Carnism versus terrorism: the most extreme example of irrational fear

Fear can be useful as it can increase our survival and health. But fear can also be irrational, namely when we believe that one threat is more dangerous than another, less serious threat or when we feel more fear of the less serious threat. Sometimes we do not feel scared enough of a more serious threat. The monster illusion can be used as a metaphor of irrational fear: it appears as if one monster is bigger than the other, but our visual perception can be misleading. Our risk perception can also be misleading.

monster illusion

Psychologists have studied why we are so often susceptible to irrational fear, but I will not go into the cognitive biases literature here. Instead I will present an extreme example of irrational fear: terrorism versus carnism.

In Western Europe the past decades, there were less 50 deaths per year due to terrorist attacks. That is less than 0,1 deaths per million people per year. How does this compare to carnism?

For those who don’t know the word: carnism is an ideology, the counterpart of veganism as ideology. According to carnism, eating some animal products is good or permissible. Our meat overconsumption is the result of this carnist ideology. So we can compare carnists (people who eat animal products) with vegans (people who eat plant-based or animal-free). According to one study, an average carnist (omnivore) diet is compared with a vegan diet in 2050. The carnist diet will kill more than 8 million people more than the vegan diet worldwide. That is almost 1000 deaths per million people per year. (This value also corresponds with other studies, such as the Global Burden of Disease, as well as with values of Western Europe.)

If we are scared of terrorists, how much should we fear animal products on our plate? Indeed, carnism is about 10.000 times deadlier than terrorism. The meat on our plate is 10.000 times more dangerous than terrorists.

Now we can compare the fear response in society. How much attention is given to terrorism, and how much to carnism? I cannot think of another example of irrational fear that is more extreme than this difference between carnism and terrorism.

Furthermore, the fear response to terrorism can have negative side-effects. People might avoid public transport and use cars instead, resulting in more traffic accidents. People might vote for populist right winged parties, resulting in a policy with immigration restrictions instead of freer migration and a legal system with retributive justice instead of restorative justice. This results in more discrimination and oppression of minority groups. Immigration restrictions also causes very high economic damages and maintains the largest pay gap in the world: the wage differences between the developed and less developed countries (see also here). Similarly, more retributive justice might even increase recidivism.

Meat consumption feels safe, because in a carnist ideology, meat is considered necessary, normal or natural. However, animal products are no longer necessary: in our modern day western society, we can get our essential protein, vitamins and minerals from vegan food as well. For example: plant-based soy milk enriched with calcium, vitamin D and vitamin B12, available in most supermarkets, can be a healthier substitute of cow milk (it contains all essential nutrients of cow milk, plus healthy fibers and isoflavones instead of unhealthy saturated fats and germs). Carnists often criticize veganism because it requires the supplementation of vitamin B12, which seems unnatural. But those carnists drink pasteurized milk and eat fermented cheese and processed meat, which is far from natural. And the livestock animals also have B12 supplements in their feed. This fear of unnaturalness is another clear example of irrational fear which can be very damaging.

 

Advertenties
Geplaatst in Artikels, Blog, English texts | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

De maatschappelijke impact van artificiële intelligentie

Opiniestuk verschenen in De Morgen (20-04-2018)

Als wij maar geen mieren worden in de ogen van de robots

Eind 2017 werd het computerprogramma AlphaZero de kampioen in schaken, shogi en go, en dat door zelf te leren, binnen één dag, zonder brute rekenkracht en zonder menselijke input (behalve natuurlijk de spelregels). AlphaZero bedacht verrassend nieuwe, ‘buitenaardse’ spelstrategieën om te winnen. Dit is een historische zet in de race naar algemene artificiële superintelligentie: machines die een bovenmenselijk vermogen hebben om hun doelen te bereiken in een breed scala van situaties. Artificiële intelligentie of AI gaat ons de komende decennia voor de grootste uitdagingen plaatsen.

Om te beginnen is er een uitdaging voor de rechtsleer. De robot Sophia van Hanson Robotics kreeg vorig jaar als eerste robot een staatsburgerschap (in Saudi-Arabië). Nu buigt ook het Europees Parlement zich over de vraag of intelligente robots een rechtspersoonlijke status krijgen. Wie is er aansprakelijk als een zelflerende robot schade veroorzaakt? Wie betaalt dan de schadevergoeding? De softwareprogrammeur? De eigenaar? Of de robot zelf? Het is zoals met kinderen die zelf leren en daardoor minder voorspelbaar zijn.

Een tweede uitdaging, voor de defensiepolitiek: wat als die robots in kwade handen terecht komen? Onlangs waarschuwde de ondernemer Elon Musk nog voor killer robots. Denk aan een zwerm explosieve drones die zoals steekvliegen perfect op hun doelwit afgaan. Na de nucleaire, chemische en biologische wapens krijgen we nu de autonome wapens die zelf beslissingen nemen. Cruciaal is dan ook een sterkere mondiale samenwerking om een AI-wapenwedloop te vermijden en autonome wapens te verbieden.

Een derde uitdaging is er voor de psychologie. Hoe gaan we weten wanneer een robot een bewustzijn heeft ontwikkeld? Het is niet ondenkbaar dat robots ooit persoonlijke gevoelens kunnen ervaren. Stel dat we de hersenen van een mens zouden simuleren in een software, krijgt die computer dan een bewustzijn? Als een pijnervaring wordt gesimuleerd op een hardware die een miljoen keer sneller is dan onze hersenen, wordt er dan een miljoen keer meer pijn ervaren? Als dergelijke voelende simulaties of bewuste machines net zoals dieren geen persoonsstatus krijgen, dan zal het leed op aarde enorm toenemen, net zoals gebeurde met dieren in de veeteelt.

