against his or her will, then neither am I. That means I may not kill you against your will. But you and I may still kill a plant, because a plant is not sentient and hence has no will and therefore cannot be killed against its will. If we kill a plant, we do not kill it against its will. If we kill a sentient being, this might be against his or her will. So here we arrive at the idea that sentience is important.

Speciesism as a moral illusion

The anti-arbitrariness principle is a good antidote against moral illusions; because a lot of moral illusions contain unwanted arbitrariness. One important example of a  moral illusion is speciesism, the (often intuitive) judgment that humans are more important than non-human animals. As a metaphor of speciesism, we can use the famous Müller-Lyer optical illusion in which one line appears to be longer than the other. Those horizontal lines correspond with the moral values of a human and a non-human animal. The longer the line, the more value the subject has. The small arrowheads correspond with the morally irrelevant properties, such as bodily characteristics. It appears as if one line is longer than the other, as if a human is more valuable than an animal, but this is an illusion. Speciesism is a kind of arbitrary discrimination. Why is speciesism arbitrary?

First, you can look at the biological classification. There is a hierarchy of biological groups, from ethnic groups (races or populations) at the bottom to biological kingdoms on top. I can say that I belong to the ethnic group of white Caucasian people. But I also belong to the species of humans, the family of great apes, the order of primates, the class of mammals, the phylum of vertebrates or the kingdom of animals. We can ask the non-trivial question: why would I pick the category of species and not another biological category, such as the ethnic groups or the classes?  Why would I point at the species of humans and say that only those individuals get rights, instead of pointing at other species or other categories such as the class of mammals or the phylum of vertebrates? We are mammals and vertebrates as much as we are humans.

Second, you can look at our ancestors. Suppose I jump in a time travel machine and bring all your ancestors to the present. I put you all in a long row. You are on the far left, then your mother, your grandmother, and so on. You are fully human so you get human rights. So are your mother and your grandmother. They all belong to the moral community, the group of individuals who get rights. But moving down the row, where does the moral community end? There is no sharp boundary between humans on the left and non-humans on the right. Humans and chickens have common ancestors, so all intermediates between humans and chickens have once lived on this planet. Therefore, the idea of a species is not even well defined. Our idea of human rights is based on an arbitrary fact that those intermediates between us and chickens no longer exist.

Traditionally, ethicists started with the set of all important rights or values, and then asked the question: who gets those rights and who has those values? Then we see an expanding moral circle through history. We extend the range of our moral radar. First our fellow tribesmen become visible, then all white men, then all humans get rights. But we cannot arbitrarily stop at the group of humans. The moral circle has to expand further. Everyone and everything should be included, without arbitrary exceptions. So I propose to follow the other direction: we start with the condition that everyone and everything counts and is included in the moral community, and then we figure out what rights or values we should give to everyone and everything.

One of those rights could be the right not to be treated against one’s will, which is a version of the right not to suffer. You cannot want to be treated arbitrarily against your will, so you prefer to have this right. But you are not special, so you cannot arbitrarily exclude others from getting this same right. Yes, everyone and everything should get this right, including plants and computers. There is no arbitrary exclusion or discrimination. But whatever we do, we cannot violate this right of a plant, because as far as we know a plant has no will and therefore cannot be treated against its will. For plants and computers, this right is always trivially satisfied. The right becomes only important when we are considering sentient beings, because they have a will. We should not simply assume that all and only sentient beings have moral value and thereby arbitrarily exclude non-sentient beings. Everything has moral value, but the value is only non-trivial for sentient beings. Therefore, we can derive the special status of sentient beings by using nothing more than the anti-arbitrariness principle.

So in constructing a coherent ethical system, we should not arbitrarily limit the ethical principles to an arbitrary group of objects, beings or individuals, just like scientific theories should not arbitrarily limit their principles. Scientific laws should be universal. Arbitrary exclusions are not allowed in science and ethics. A moral law that says that everyone has a right to live, except non-humans, is as impermissible as a scientific law that says that all masses have a gravitational field, except those in the upper-left corner of the universe.

Next to speciesism there are many more examples of moral illusions that distract us away from a rational ethic and that prevent us from recognizing that non-human animals are ethically relevant. Let me illustrate this with a few more examples.

The moral gravity bias as a moral illusion

The moral gravity bias is a cognitive bias or logical fallacy that can occur in judgments in emotionally sensitive areas (involving horrendous behavior such as rape or vulnerable groups such as disabled children). When someone else’s moral evaluations about two items are different than your own evaluations, there is a tendency to think that the other person’s evaluation of the items is lower than your own evaluation (or in particular that the other person’s evaluation of one of the items is strongly decreased).

A first example of the moral gravity bias can be seen when someone claims “rape X is bad, rape Y is worse” (the badness of X is less than the badness of Y, or X<Y).[4] Critics who believe that both types of rape are incomparable or equally bad (i.e. X=Y) often spontaneously believe that this claim means that the speaker underestimates the badness of X, because the speaker lowers X by saying “X<Y”. But there is another possible movement: increasing Y. It might be that the speaker believes that rape X is as bad as rape X is according to the critic, but that the speaker thinks rape Y is worse than what the critic believes about rape Y. In other words: it is equally possible that the speaker increases the badness of Y when he says that “X<Y”, and that the critic underestimates the badness of Y by saying “X=Y”.

A second example of the moral gravity bias is more relevant in the case of speciesism and can be seen in animal rights discussions. Proponents of animal rights claim that non-human animals should get strong rights because they are sentient. Critics claim that those animals should have a low moral status (and hence only deserve weaker rights) because they lack moral or rational agency. The animal rights advocate replies that some humans, such as some mentally disabled people, also lack those levels of rational agency. Being against speciesist discrimination, the animal rights advocate claims that X, the moral status of a non-human animal, and Y, the moral status of a mentally disabled child, are equal. This claim that “X = Y” often evokes a strong emotional reaction by critics (who believe that “X < Y”, i.e. that disabled children are much more important than animals such as pigs). Those critics spontaneously believe that the animal rights advocate degrades mentally handicapped people, that the position (the moral status) of Y is underestimated and lowered to the level of mere beasts. The critic believes that X (the moral status of animals) is low and that the animal rights advocate decreases Y (the moral status of mentally disabled children) to this low level X, as if Y is pulled down by a moral gravitational force. Yet, the claim that “X = Y” can also be interpreted as increasing the position of X (the animals) up to the level of Y (the disabled humans). That is what most animal rights advocates believe. The animal rights advocate replies that s/he does not underestimate the moral status of mentally disabled humans, but that the critics underestimate the moral status of non-human animals. According to the animal rights advocate, the position of mentally disabled humans is as high as the position according to critics, but the position of non-humans animals should be increased.

Wild animal suffering neglect as a cluster of moral illusions

There is a lot of suffering in wild nature: hunger, disease, parasites, predation, competition,… Given the numbers of wild animals and the intensities of suffering, we should not underestimate the moral importance of this problem of wild animal suffering. However, this problem of wild animal suffering is widely neglected. Most people are against interventions in nature to decrease wild animal suffering and improve worldwide well-being. Luckily, in recent years a few philosophers start to tackle this problem and point at its importance (Tomasik, 2015; Faria, 2016; Horta, 2010). What explains this wild animal suffering neglect? To answer this question, we have to look at a cluster of moral illusions.

A first moral illusion that contributes to the neglect of wild animal suffering, is the abovementioned speciesism or anthropocentrism: if non-human animals are considered much less important than humans, their suffering is considered as much less important. But this moral illusion does not explain the whole story of wild animal suffering neglect, because a lot of antispeciesist animal rights advocates also neglect this problem in the sense that they are too tolerant towards the suffering of wild animals or they underestimate the suffering. Those animal rights advocates are susceptible to some other moral illusions.

Naturalistic fallacy

An obvious moral illusion that is involved in wild animal suffering neglect, is the naturalistic fallacy, the judgment that something natural (such as predation) is permissible or good. This is a moral illusion based on an arbitrariness, because it is impossible to clearly formulate the notion of ‘natural’ and to argue why that should be permissible. If ‘natural’ means ‘something that happens in nature’, are violence and rape natural and hence permissible? If ‘natural’ means ‘not caused by humans’, we are back at an arbitrary speciesist position. Furthermore, is it natural and hence permissible if a predator attacks a human child? If a predator may attack a non-human animal but not a human, then we arrive again at an arbitrary speciesist position.