Ook onze economie staat voor een uitdaging: AI-machines zoals zelfrijdende vrachtwagens maken talrijke jobs overbodig. Hoe gaan we de massale werkloosheid opvangen? Hoe gaan we de inkomensongelijkheid beperken als de softwareontwikkelaars de productiecapaciteit van onze economie in handen krijgen? We gaan alvast ons belastingstelsel drastisch moeten herzien (een personenbelasting voor robots?) en nadenken over een universeel basisinkomen.

De grootste uitdaging is er voor de moraalfilosofen. Als opwarmer zijn er de zelfrijdende wagens: welke beslissingen moeten die wagens nemen als ze geconfronteerd worden met morele dilemma’s? Het kind doodrijden of snel uitwijken en zo de passagiers in gevaar brengen? Maar artificiële intelligentie stelt de moraalfilosofie met een fundamenteler probleem. Als we ooit superintelligente machines ontwikkelen, hoe zorgen we er dan voor dat hun doelen in overeenstemming zijn met onze waarden en dat ze correct rekening houden met onze belangen? Dat geprogrammeerd krijgen in een moreel algoritme is geen kleine uitdaging, zeker niet wanneer artificiële intelligentie zichzelf modificeert en de morele algoritmes die we voorlopig konden bedenken onverwachte en ongewenste neveneffecten hebben. Door AI hebben moraalfilosofen letterlijk een deadline: voordat we superintelligentie creëren, moeten we de moeilijkste vraagstukken in de moraalfilosofie hebben opgelost, want anders riskeren we een catastrofale ramp die zelfs ons voortbestaan bedreigt.

Superintelligente machines denken veel sneller en verwerken veel meer data dan wij. Daar kunnen wij niet tegenop. Ons menselijk verstand verhoudt zich tot een superintelligente robot zoals een chimpanseebrein zich verhoudt tot ons. Die artificiële superintelligentie is gewoon te slim voor ons. Kennis is macht. Wie slimmer is, heeft meer macht. Superintelligente robots zijn dus machtiger dan ons en zouden ons kunnen onderdrukken net zoals wij met onze hogere intelligentie andere dieren onderdrukken. Maar zelfs als die machines geen kwade bedoelingen hebben, moeten we beletten dat die machines ons aanzien zoals wij mieren aanzien. Als wij buiten willen spelen, letten we niet op de mieren in het gras. De eerste superintelligente computer kan ons dus maar beter goed gezind zijn, maar hoe zorgen we daarvoor? Hoe programmeren we de gewenste morele regels?

Veilige AI zal de belangrijkste technologie zijn om het welzijn op aarde te verhogen. De potentiële voordelen zijn niet te onderschatten. Maar ook de risico’s niet. Wat we nodig hebben, is een zogenaamde differentiële vooruitgang: de ontwikkeling op vlak van AI-veiligheid moet sneller gaan dan de vooruitgang op vlak van AI-vermogen. En meer algemeen: de vooruitgang op vlak van internationale samenwerking, institutionele besluitvorming en moreel denken moet sneller gaan dan die van de technologie.

 

Stijn Bruers is moraalfilosoof, auteur van Morele Illusies en medeoprichter van Effectief Altruïsme Vlaanderen

Geplaatst in Artikels, Blog | Tags: , | Een reactie plaatsen

Waarom veganist zich niet vergist

Deze week publiceerde het Nederlands Dagblad een opinie getiteld: “Waarom veganist zich vergist.” Dat artikel is doorspekt met zoveel drogredenen tegen het veganisme, dat een rechtzetting zich opdringt.

Veganisme is een logisch gevolg van onze diepste morele waarden. Het lichaam van iemand anders – bijvoorbeeld een hond of een kat – opeisen voor ons smaakgenot en daarbij dingen doen die dat individu helemaal niet graag wil, dat is onverantwoord. En dat geldt ook voor straathonden die geen huisdier zijn. We kunnen perfect gezond leven zonder hondenspieren te eten of kattenmelk te drinken. Een hondenvrije voeding heeft niets te maken met het verbreken van de relatie tussen mens en hond. Het heeft te maken met respect, met het recht op lichamelijke zelfbeschikking. Jouw lichaam is van jou, dus anderen mogen jouw lichaam niet gebruiken als jij dat niet wilt. Dat recht geldt voor iedereen, zonder willekeurige uitzonderingen. Dus niet enkel voor jou en je hond, maar ook voor varkens, koeien en kippen. We mogen niet naar willekeur slachtoffers maken.

Nu heeft veganisme nog veel andere voordelen. De economische analyses zijn er: als er geen granen en peulvruchten meer worden omgezet in oneetbare dierlijke mest in de veeteelt, dalen de graanprijzen waardoor arme mensen minder chronische honger hebben. Veganistische landbouwers bewijzen het: slimme landbouwtechnieken laten toe om de hoogproductieve bodems vruchtbaar te houden zonder dierlijke mest van de veeteelt. De veeteelt is geen milieuvriendelijke mestproducent, want ze kent een hoge uitstoot van broeikasgassen en een groot gebruik van land, energie, water, pesticiden en diergeneesmiddelen. We zitten trouwens door die veeteelt met een mestoverschot.