Even if we can define the notion of ‘natural’, it doesn’t imply that natural is permissible. There is no logical connection between naturalness and permissibility, so there is arbitrariness. Consider the set of all kinds of processes: natural, unnatural, painful, slow,…. Why would all the natural processes be permissible and not for example all the unnatural (artificial) processes, all the intentional processes, all the slow processes or all the painful processes?

If natural processes refer to ecosystems, we have to acknowledge that ecosystems can’t feel, don’t have a will, don’t have subjective experiences and don’t have subjective preferences. In other words: ecosystems don’t care if processes are natural or not. They don’t care if natural processes are obstructed or interfered with. If ecosystems don’t care, who cares? If no-one cares, why would it have moral value?

Status quo bias

Status quo bias (Kahneman e.a., 1991) is the judgment that the current situation is better than the possible alternatives, without having valid reasons to justify this judgment. In the case of wild animal suffering, status quo bias is at work when people believe that the current state of ecosystem functioning is optimal in terms of a moral value function such as a welfare function that measures overall animal well-being.

One method to detect status quo bias is the reversal test (Bostrom & Ord, 2006). If one believes that an intervention in nature (to decrease wild animal suffering) is bad, what about the reverse intervention? If the reverse intervention is also considered to be bad, then that means that the current state is at a local maximum of the welfare function. If there is no possible explanation why the current state of nature should be at the local maximum of the welfare function, then there is an arbitrariness: why should the current state be at the maximum and not some of the many other possible states? You can compare it with a topographic map with mountains and valleys. If you pick an arbitrary point, chances are very low that you have picked a mountain top. This arbitrariness points at a moral illusion: the status quo bias.

A concrete example is the level of predation and competition in an ecosystem. Predation and competition also causes animal suffering. What happens if we lower this level of competition, for example by decreasing the number of predators? People often claim that competitive pressures are good, because with natural selection it pushes populations towards individuals that are more adapted or fit to the pressure. And predators prevent overpopulation of prey animals. Predation is good for the prey because it selects for the healthiest and most athletic prey animals. And the predators are driven towards faster and more agile animals. Decreasing the level of predation and competition might therefore be bad: it could decrease the welfare function.

But what about the reverse intervention: what about increasing the level of competition and predation? What if we introduced extra predators and extra competition to increase the evolutionary pressure towards better adapted animals or to better prevent prey overpopulation? Would this improve the welfare function? Many people consider this to be a bad idea as well, which means that the current level of competition happens to be the one that maximizes the welfare function. But it is not clear why this should be the case, because nature (an ecosystem or an evolutionary process) doesn’t care about maximizing the welfare function. Population or gene fitness is not related to animal well-being.

Nature also doesn’t care about how fast an animal can run or how quick it can react. If nature doesn’t value speed, then who does? Why would speed be more important than well-being? Perhaps you value speed and you prefer a world where animals become very fast. But suppose that I value size: I want a world with smaller animals, so I start killing the biggest animals, such that populations have a selection towards smaller animals. Would that be a good thing? Neither nature nor the animals themselves value things like speed or size. Nature values nothing, and the animals value their own well-being. Well-being is the only property that is valued or preferred by at least someone, namely the sentient being.

Scope neglect

Another kind of moral illusion that plays a role in the judgment that predation is permissible, is scope neglect: spontaneous moral judgments that do not properly take into account the number of victims. If people think about predation, they see an animal killing another animal. A life for a life: either the predator will starve, or the prey animal will be killed. Both are equally bad. But over the course of its lifetime, a predator kills many prey. Is the life of one predator more valuable than the lives of hundreds of prey?

Another example of scope neglect in wild animal suffering is the underestimation of the suffering of many animals belonging to species that have a so-called r-selection reproductive strategy (Horta, 2010). Those r-selected animals have many offspring and only a very few of them survive to reproductive age. Hence the majority of those newborn animals have very short lives with a lot of negative experiences due to hunger, diseases and predation. The suffering of death could outweigh the few positive experiences in their short lives. So the probability of having a negative lifetime well-being is higher for animals that have an r-selection reproductive strategy. But when we think about animals in nature, we often focus on the surviving animals, the animals that survive to adulthood, and we neglect the many r-selected animals that have very short lives full of suffering. It is not unlikely that the majority of lives on earth are basically lives not worth living, because they are short and full of suffering.

Just world hypothesis

The just world hypothesis (Lerner, 1980) is the belief that the world (nature) is just and that the victims are in fact culpable, as if the world has an invisible moral force that restores the moral balance. When it comes to wild animal suffering, in particular predation, the just world hypothesis creates the belief that predation is just and morally good, because without predation the prey animals will lose control over their fertility and start competing with each other by overpopulating the ecosystem, the weak prey animals will also procreate and weaken the whole population and the diseased prey animals will infect other animals. It is as if prey animals are not innocent victims of predation, as if the painful death by predators is the deserved punishment of the diseased, weak and competitive prey. This is a moral illusion because we would never think that way when e.g. our friends or family instead of prey animals were involved. Why would that line of reasoning apply to prey animals but not to our friends and family?

Futility thinking

Futility thinking (Unger, 1996) is the tendency to neglect a problem if the problem cannot be solved completely. Suppose there are two problems A and B that both cause suffering. Problem B is much bigger and causes 100 times more suffering than problem A. You have to choose between two interventions. Intervention 1 completely solves problem A and eliminates all suffering caused by problem A. Intervention 2 only partially reduces the suffering caused by problem B with 10%, so problem B is only partially solved. Intervention 2 is ten times more effective in terms of reducing suffering, because a 10% decrease of 100 units of suffering caused by problem B is better than a 100% decrease of 1 unit of suffering caused by problem A. Still, a lot of people prefer intervention 1, because intervention 1 completely eliminates a problem whereas a 10% solution of problem B seems more futile.

This preference for the less effective intervention is an example of futility thinking. It is a moral illusion, because it is based on an arbitrariness: an arbitrary separation of all suffering into suffering caused by problem A and suffering caused by problem B. There are many other ways to separate all the suffering in the world. Perhaps problem B is the composite of two subproblems B1 and B2 and intervention 2 completely solves problem B1. Why aggregate both problems B1 and B2 into problem B that seems to be futile to resolve (although B1 can be completely resolved), but not aggregating problems A and B? Why arbitrarily separate the suffering instead of looking at all the suffering in the world?

The connection between futility thinking and wild animal suffering is obvious: people often perceive interventions in nature to decrease wild animal suffering as futile, because the problem of wild animal suffering is so immensely big. It seems less futile to do something about e.g. fur farms.

The above moral illusions are just a few examples that interfere with our judgments about wild animal suffering. There could be more moral illusions involved, such as the judgment that we do not have to solve problems that we didn’t cause (a lot of wild animal suffering was not caused by us). Together these moral illusions create a cluster of moral illusions that results in an attitude of neglecting the problem of wild animal suffering. This suffering should not be underestimated, and neither should we underestimate our potential capacities to decrease this suffering. To tackle the problem of wild animal suffering, we first have to do more scientific research about the problem and how to intervene in nature. In terms of improving future animal well-being, the effectiveness of scientific research on interventions in nature is underestimated. A lot of wild animals from a lot of future generations could benefit from scientific research. But our moral illusions tend to deform our judgments in such a way that even a lot of animal rights advocates are not open to the idea to do research on how to intervene in nature to decrease wild animal suffering. Therefore, overcoming our moral illusions and debiasing our moral judgments is of prime importance.

Effectiveness in means: promoting scientific research

Moral philosophers already paid some attention to their first task: exploring what a non-arbitrary, non-discriminatory ethic would look like. But the second task of moral philosophers is often neglected: formulating research questions for scientists to figure out what the most effective, prolific interventions would be if we avoid all kinds of unwanted arbitrariness, moral illusions and discrimination such as speciesism.

So what are the top scientific research questions that we have to answer to effectively improve the welfare and rights of everyone? Solving these questions in a scientific manner is expected to have huge impacts in terms of improving well-being. In the long run, investments in this scientific research could generate a huge welfare return on investment, because the scientific knowledge to improve well-being will be useful for all future generations. Hence this research will be very cost-effective in terms of improved well-being per dollar invested. The following research questions range from short term to long term interventions.