De grote gezondheidsstudies bewijzen het: met wat we nu in de winkels vinden, kunnen we zelfs gezonder leven als veganist. Wie niet veganistisch wil eten, is veroordeeld tot het eten van iemands spierweefsel. Dat spierweefsel is een nabootsing van de veganistische eiwitbronnen die ze weglaten.  Voor dat spierweefsel werd een voelend wezen opgeofferd om essentiële voedingsstoffen heel inefficiënt te verwerken en verpakken in ongezonde stoffen. In dierlijke producten zitten de essentiële eiwitten, mineralen en vitaminen altijd verpakt in ongezonde verzadigde vetten en kankerverwekkende moleculen. Maar met het huidige veganistische aanbod van groenten, noten, zaden, peulvruchten en verrijkte vlees- en zuivelvervangers kunnen we het slimmer spelen: die essentiële voedingsstoffen zitten dan van nature verpakt in gezonde voedingsvezels en fytonutriënten. Daardoor hebben veganisten tegenwoordig minder kans op hart- en vaatziekten, diabetes, kankers en voedselvergiftigingen.

Een vleesvervanger kan je zelfs rauw eten, want er zitten niet zo snel schadelijke bacteriën in. Vleesvervangers – en weldra ook kweekvlees of in-vitro-vlees – worden in veel hygiënischere omstandigheden geproduceerd dan dierlijk vlees (denk maar aan het contact met uitwerpselen door opengesneden darmen in slachthuizen). Niet voor niets noemt men kweekvlees ook clean meat, omwille van de properdere productieomstandigheden waardoor er ook geen antibiotica nodig zijn. De veeteelt is veel smeriger. Kijk maar naar de grote voedingsschandalen de afgelopen jaren: die gaan bijna altijd over dierlijke producten met hun dioxine, fipronil, aflatoxine en dierziekten.

Veeteelt is dus gevaarlijk: het vergroot het risico op nieuwe pandemische ziektes en antibioticaresistentie bij bacteriën. 15% van alle nieuwe infectieziekten komt van de veeteelt en 70% van de antibiotica is bestemd voor de veeteelt. En de veeteelt draagt voor 15% bij aan de klimaatverandering en voor 30% aan het verlies van planten en diersoorten.

Omdat er voor een kilogram vlees of een liter koemelk meer gewassen (granen en soja) nodig zijn dan voor een kilogram tofu of een liter sojadrink, is de huidige oppervlakte akkerland ruim voldoende om de wereldbevolking veganistisch te voeden. Het grasland hebben we dus strikt genomen niet nodig. Het kan dienstdoen als natuurgebied of we kunnen het herbebossen.

Een diervrije, veganistische voeding is het logisch verlengde van een hondenvrije voeding. Daar is niets extreem of abnormaal aan. In tegenstelling tot wat het eerdere opiniestuk insinueerde, heeft het dus ook helemaal niets te maken met een breuk met de dierenwereld, een gebrek aan wederkerigheid, een vervreemding van de natuurlijke werkelijkheid, een veroordeling tot hongersnoden, een opsluiting in steden, een greep van multinationals of een bondgenootschap met een kapitalistische voedingsindustrie 4.0.

Geplaatst in Blog | Tags: , | Een reactie plaatsen

Effective environmentalism and ecomodernism

This Earth Day is a good opportunity to answer a question that some people asked me: what is the difference between my environmentalist views and ecomodernism? We can generate new insights by looking at the correspondences and differences.

What is ecomodernism?

As defined on Wikipedia, ecomodernism is “an environmental philosophy which argues that humans can protect nature by using technology to decouple anthropogenic impacts from the natural world.” We can analyze the ecomodernist philosophy from the perspective of a rational ethicist, by focusing on its means and ends. These means and ends are summarized in the two parts of the word ‘ecomodernism’, respectively ‘modernism’ (the means of technological advancement) and ‘eco’ (the ends of ecological improvements).

Based on the Ecomodernist manifesto, the ends or goals of ecomodernism are: environmental protection (less pollution and greenhouse gas emissions), nature conservation (less land and resource use) and economic growth (reducing poverty and increasing wealth). This combination of economic growth with reduced environmental impact is called ‘decoupling’. Ecomodernists want more room for nature, a kind of re-wilding the Earth. This preference for more nature is based on an aesthetic preference, because ecomodernists acknowledge that humans could survive and prosper materially on a planet with much less biodiversity and wild nature.

The means of ecomodernism are clear: technological advancements that intensify human activities so that they require less land and resource and are less polluting. Examples are urbanization (more skyscrapers in cities), agricultural intensification (more GMOs and less organic agriculture), advanced solar energy and new generations of nuclear power technologies. From the manifesto: “Suburbanization, low-yield farming [such as organic farming, sb], and many forms of renewable energy production [especially biofuels, sb], in contrast, generally require more land and resources and leave less room for nature.”

What is effective environmentalism?

So how does this relate to my view? I am an effective altruist, which means I use critical thinking and scientific evidence to do the most good. Within effective altruism, there is the philosophy of effective environmentalism, where ‘doing the most good’ means environmental protection and nature conservation. Therefore, effective environmentalism and ecomodernism share the same goals.

What are effective means to reach those ends? There are a lot of ineffective campaigns in the environmental movement: promotion of organic food and resistance against nuclear power, genetically modified foods, some pesticides or synthetic materials (plastics). In contrast, promoting technological development can be very effective. In this sense, there is a strong overlap between effective environmentalism and ecomodernism.