Psychological research

Psychology of moral illusions and debiasing

Psychologists already studied more than hundred cognitive biases, including several kinds of moral illusions. Those moral illusions prevent people from recognizing non-human animals as ethically relevant. In order to overcome biases and to increase the likelihood that people will change their attitudes about animal welfare, psychologists should do more research on the hard question of debiasing: the techniques to overcome cognitive biases. This research is still at its infancy but has the potential to have a huge positive impact.

This psychological research on debiasing is perhaps also necessary to start research on more controversial but important topics such as interventions in nature to protect well-being and decrease wild animal suffering. Conservation biologists study methods to protect biodiversity, but a similar field of welfare biology (Ng, 1995) to study methods to protect well-being is not yet getting off the ground. The reason why this important research field of welfare biology is not yet being developed, might be due to moral illusions of researchers, research funders and the general public. Debiasing those moral illusions could be a first, important step to develop the field of welfare biology, which in turn might have a high welfare return on investment.

Effective vegan advocacy

Veganism is a very feasible individual choice that has a lot of benefits in terms of decreasing animal suffering and rights violations, improving health and improving environmental sustainability. Research in this area involves the psychology of persuasion and behavior change and cost-effectiveness of vegan outreach campaigns.

Technological research and biological engineering

Developing animal free products and methods

To make a transition towards a vegan lifestyle easier, one could develop cultured (in vitro) meat and other animal free products that strongly resemble animal products. The same goes for the development of animal free medical research methods: funding research can be cost-effective because the animal free methods can be used for many years in the future.

The cultured meat might also become an interesting tool in the future to deal with the problem of wild animal suffering caused by predation. If predators could eat cultured meat instead of meat from sentient beings, predators could live a healthy, flourishing life without harming prey.

Producing harm free food and goods

A lot of animals are harmed in agriculture and forestry. Vegan agriculture is not entirely free from harm because some wild animals (rodents, birds,…) are killed during harvest. A lot of animals are considered pests that could destroy food supplies. More research can be done in how to avoid harm in agriculture.

Fundamental research in neurobiology and ecology

The previous research topics were rather short term, as the expected benefits might already occur within a few decades. In the longer run we can develop interventions to decrease wild animal suffering and improve wild animal well-being. In order to do this, we have to do some fundamental research to solve several questions.

Consciousness

A first question of course is: what kind of beings have conscious, subjective experiences? Who is able to feel and to experience suffering and hapiness? Are invertebrate animals such as insects conscious and to what degree can they suffer? This question is very important because there are a lot of invertebrate animals. So even if an individual insect can only suffer to a limited degree, the total suffering of all the insects combined can be huge. The question of insect suffering is also important for a harm free agriculture, because the methods to control insect pests can have a huge impact on insect well-being.

Positive or negative well-being

Once we know which animals have a well-being, the second question becomes: what is their welfare status? Do those animals have on average a positive well-being (i.e. lives worth living) or a negative well-being (i.e. lives not worth living)?

This question becomes important in agriculture. For example: if insects are sentient and have positive well-being, using insect pest control methods in agriculture might harm those insects and decrease their well-being. On the other hand, if those insects have a negative well-being and if using pest control methods means that fewer insects are born, these pest control methods might be beneficial (because there will be fewer lives that are not worth living).

Influencing well-being

Once we know the welfare status of animals, the next question becomes: what influences their well-being and how can we intervene in nature to improve the well-being of wild animals? This is the area of welfare biology, which requires knowledge of ecological processes such as predation, trophic cascades and reproductive strategies.

Example: the welfare impact of fishing

The welfare impact of fishing is an important example that involves the above questions, because the number of vertebrate aquatic animals killed in fisheries and aquaculture (more than 1 trillion per year) is an order of magnitude larger than the number of vertebrate land animals killed in livestock farming and hunting (less than 100 billion per year). Hence, the potential welfare impact of fishing is huge. But it is very complex.

First of all, the aquatic food web is very complex. To simplify, consider a linear food chain: phytoplankton (1st trophic level), zooplankton (2nd level), planktivorous fish (3rd level), piscivorous fish (4th level) and apex predators (5th level). What happens if you catch fish at trophic level N? How does this influence well-being? To simplify, let’s only consider linear influences (no ecological side effects based on non-linear ecological processes). That means a linear trophic cascade: catching fish at trophic level N results in a decrease of the population at level N (and higher levels), which results in an increase of the population at level N-1, which again results in a decrease of the population at level N-2, and so on.

Now it all depends on what trophic levels have a well-being and if the well-being is positive or negative. Suppose levels 1 and 2 have no well-being and levels 3, 4 and 5 have a positive well-being. In that case, catching planktivorous fish (level 3) is bad, because well-being decreases. Planktivorous fish are innocent in the sense that they do not harm anyone else, because zooplankton was supposed to be non-sentient. But catching piscivorous fish will be good: as the population of piscivorous fish decreases, there will be less predation on planktivorous fish. One piscivorous fish harms many other, innocent sentient beings: the planktivorous fish.

If we want to avoid speciesist arbitrariness, we should not make a distinction between rights violated by humans versus rights violated by non-human animals such as piscivorous fish. So if we catch piscivorous fish, the total amount of fish rights violations (which is proportional to the total amount of innocent sentient fish captured by both humans and piscivorous fish) decreases. Catching apex predators will be bad, because those apex predators catch many harmful, non-innocent piscivorous fish.

Catching fish of an odd trophic level is very bad, catching fish of an even level is very good. However, this result completely turns around if zooplankton was sentient and had a positive well-being. In that case, planktivorous fish are no longer innocent: they harm a lot of sentient beings. Catching planktivorous fish becomes very good because it saves many lives of innocent sentient beings (the zooplankton). Catching piscivorous fish becomes very bad, catching apex predators becomes very good.

However, this result again completely turns around if the well-being of a trophic level becomes negative. Suppose the lives of zooplankton are in general not worth living: the vast majority of zooplankton animals have a negative well-being (short lives with experiences of hunger and diseases). In that case it would be good to decrease the population of zooplankton. Catching piscivorous fish becomes very good, because that increases the population of planktivorous fish and decreases the population of zooplankton.

In summary: catching fish at an odd trophic level will be good if the lowest trophic level at which sentience occurs is even and if well-being is positive, or if the lowest trophic level at which sentience occurs is odd and if well-being is negative. It is bad otherwise. And the reverse is true for catching fish at an even trophic level.

Given the fact that we catch huge amounts of fish, catching fish will be either very good or very bad, depending on the trophic level of the captured fish, the trophic levels that contain sentient animals and the positive or negative welfare status of the trophic levels. The goodness switches if the trophic level of the captured fish is changed, if the lowest trophic level at which sentience occurs is changed or if the welfare level switches from positive to negative. Hence, given the fact that we catch many fish, knowing the sentience and welfare levels of aquatic animals becomes very important. A lot is at stake. And it becomes even more complex in more realistic situations with non-linear aquatic food webs and non-linear ecological processes.

What should we do with fishing as long as the important scientific knowledge is lacking? We are in a situation of risk, where we risk doing a lot of bad when fishing, but we may also do a lot of good. If a lot is at stake, most people become risk averse and prefer the status quo of non-intervention. That is what we would choose when humans instead of fish were involved. In order to avoid speciesist arbitrariness, we can ask ourselves the question what we would do if all aquatic animals were large and small swimming humans (making up a complete food web). Then we would not simply go fishing humans, because fishing would be too bold. We would rather do scientific research and study the situation more carefully before we intervene. Furthermore, we have one certainty: catching fish always causes some suffering of the captured fish. So fishing implies a certain welfare loss plus an uncertain very high positive or negative impact on welfare. In that situation we would abstain from fishing until we have more scientific evidence that fishing is the only means to improve well-being and decrease rights violations.

Conclusion

The anti-arbitrariness principle, which states that we have to avoid all kinds of avoidable, unjustified and unwanted arbitrariness, is a fundamental principle in a rational ethic. Without that principle, our ends become inconsistent and we become vulnerable to moral illusions. These moral illusions distract us away from a rational, authentic ethic, because they violate our deepest moral values. A lot of moral illusions are at play in animal ethics, because speciesism and wild animal suffering neglect are based on moral illusions.