But is technological advancement sufficient to solve the environmental crisis? If we strongly value biodiversity, wild nature or environmental sustainability, technology will not be enough, because we are not able to very quickly develop technology that is ethically, physically, biologically, financially or economically feasible. Some energy sources are too expensive, some technologies are too dangerous, and plants cannot grow infinitely fast. And species are going extinct today, so an environmentalist is impatient.

We can look at the ImPACT equation: the environmental Impact (Im) equals the product of the Population factor (the number of people P), the Activity factor (the Amount of useful consumption units consumed per person, A), the Coefficient of environmental impact (the average impact per unit of primary Consumption, C), and the Transfer efficiency or Technology efficiency factor (the average amount of primary consumption units per useful consumption unit). These four factors indicate four different strategies to lower the environmental impact of a group of people. The ImPACT equation says that People can ACT, where ACT refers to three different kinds of actions that individuals can take (reducing the three factors A, C and T, which correspond to the Trias Energetica). The fourth possible strategy is the reduction of the population size P: stopping overpopulation by e.g. investing in fair conditions for voluntary pregnancy limitation (education, access to means of family planning, women rights,…).

The effectiveness of ecomodernism

Ecomodernism primarily focuses on the reduction of the factors C and T: using technology to reduce the environmental impact per unit of consumption. A major criticism of ecomodernism is that it neglects reductions of the factor P, through the promotion of family planning, and the factor A, through environmentally friendly behavioral change and the promotion of a lifestyle of voluntary simplicity and less consumerism.

If you believe that the environmental challenges are very big, it is better to be open to all possible strategies, reducing all factors P, A, C and T. But the effective environmentalist asks the question: which strategies are most effective. Consider the strategy of reducing A. As an individual, you can decide for yourself to change your behavior, consume less and live in voluntary simplicity. You can decide to do that immediately, at no financial cost. So this is very cost-effective for you personally. Hence, as an individual you may have a duty to change your consumption behavior.

However, what about trying to persuade other people to do the same? What about starting a behavioral change campaign? Such a campaign requires resources (money and time), and it may be very difficult to convince others to change their behavior. It is not guaranteed that such a campaign will be more cost-effective than a campaign that promotes environmentally friendly technological development. It might be better to invest your money in technological development than to invest it in behavioral change campaigns. If technological development is more cost-effective, ecomodernists are right to focus on technology instead of individual behavioral change.

The effectiveness of different campaigns needs to be studied scientifically. We cannot say in advance what kind of campaigns or strategies will be most effective. The ecomodernists might be right that a focus on technology is most cost-effective, but that is not guaranteed. Some behavioral change campaigns, in particular the promotion of vegan food, may also be very effective. But again, even when it comes to the environmental impact of livestock farming, ecomodernists might prefer a technology driven approach that is perhaps more effective: the development of clean meat.

Apart from veganism, other measures that are to some degree neglected by ecomodernists are family planning and a green tax shift (environmental taxation or a cap-and-trade system).  The latter is important in order to avoid a rebound effect, where technological efficiency improvements are counteracted by an increase in consumption levels (e.g. driving more distances with more efficient cars). Technological innovations without economic measures such as carbon taxation does not yet guarantee an absolute decoupling where the total environmental impact decreases. Mere technological innovations might result in nothing more than a relative decoupling, where the environmental impact per unit of consumption decreases but the total impact increases because the level of consumption increases.

 

The goal of ecomodernism

Next from the effectiveness of its means, we have to take a deeper look at the goal of ecomodernism. For a rational ethicist, our ends should be consistent in the sense that our moral values or ethical principles should not contain contradictions, vagueness or unwanted arbitrariness. Here the environmental ethic of nature conservation raises a problem, as noted in the ecomodernist manifesto: “In most cases, there is no single baseline prior to human modification to which nature might be returned. For example, efforts to restore landscapes to more closely resemble earlier states (“indigeneity”) may involve removing recently arrived species (“invasives”) and thus require a net reduction in local biodiversity. In other circumstances, communities may decide to sacrifice indigeneity for novelty and biodiversity.”

The concept of nature is vague and a preference for a certain (historical or pristine) state of nature is arbitrary. Furthermore, as the manifesto acknowledges: “Explicit efforts to preserve landscapes for their non-utilitarian value are inevitably anthropogenic choices. For this reason, all conservation efforts are fundamentally anthropogenic. The setting aside of wild nature is no less a human choice, in service of human preferences, than bulldozing it. Humans will save wild places and landscapes by convincing our fellow citizens that these places, and the creatures that occupy them, are worth protecting. People may choose to have some services — like water purification and flood protection — provided for by natural systems, such as forested watersheds, reefs, marshes, and wetlands, even if those natural systems are more expensive than simply building water treatment plants, seawalls, and levees.”

On this matter, my personal view shifted over the past few years. We can give a value to nature or biodiversity, but this value originates from us. It is an anthropogenic value, comparable to the value of a beautiful painting. The painting itself doesn’t care about beauty, and neither does wild nature care about biodiversity or wildness. However, in wild nature, there are sentient beings, who do care about their well-being. So we can value the well-being of wild animals, but this value is not anthropogenic, because the animals themselves prefer their own well-being.

Here we face the problem of wild animal suffering. Preserving wild nature at the cost of animal welfare, for my own aesthetic preference, was probably my biggest moral mistake. In that sense, my more recent view deviates from effective environmentalism and ecomodernism: instead of merely conserving nature, we should do scientific research to find safe and effective means to intervene in nature to improve wild animal well-being.