Consistency in ends can be achieved by avoiding unwanted arbitrariness, a task for the moral philosopher. But once we have consistent ends, we need effective means to reach those ends. This is the task of the scientist. Psychologists can study methods to debias ourselves from our moral illusions and to persuade ourselves to adopt e.g. vegan lifestyles. Bio-engineers can develop alternatives for animal products and animal experiments. Neurologists can study consciousness and well-being. Ecologists can study welfare biology in order to intervene in nature in the most effective ways to promote worldwide well-being and decrease wild animal suffering. Investments in scientific research can have a big welfare return on investment, because scientific knowledge can be used for all generations in the future.

References

Bostrom N. & Ord T. (2006). The reversal test: eliminating status quo bias in applied ethics. Ethics 116 (4): 656–679.

Bruers S. (2015). In search of moral illusions. The Journal of Value Inquiry, DOI 10.1007/s10790-015-9507-8.

Faria, C. (2016). Animal Ethics Goes Wild: The Problem of Wild Animal Suffering and Intervention in Nature (Ph.D.). Universitat Pompeu Fabra.

Horta, O. (2010). Debunking the Idyllic View of Natural Processes: Population Dynamics and Suffering in the Wild. Télos 17 (1): 73–88.

Kahneman D., Knetsch J. L. & Thaler, R. H. (1991). Anomalies: The Endowment Effect, Loss Aversion, and Status Quo Bias. Journal of Economic Perspectives 5 (1): 193–206.

Lerner M.J. (1980). The Belief in a Just World: A Fundamental Delusion. Plenum: New York.

Ng, Y.-K. (1995). Towards Welfare Biology: Evolutionary Economics of Animal Consciousness and Suffering. Biology and Philosophy 10 (3): 255–285.

Tomasik, B. (2015). The Importance of Wild-Animal Suffering. Relations. Beyond Anthropocentrism 3 (2): 133–152.

Unger, P. (1996). Living High and Letting Die, Oxford: Oxford University Press.

[1] Note that ‘everywhere’ is not a direction such as ‘left’ or ‘right’. So ‘everywhere’ does not belong to the set of directions containing ‘left’ and ‘right’. Therefore, the rule to drive everywhere does not contain the same kind of avoidable arbitrariness as the rule to drive on the right.

[2] Perhaps someone’s value system contains a rule X to drive in the left lane. Of course a rule Y to drive on the right lane is incompatible with this value system containing rule X. But this value system contains a circularity because it explicitly refers to X, i.e. the rule to drive on the left lane.

[3] We have to check whether this anti-arbitrariness principle is itself arbitrary and therefore defeats itself. The answer is no. Of course we can always ask the trivial question: “Why be against arbitrariness and not against non-arbitrariness?” But any other nontrivial question becomes meaningless. For example: “Why be against arbitrariness and not against apples or bananas?” Apples and bananas do not belong to the same category as arbitrariness.

[4] Richard Dawkins started a controversy by stating: “X is bad. Y is worse. If you think that’s an endorsement of X, go away and don’t come back until you’ve learned how to think logically.” Dawkins then gave some examples about pedophilia and rape, complaining such a claim often generates an illogical conclusion that rape X is endorsed. Dawkins was criticized by those who believe that all rapes are equally bad (or incomparable).

Geplaatst in Artikels, Blog, English texts | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Kersenplukken in het debat over bio?

Met het EOS-artikel getiteld “Met bio help je het milieu niet vooruit” (met referenties ook hier te lezen), trachtte ik op een onpartijdige en wetenschappelijk onderbouwde manier na te gaan in hoeverre de keuze voor biologische producten een vorm van effectief milieu-activisme is. Bioforum schreef een reactie op het artikel, met ondermeer als kritiek het gebrek aan nuance. Toegegeven, de titel van het EOS-artikel is te ongenuanceerd. De stelling is namelijk dat er onvoldoende wetenschappelijke bewijzen zijn dat biologische landbouw wel milieuvriendelijker is dan gangbare landbouw. Afwezigheid van bewijs is nog geen bewijs van afwezigheid. We weten eigenlijk niet of bio het milieu vooruit helpt, dus kunnen we dat ook niet zo letterlijk zeggen. Op basis van de wetenschappelijke literatuur kunnen we alvast wel zeggen dat de vermeende voordelen van biovoeding op vlak van milieu en gezondheid sterk overschat worden. Er zijn veel effectievere milieu- en gezondheidsmaatregelen die minder kosten.