Summary

A rational ethicist prefers effectiveness in means and consistency in ends.

When it comes to the effectiveness of means, a focus on technology (instead of individual behavior change) may be very effective for environmental protection and nature conservation. But the promotion of vegan food, family planning and a green tax shift (or a cap-and-trade system) are three effective win-win-win measures that are to some degree neglected by ecomodernists.

When it comes to the consistency of ends, the goal of ecomodernism (more wild nature) is vague, to some degree arbitrary and might result in more animal suffering. Preferring wildness (pureness, naturalness) of nature above well-being of animals is a kind of arrogance, where our weaker preferences are considered as more important than the more fundamental preferences of others.

Geplaatst in Artikels, Blog, English texts | Tags: , , , , , | 2 reacties

Dierenleed in de Oostvaardersplassen: een rationeel-ethische kijk

Recent werd ik gecontacteerd door enkele mensen die verontwaardigd zijn over de gevoerde politiek rond de Oostvaardersplassen, een natuurgebied in Nederland waar elke winter meer dan duizend grazende dieren sterven van honger. Onderstaande is een morele reflectie over dat probleem van dierenleed in de natuur: waarom de huidige aanpak inconsistent en egocentrisch is en hoe we het probleem best oplossen.

Het probleem

In de Oostvaardersplassen werden de laatste decennia grote grazers zoals paarden, runderen en herten geïntroduceerd met als doel door de begrazing het natuurgebied geschikter te maken voor trekvogels. De Oostvaardersplassen zouden daarbij een nieuw stukje wildernis vormen in Nederland, waar de natuur haar gang kan gaan. Maar in de wintermaanden vindt er een massale sterfte plaats bij die grote grazers die omkomen van honger en ontbering. Hun populaties namen erg toe waardoor ze het natuurgebied hebben kaalgevreten en de dieren nu te weinig eten hebben.

Een inconsistente en egocentrische milieufilosofie

Het beheer van de Oostvaardersplassen – of liever het gebrek daaraan – is geïnspireerd op een milieufilosofie die stelt dat we de natuur haar gang moeten laten gaan. Frans Vera, de geestelijke vader van de Oostvaardersplassen, zegt dat we voor dat stuk natuur een afblijfplicht hebben in plaats van een zorgplicht. De natuur zou volgens deze opvatting een eigen waarde hebben als ze ongerept is en niet beïnvloed werd door menselijke bemoeienis. Ingrijpen in de natuur – bijvoorbeeld zorgen voor de wilde dieren – zou volgens deze milieufilosofie een vorm van antropocentrisme zijn waarbij mensen hun eigen waarden centraal plaatsen en hun voorkeuren opleggen aan de natuur.

Maar deze milieufilosofie is duidelijk inconsistent. Ten eerste loopt het gekozen beleid over van willekeur. Waarom zouden wij van de Oostvaardersplassen moeten afblijven maar zouden grote grazers er wel zo hard mogen ingrijpen door alles te begrazen of zelfs kaal te vreten? Zeggen dat sommige wezens (mensen) er moeten afblijven maar anderen (grazers) niet, is een vorm van irrationele willekeur, een vorm van discriminatie op basis van louter biologische verschillen die niet relevant zijn. Waarom zouden mensen geen deel mogen uitmaken van het ecosysteem in de Oostvaardersplassen? Waarom zou een paard wel gras mogen eten dat op een stukje grond van die Oostvaardersplassen groeit, maar niet van gras mogen eten dat op een ander stukje grond groeide en door een mens ter beschikking werd gesteld aan dat paard? Zeggen dat gras dat binnen het domein groeit wel mag gegeten worden maar gras dat elders groeit niet, is opnieuw irrationele willekeur. Waarom mag een hert wel bladeren eten die door de wind van elders werden aangevoerd, maar niet bladeren die door een mens werden gebracht?

De willekeur bij het beleid om dieren niet bij te voeren is onhoudbaar. Toch hebben de aanhangers van die milieufilosofie een afkeer voor het bijvoederen. Door dat bijvoederen verhoogt het voedselaanbod en kan de populatie van dieren toenemen totdat die opnieuw sterven van de honger. Maar dat is nu precies wat de natuur elk jaar in de lente doet. Waarom mag het voedselaanbod voor de dieren niet worden verhoogd door mensen die de dieren bijvoederen maar wel door de natuur die opbloeit in de lente? Heeft de natuur het alleenrecht om het voedselaanbod te verhogen? En als een toename van het voedselaanbod geen goed idee is, wat dan met een afname? Als er in de Oostvaardersplassen nog minder eten zou zijn voor de dieren, dan vinden we dat ook erg. Als je gelooft dat zowel het verhogen als het verlagen van het voedselaanbod niet goed zijn, dan geloof je dat het huidige voedselaanbod optimaal is. Hoe kun je dat weten? De natuur in de Oostvaardersplassen heeft nooit de berekening gemaakt wat het optimale voedselaanbod is.