Het Bioforum schreef ook: “Het is niet wetenschappelijk om aan cherrypicking te doen en enkel die onderzoeken aan te halen die een vooraf geformuleerde stelling bevestigen.” Als ik al een vooraf geformuleerde stelling bevestigd wou zien, dan was het – gezien mijn jarenlange vrijwillige en professionele engagementen bij verschillende milieuorganisaties en mijn steun en consumptie van biovoeding – wel de stelling dat biologische landbouw duidelijk beter is. Maar die stelling heb ik niet kunnen bevestigen. Uit mijn artikel blijkt ook mijn afkeer voor cherrypicking (kersenplukken), het vooringenomen selecteren van anekdotes en studies. Cherrypicking is een vorm van ongewenste willekeur in de pseudowetenschap. In mijn artikel baseerde ik me op systematische overzichtsstudies en meta-analyses. Ik heb het belang van dergelijke meta-analyses doelbewust regelmatig aangehaald, precies om cherrypicking te vermijden.

Het Bioforum kaart de vraag aan of biolandbouw het voedselprobleem kan oplossen. Ja, een mondiale biologische landbouw kan waarschijnlijk alle mensen voeden, zeker als we minder dierlijke producten consumeren, minder voedsel verspillen, en voor de overvoede mensen: minder calorieën eten. Maar deze maatregelen staan los van het landbouwsysteem. Die maatregelen kunnen we ook met een gangbare landbouw nemen. De vraag is of biologische landbouw ook tegelijk de impact op de biodiversiteit kan minimaliseren. Het verlies van biodiversiteit door de landbouw is zo groot dat de landbouw niet enkel als uitdaging heeft om straks 9 miljard mensen te voeden, maar ook om de biodiversiteitscrisis terug te dringen. En het is nog niet zo evident dat een biolandbouw beter is voor de biodiversiteit als die landbouw meer oppervlakte vereist. Ik baseer me hiervoor op meta-analyses die duidelijk aangeven dat biolandbouw lagere opbrengsten heeft. Het Bioforum mag dat dan wel tegenspreken of trachten te nuanceren door te verwijzen naar het Rodale Institute, maar mij lijkt die ene referentie meer cherrypicking in te houden, en als instituut voor biologische landbouw is Rodale ook minder onpartijdig.

Als we naast een mondiale voedselzekerheid en -rechtvaardigheid ook veel waarde toekennen aan biodiversiteit, en als de biodiversiteitscrisis zo groot is, dan kunnen we best alle beetjes inzetten die helpen. Waarom geen en-en-verhaal: productieverhoging samen met een vermindering van voedselverspilling en vleesconsumptie? En waarom ook niet ggo’s inzetten die de landbouw nog een beetje milieuvriendelijker kunnen maken?

Tot slot nog een inhoudelijke kritiek. Het Bioforum verwijst naar een studie van de Wageningen Universiteit die stelt dat de biologische landbouw in Nederland voor tenminste 10 miljoen euro minder negatieve externe effecten veroorzaakt. Ten eerste is dit bedrag een overschatting: het is namelijk gebaseerd op de milieu-impact per hectare landbouwgrond in plaats van per kilogram product. En we weten dat biolandbouw lagere opbrengsten (minder kilogram per hectare) kent. Het grootste deel van die 10 miljoen euro externe milieukosten die de gangbare landbouw produceert is het gevolg van de emissies van stikstof en broeikasgassen. Maar de twee meta-analyses waar ik naar verwijs in mijn artikel geven aan dat de biolandbouw minstens evenveel emissies van stikstof en broeikasgassen heeft per kilogram. Indien we met de milieukosten per kilogram zouden rekenen, zal de biolandbouw veel minder milieukosten besparen. Ten tweede is dat bedrag van 10 miljoen euro ongeveer een factor 10 kleiner dan de meerkost die consumenten extra uitgeven aan biovoeding (indien biovoeding ongeveer 30% duurder is dan niet-bio). Het is belangrijk om externe milieukosten te internaliseren in de prijs, maar de vraag is of de meerkost van biovoeding dan niet te hoog is.

Geplaatst in Blog | Tags: , | 1 reactie