Ten tweede bevat die milieufilosofie een tegenspraak omdat ze net datgene doet wat ze zelf afkeurt. De natuurliefhebbers die deze filosofie aanhangen, vinden waarden zoals ongereptheid, integriteit of natuurlijkheid belangrijk. Contact met de wilde natuur zet volgens hen aan tot bescheidenheid, tot een ontzag voor een buitenmenselijke orde en een bevrijding van onze eigen beperkte opvattingen. Het probleem hierbij is natuurlijk dat die milieufilosofie zelf een eigen opvatting is. Wie vindt ongereptheid of natuurlijkheid belangrijk? Het natuurgebied zelf? Nee, want natuurgebieden hebben niet eens een vermogen om iets te waarderen, laat staan dat ze een abstract begrip zoals natuurlijkheid zouden waarderen. De dieren in het natuurgebied? Nee, die vinden hun welzijn, het eten van voedsel en het vermijden van een hongerdood belangrijk en interesseren zich niet in ongereptheid. Enkel de natuurliefhebbers zelf vinden ongereptheid en natuurlijkheid belangrijk.

De milieufilosofie van die natuurliefhebbers is dus een vorm van egocentrisme waarbij de eigen waarden en voorkeuren voor ongereptheid of natuurlijkheid primeren boven ernstig leed van anderen, in het bijzonder de dieren die lijden in de natuur. Het afblijven van die natuur komt niemand ten goede, behalve de natuurliefhebbers. Het ingrijpen vanuit een zorgplicht komt wel anderen ten goede, namelijk die dieren. Natuurliefhebbers denken dat die zorgplicht het opdringen is van onze eigen wensen en voorkeuren, maar we mogen niet vergeten dat de dieren zelf zorg willen: ze willen voedsel, veiligheid, gezondheid en alle andere dingen die hun welzijn bevorderen. Als we hen die zorg ontzeggen louter omwille van onze voorkeur voor ongereptheid, dan dringen we daarmee onze wensen op aan anderen. Ik heb een voorkeur om dieren te helpen, maar naast mij hebben de dieren zelf ook een voorkeur om geholpen te worden. Ik wil een hoog welzijn voor een paard, en dat paard wil dat ook. Mijn voorkeur is dus allesbehalve egocentrisch of antropocentrisch, want de anderen, de dieren, delen die voorkeur. Dat kan niet gezegd worden van een voorkeur voor ongereptheid.

De Oostvaardersplassen vormen een failed state: de natuur die regeert over dat gebied slaagt er niet in het welzijn van haar inwoners, de wilde dieren, te garanderen. Voor de dieren is de natuur in de wintermaanden niets minder dan een despotische dictator die bereid is de eigen bevolking te laten verhongeren. We kunnen niet zeggen dat de natuurlijke processen in de Oostvaardersplassen een beter beleid vormen dan een beleid dat wij kunnen voeren en dat erop gericht is het welzijn van dieren te bevorderen.

De oplossing

Wat is de oplossing voor het dierenleedprobleem in de Oostvaardersplassen (en bij uitbreiding in andere natuurgebieden)? We kunnen kijken naar oplossingen bij mensenleedproblemen: vroeger was er bij mensen ook veel hongersnood. Toen kwam de groene revolutie met hogere landbouwopbrengsten. Miljoenen mensen hebben hun leven te danken aan die groene revolutie in de landbouw. Op korte termijn kunnen we voor de Oostvaardersplassen hetzelfde doen: de hoeveelheid eten verhogen door bijvoorbeeld het bijvoederen.

Op langere termijn gaat dat bijvoederen niet voldoende zijn, want dan gaat de populatie van grote grazers nog verder toenemen totdat ze opnieuw voorbij de draagkracht van het ecosysteem gaan. Om overpopulatie te vermijden, gaan we de voortplanting van die dieren moeten beperken. De wilde natuur heeft daar een eigen methode voor: roofdieren. Dode dieren zijn inderdaad onvruchtbaar en kunnen zich niet meer voortplanten.

Maar er zijn geen grote roofdieren in de Oostvaardersplassen die de populaties van grote grazers kunnen beperken. Mensen kunnen wel roofdieren vervangen, door de prooidieren dood te schieten. Maar die jacht is ook niet meteen de meest welzijnsbevorderende methode voor de dieren. Niet alleen de vruchtbaarheid maar ook het volledige leven en de volledige autonomie van een dier wordt ontnomen als dat dier wordt gedood.

Opnieuw kunnen we kijken naar de oplossing bij mensen. Hoe werd de voortplanting bij mensen beperkt zodat we niet afstevenden op doemscenario’s van massale hongerdood door overbevolking? Met anticonceptie. Voor wilde dierenpopulaties zijn er veel methoden van anticonceptie waardoor dieren onvruchtbaar worden, zoals chirurgische ingrepen en chemische contraceptie. De meest veelbelovende methode is waarschijnlijk immunocontraceptie: door een vaccinatie wordt het eigen immuunsysteem gestimuleerd om zwangerschap te voorkomen.

De verschillende methoden hebben elk hun voor- en nadelen op vlak van dierenwelzijn en kosteneffectiviteit, waardoor verschillende methoden in verschillende contexten meer of minder geschikt zijn. Alle huidig beschikbare anticonceptiemethoden hebben negatieve bijwerkingen op vlak van gezondheid, sociale interacties en gedrag van de dieren. Ook het jachtgeweer is een vorm van anticonceptie, en de vraag is dus welke methode het diervriendelijkste is.

Mijn persoonlijke inschatting is dat een anticonceptiemethode zoals immunocontraceptie wel diervriendelijker is dan de dodelijke anticonceptiemethode van het jachtgeweer. Een dier doodschieten is wel de meest ingrijpende manier om dat dier onvruchtbaar te maken. Maar zelfs diegenen die een andere inschatting maken en stellen dat bijvoorbeeld immunocontraceptie even slecht is als dodelijke jacht, kunnen best nog voor de niet-dodelijke vormen van anticonceptie kiezen. Hoewel er momenteel nog nadelen qua dierenleed zijn aan de huidige niet-dodelijke anticonceptiemethoden, hebben die methoden nog wel meer speelruimte op vlak van ontwikkelingen naar diervriendelijkere anticonceptie. De jacht kunnen we moeilijk diervriendelijker maken. Maar niet-dodelijke anticonceptie heeft nog wel veel potentieel, mits we voldoende wetenschappelijk onderzoek ernaar doen. Om dat onderzoek te stimuleren, moeten de niet-dodelijke anticonceptiemethoden gebruikt en getest worden. Door het gebruik van niet-dodelijke anticonceptie, zelfs al is die momenteel nog niet zo diervriendelijk, winnen die methoden aan belang, zal er meer onderzoek naar gebeuren en zullen we in de toekomst betere methoden uitvinden en ontwikkelen.

De Oostvaardersplassen waren een experiment om te kijken hoe een ongerepte natuur met grote grazers zich in Nederland kan ontwikkelen. Maar we kunnen beter de Oostvaardersplassen beschouwen als een experimenteerruimte om dierenpopulaties op een zo diervriendelijk mogelijke manier onder controle te houden met bijvoorbeeld anticonceptie. Zo krijgen we de kans om betere (kosteneffectievere, veiligere, diervriendelijkere) anticonceptiemethoden te ontwikkelen die we ook voor andere natuurgebieden kunnen inzetten. Dat onderzoek is cruciaal als we het probleem van dierenleed in de natuur willen aanpakken.

Geplaatst in Artikels, Blog | Tags: , | 11 reacties

Is a vegan diet optimal for our health and the environment?

There is a scientific consensus that our high consumption of animal products, especially meat, is bad for our health and the environment. The studies are abundant (see here and here). Almost no-one is denying that our consumption of animal products is too high and that we should reduce our meat consumption. Too much is never good. But the question people often ask is: where is the optimum level? Is the best diet for our health and the environment a vegan diet? Or is a diet with some animal products better?

It is obviously true that animal products contain essential food nutrients for human health, such as proteins, minerals and vitamins. It is also obviously true that the animal manure produced in livestock farming contains essential fertilizer nutrients for agriculture, such as nitrogen and phosphorus. And it is obviously true that animals can eat things that we do not want to eat or cannot digest, such as our food residues or grass, and turn these things in nutrients that we can use. Animal agriculture can be considered as an upcycling of our food waste. Does this mean that some level of livestock production and animal consumption is necessary for an optimal human and environmental health?

At the current level of animal consumption, we eat more than enough essential nutrients, so the harmful substances such as saturated fats, pathogens and carcinogens become dominant. And at our current level of animal agriculture, animals not only eat our food waste and grass, but they also eat lots of feed crops produced on cropland that can be used to grow things humans can directly eat. Most of this feed crop is turned into inedible animal manure. This is a kind of food waste, a downcycling of nutrients. Furthermore, at our current level, animal agriculture produces more than enough manure, resulting in overfertilization. Hence, the more animal products we consume, the higher our negative environmental and health impacts.

The negative health and environmental impacts are functions of the amount of animal products consumed. Simplifying matters, we can draw a J-shaped curve to represent this negative health or environmental impact. Our current situation is on the far right of the curve, where the harm or negative impact is high and there is a sharp increase in negative impact if we move further to the right. The vegan situation is on the far left. The question is: where is the minimum of this J-curve? What level of animal consumption minimizes the negative health or environmental impact? This minimum level is the one that optimizes our health or minimizes our environmental footprint.

In the past, the optimal level of animal consumption was probably higher than zero. Farmers needed animal manure because synthetic fertilizers were absent. Consumers needed meat because other, plant-based or vegan sources of essential nutrients were lacking. And grassland and food residues could not be used for anything, except for animal agriculture.

But at this moment the situation is less clear. There is an abundance of vegan sources of essential nutrients, wrapped in healthy fibers and phytonutrients instead of unhealthy saturated fats and carcinogens. We have other options to utilize our food residues: they can be used as bio-energy, turned into fertilizer or be upcycled using new food technologies. New farming techniques such as synthetic fertilizers and green manure allow farmers to have highly productive croplands without the need for animal manure. And the near future is even more promising. New agricultural technologies allow us to keep soils fertile in a more sustainable way than with animal manure. New food technologies allow us to process inedible resources such as grass or crop residues into new delicious healthy animal-free foods. Food technologists are developing clean meat, milk and eggs without animals, and they may be able to make those products healthier than their animal counterparts by increasing the healthy and decreasing the unhealthy substances.

Technological developments result in a downward shift of our J-shaped curve, because these technologies reduce negative impacts. But also the minimum of the J-shape is shifting to the left. The J-shape becomes more like a forward slash shape (/). Eventually, the minimum level will be at zero consumption of animal products.

J-shaped curve

The logic behind this is straightforward: animal farming doesn’t allow much room for maneuver for technological improvements. It is very difficult to breed animals that grow muscle tissue that only contains healthy substances and avoids e.g. the saturated fats. It is very difficult to breed animals that produce different kinds of animal manure with different nutrient compositions, optimized for all types of agricultural crops. It is very difficult to breed animals that can eat all kinds of inedible food residues. It is very difficult to breed animals that can more efficiently turn crops into tasty food products without energy waste (crop calories turned into heat by an animal’s metabolism) and nutrient waste (crop nutrients turned into manure by an animal’s digestive system). On the other hand, new food and agricultural technologies have much more room for improvements without the need for animals in the system.

At a more general, abstract description, this is an example of a regression to the mean or regression to zero. If food and agricultural technologies develop, the minimum level can shift to the left or the right, but which of those two is more likely? When a new technology is developed, it can sometimes enhance an existing technology. For example, new crop breeding technologies allowed for the development of new herbicide tolerant crops, which promoted the use of some herbicides, an existing technology. However, new technologies can also replace existing technologies. For example, genetic manipulation allowed for the development of mold and insect resistant crops, decreasing the use of fungicides and insecticides. In most cases, new technologies replace existing technologies. The existing technologies lose their relative benefits. Of all the technologies ever invented, most became obsolete. Hence, the average benefit of a technology is zero. The same goes for technologies that have animals in the system. Cars made horse carts obsolete. Tractors made draft horses obsolete. Synthetic insulin made animal-sourced insulin obsolete. Kerosene made whale oil obsolete. The same goes for food: there are way more food production technologies possible that do not have animals in their systems, so it is more likely that one of those animal-free technologies is better for our health and the environment, making the animal-dependent technology obsolete.

Conclusion: if a vegan diet is not already the most healthy and environmentally friendly diet, it soon will be.

 

Geplaatst in Artikels, Blog, English texts | Tags: , , | Een reactie plaatsen

The integration of effective altruism focus areas

The effective altruism movement has three major focus areas: human welfare promotion, animal welfare promotion and far future catastrophic risk reduction (and a fourth, meta-level area of community building and priorities research). As I will explain, all these focus areas are important because there is a chain of interrelatedness. Working on one focus area can have negative side-effects. To counteract those negative side-effects, it is necessary to work on another focus area.

When we think about altruism, improving the well-being of currently living humans is the most well-known example. Helping humans is very tractable and is good according to almost all moral theories because we can be very confident that humans have a consciousness, humans can clearly express their needs and we have the means to make humans very happy. Especially people in extreme poverty can be helped in effective ways. Therefore, improving human health and economic development are the biggest parts of the first focus area of effective altruism. That is why most effective altruists support top charities recommended by GiveWell.

However, most humans consume animal products, and this consumption is positively correlated with economic development. For example: the diet of an average human in a developed country is responsible for the use and death of about twenty factory farm animals per year, and about one vertebrate animal per day (mostly bycatch and fish for fish meal).

The problem is: the production of animal products involves animal suffering. It is very likely that most farm animals have a negative well-being. Hence, saving the lives of humans or increasing their income levels increases animal suffering. This is the meat-eater problem of human development.

To counteract this negative side-effect of human development, we need to develop and promote plant-based, vegan or animal-free products from soy milk to clean meat. This is the first, biggest part of the second focus area of effective altruism: improving animal welfare. In other words, helping humans implies a duty to support effective animal charities, recommended by Animal Charity Evaluators.

However, vegan products have a lower ecological footprint than their animal alternatives. This means more land becomes available when we adopt vegan diets. Most humans value biodiversity for many reasons (such as instrumental value or esthetic value), so it is unlikely that this available land is turned into dead zones such as concrete deserts. It is more likely that these available land areas become natural ecosystems full of wildlife.

The problem is: it is very likely that there is a lot of suffering in nature, due to parasites, diseases, competition, predation, starvation and many other harms. It is even possible that a lot of lives of wild animals are not worth living, that those animals have a negative well-being. Hence, vegan diets might increase animal suffering in nature. This is the problem of wild animal suffering.

To counteract this negative side-effect of veganism, we need to promote scientific research how to intervene in nature to improve animal welfare. This is the second part of the second focus area of effective altruism. In other words, promoting veganism implies a duty to support organizations such as Wild-Animal Suffering Research that focuses on the well-being of wild animals.

However, it is possible that improving wild animal welfare involves using new technologies. There are a lot of wild animals, so it seems unlikely that humans will be able to fully improve animal welfare in nature. We might need assistance, most likely from artificial intelligence (AI), to monitor nature, to intervene in a safe and effective way and to calculate the possible consequences of interventions.

The problem is: developing safe AI is difficult. AI creates one of the most dangerous catastrophic risks. It is a very powerful technology that can easily be abused. And it is possible that AI-machines develop a superintelligence, that they become smarter than humans. This poses a catastrophic risk if the goals and values of these superintelligent machines are not aligned with the goals and values of organic sentient organisms such as humans and animals. This is the value alignment problem.

To counteract this negative side-effect of AI-development, improving the safety of AI becomes a priority. This is the biggest part of the third focus area of effective altruism: reducing catastrophic risks. In other words, promoting wild-animal suffering research and interventions implies a duty to support organizations such as the Machine Intelligence Research Institute and the Future of Humanity Institute.

Saving human lives also increases other catastrophic risks. More humans means higher emissions of greenhouse gases, increasing the risk of an extreme global warming. More humans means higher risks of pandemic infectious diseases, especially when those humans consume more animal products produced in factory farms that can create new zoonotic diseases. More humans means more intelligent brains that can create dangerous technologies. More humans means a stronger incentive to colonize other planets, terraforming those planets and hence increasing the risk of spreading wild animal suffering to other planets. These are all extra reasons why someone who helps humans has a duty to support work on the second and third focus areas of effective altruism.

 

Geplaatst in Artikels, Blog, English texts | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen