Factcheck VLAM promotiecampagnes voor vlees en zuivel

Het Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing (VLAM) voert regelmatig promotiecampagnes voor de Vlaamse veeteelt. De informatie in die campagnes is eenzijdig en veel formuleringen en vergelijkingen zijn erg misleidend voor consumenten. Tijd voor een factcheck van de campagnes “Vlees van bij ons” en “Melk van bij ons – De zuivele waarheid”.

Vlees van bij ons

In de campagne “Vlees van bij ons“ wordt beweerd dat Belgisch geproduceerd vlees duurzaam zou zijn. De vijf argumenten die daarvoor gebruikt worden, zijn erg misleidend.

  • 1. Broeikasgassen

De Vlaamse veeteelt draagt voor ongeveer 7% bij aan de emissies van broeikasgassen in Vlaanderen. Daaruit volgt nog niet dat vlees duurzaam is. Dat percentage is misleidend omwille van drie redenen.

Ten eerste meten de directe emissies in Vlaanderen niet de totale impact op het klimaat. De Vlaamse veeteelt importeert veel veevoeders uit het buitenland, en de CO2-emissies van de teelt en transport van die geïmporteerde veevoeders worden niet meegeteld in die 7%. In plaats van enkel te kijken naar Vlaanderen, kunnen we eens kijken naar de hele wereld. Mondiaal draagt de veeteelt voor ongeveer 16,5% bij aan de uitstoot van broeikasgassen.[1]

Ten tweede, hoeveel een sector bijdraagt aan de totale emissies zegt nog niets over de duurzaamheid van wat die sector produceert. Dat de Vlaamse veeteelt slechts 7% bijdraagt aan de broeikasgasuitstoot, heeft onder andere te maken met het feit dat Vlaanderen een grote petrochemische industrie heeft. Mocht die industrie toevallig net buiten Vlaanderen gelokaliseerd zijn, dan stijgt het aandeel van de veeteelt tot 9%. En mochten de Vlaamse woningen iets beter geïsoleerd zijn en de Vlamingen meer met elektrische wagens gaan rijden, dan stijgt dat percentage van de veeteelt nog verder. Hoe kun je dan concluderen of vlees duurzaam is?

Om te weten of een product duurzaam of klimaatvriendelijk is, moeten we het product vergelijken met gelijkaardige alternatieven. Neem de privévliegtuigen: die dragen ook maar een klein percentage bij aan de uitstoot van broeikasgassen. Maar dat maakt privévliegtuigen nog niet duurzaam. We moeten de uitstoot van een vliegtuig vergelijken met die van andere vervoerswijzen. Zo ook moeten we vlees vergelijken met vleesvervangers, zoals plantaardige eiwitbronnen. De productie van een plantaardige vleesvervanger op basis van soja heeft een broeikasgasuitstoot van 2 kg CO2-equivalenten per 100 gram eiwitten. Dat is drie keer lager dan varkens- en kippenvlees, en acht keer lager dan rundvlees.[2]

Ten derde, en dit wordt zelfs door klimaatactivisten nog onderschat: bovenstaande cijfers en percentages gaan enkel over de uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen. Maar dat is nog niet de hele klimaatimpact. Wat niet werd meegeteld, is de ‘carbon opportunity cost’: CO2 die niet wordt opgenomen. Door veeteelt verliezen we een opportuniteit of mogelijkheid om koolstof op te slaan, en dat heeft een klimaatkost. Veel landbouwgrond is geschikt voor herbebossing, en die bossen zouden veel CO2 kunnen opnemen. Maar vooral de veeteelt heeft veel behoefte aan land voor veevoeders. Door de veeteelt hebben we dus niet de mogelijkheid om tonnen CO2 op te nemen via herbebossing. En het gaat over veel tonnen. Als we mondiaal diervrije producten in plaats van dierlijke producten zouden eten, dan komen er enkele miljoenen vierkante kilometers landbouwgrond vrij die geschikt zijn voor spontane herbebossing. Die bossen kunnen 800 miljard ton CO2 opnemen.[3] Dat is meer dan de helft van alle CO2 die sinds de industriële revolutie is uitgestoten door de verbranding van fossiele brandstoffen. Een recentere schatting geeft aan dat een mondiale diervrije landbouw of veganistische voedingsproductie wel 1,7 biljoen ton CO2 uit de atmosfeer kan halen.[4] De veeteelt is het belangrijkste obstakel in een van de goedkoopste en effectiefste manieren om CO2 uit de atmosfeer te halen.

  • 2. Vrije ruimte

Een mondiale diervrije landbouw zonder veeteelt vermindert het gebruik van landbouwgrond met meer dan de helft.[5] Bij veganistische voeding komt er het meeste landbouwgrond vrij. Ja, daar zit ook schraal grasland tussen dat niet geschikt is voor akkerbouw, maar dat kan dan natuurgebied worden. De campagne vermeldt dat die graslanden belangrijke CO2-opslagplaatsen zijn. Maar als dat grasland gebruikt wordt voor productieve veeteelt, dan kan het minder CO2 opnemen en wordt er meer methaan uitgestoten door de grazende herkauwers.

De VLAM-campagne is gericht aan consumenten, maar bekijkt de situatie niet vanuit het oogpunt van de consument. Een consument kan redelijk gemakkelijk kiezen tussen een portie dierlijk vlees en een portie diervrij, plantaardig vlees. Maar ga als consument maar eens op zoek naar een portie dierlijk vlees afkomstig van veeteelt dat enkel gebruik maakt van graslanden die geen andere landbouwtoepassingen kennen en niet waardevol zijn als natuurgebied. Dat is veel moeilijker.

  • 3. Veevoeder

De campagne suggereert dat vlees niet duurzaam is omwille van de geïmporteerde veevoeders. Maar als Vlaamse boeren die veevoeders gaan telen, dan gaat de ecologische voetafdruk van de Vlaamse veeteelt wel toenemen. Dan gaan er Vlaamse bossen moeten sneuvelen, waardoor er meer CO2 in Vlaanderen uitgestoten wordt.

Wat betreft het gebruik van voedselafval als veevoeder: de cijfers over de ecologische voetafdruk van vlees en vleesvervangers houden rekening met het voedselafval dat naar de veedieren gaat. Ook hier kijkt de campagne niet vanuit het perspectief van de consument. Ga als consument maar eens op zoek naar een stuk dierlijk vlees afkomstig van veedieren die niets anders dan voedselafval te eten kregen waardoor dat vlees een lagere voetafdruk heeft dan een plantaardige vleesvervanger. Dat vlees is niet te vinden in de winkel. De campagne verzwijgt ook dat veel van dat voedselafval ook op andere manieren gevaloriseerd kan worden: als energiebron, compost of basisingrediënt in de voedselnijverheid. Sojaschroot kan bijvoorbeeld gebruikt worden voor de productie van plantaardige vleesvervangers.

  • 4. Plantaardige levensstijl

De campagne suggereert dat we kunnen twijfelen aan de duurzaamheid van een plantaardige levensstijl. Kijken we naar de belangrijkste vormen van milieu-impact, zoals de uitstoot van broeikasgassen, de vermesting en verzuring van waterlopen en natuurgebieden, en het gebruik van land, en vergelijken we gemiddelde of realistische plantaardige voedingspatronen met gemiddelde dierlijke voedingspatronen, dan scoren de plantaardige eigenlijk altijd beter. Dat blijkt uit tientallen studies van het afgelopen decennium.[6]

De campagne insinueert dat sterk bewerkte vleesvervangers minder duurzaam zijn omwille van het energieverbruik bij de bewerking. Maar dat is eenzijdig bekeken: er wordt enkel gekeken naar het brandstof- en elektriciteitsverbruik. Het energieverbruik van de veedieren wordt niet meegeteld. Er is veel zonne-energie nodig voor de veevoeders en er zijn veel veevoeders nodig voor het metabolisme van de veedieren.

Exotische groenten en fruit hebben een hogere CO2-uitstoot dan lokaal geteelde groenten en fruit, maar die voedingsproducten tellen niet als vleesvervanger. Vleeseters kunnen evengoed veel exotische groenten en fruit eten. En de CO2-uitstoot van transport draagt voor minder dan een vijfde bij aan de totale CO2-uitstoot van voeding.[7] Een klein beetje minder vlees eten vermindert de CO2-uitstoot al sterker dan volledig lokaal eten. Veganisten eten niet zoveel groenten en fruit die met vliegtuigen geïmporteerd zijn dat ze daardoor een hogere klimaatimpact hebben dan een gemiddelde vleeseter.

  • 5. Rundvlees

De campagne stelt terecht dat Braziliaans rundvlees geen duurzame keuze is, omdat die uitstoot van broeikasgassen zo hoog is in vergelijking met ander vlees. Maar volgens deze redenering is Belgisch rundvlees ook niet duurzaam, want die heeft een veel hogere klimaatimpact dan varkens- en kippenvlees, inclusief geïmporteerd kippenvlees. Dat wil niet zeggen dat varkens- en kippenvlees betere keuzes zijn dan rundvlees, want varkens- en kippenvlees kennen andere problemen op vlak van volksgezondheid en dierenwelzijn. De varkens- en pluimveeteelt verhogen risico’s op pandemische infectieziektes zoals varkens- en vogelgriep, en gaan gepaard met veel meer dierenleed.

Melk van bij ons: de zuivele waarheid

De podcastreeks “De zuivele waarheid” bevat enkele afleveringen over milieu- en dierenwelzijnsaspecten van de Vlaamse melkveeteelt. Ook hier is de informatie erg eenzijdig.

  • 1. Klimaatimpact en CO2

De podcast vermeldt dat de koolstofvoetafdruk van een liter Vlaamse koemelk ongeveer 1 kg CO2-equivalenten is. Dat is drie keer lager dan het wereldgemiddelde, dus Vlaamse (en Nederlandse) melkveeteelt is relatief klimaatvriendelijker dan buitenlandse melkveeteelt. Dat wil nog niet zeggen dat Vlaamse koemelk duurzaam en klimaatvriendelijk is, want de koolstofvoetafdruk van bijvoorbeeld sojamelk is ongeveer een derde van die van Vlaamse koemelk.[8] De meeste sojamelk heeft ongeveer dezelfde voedingswaarde als koemelk: soja-eiwit heeft dezelfde kwaliteit als melkeiwit volgens de protein digestibility-corrected amino acid score, en de meeste sojamelk in de winkel bevat evenveel calcium, vitamine D en B12 als koemelk. Dus gerekend volgens de voedingswaarde is sojamelk pakweg drie keer klimaatvriendelijker dan koemelk.

Bovendien meet de koolstofvoetafdruk van een voedingsproduct niet de hele klimaatimpact. We moeten ook rekening houden met de bovenvermelde carbon opportunity cost. Doordat melkveeteelt veel gebruik maakt van graasland dat geschikt is voor herbebossing maar niet kan bebost worden omdat er koeien op grazen, kan er door melkveeteelt minder CO2 uit de lucht gehaald worden. Als we niet enkel kijken naar de directe broeikasgasemissies van de veeteelt, maar ook rekening houden met de onmogelijk gemaakte koolstofopslag (de carbon opportunity cost), dan is de totale klimaatimpact van koemelk meer dan tien keer hoger dan die van sojamelk.[9] Ook op vlak van verzuring en vermesting (eutrofiëring) van het milieu is koemelk ongeveer 10 keer schadelijker dan sojamelk.[10] Een dergelijk groot verschil negeren, en insinueren dat koemelk toch duurzaam is, misleidt consumenten die begaan zijn met het milieu.

  • 2. Dierenwelzijn

In de podcastaflevering over dierenwelzijn worden enkele welzijnsaspecten niet besproken.

Er wordt niets gezegd over de dierziektes. Een kwart tot de helft van de melkkoeien in Vlaanderen krijgt binnen het jaar klinische melkklierontsteking[11], één op twee koeien heeft een klauwletsel[12], bijna één op drie is kreupel[13] en een op vijf krijgt een chronische baarmoederontsteking na bevalling.[14] Dergelijke cijfers zouden niet onvermeld mogen blijven in de podcast. Stel dat er een land is waar meer dan 25% van de vrouwen borstontstekingen heeft, 20% baarmoederontstekingen heeft en 30% kreupel is, wat zou je dan concluderen over de algemene gezondheidstoestand van die vrouwen? Zouden die percentages onbesproken mogen blijven in een podcast over het welzijn van vrouwen in dat land?

De intensieve productieomstandigheden in de melkveeteelt, met de snel op elkaar volgende zwangerschappen en de hoge melkproductie van een koe, zijn waarschijnlijk de oorzaken van deze hoge percentages dierziektes bij melkkoeien. Melkkoeien werden de laatste decennia genetisch geselecteerd zodat ze een ernstige lichamelijke handicap hebben: hun grote uiers produceren meer dan 20 liter melk per dag, meer dan het dubbele van 50 jaar geleden. Dat is vermoeiend. Professor diergeneeskunde John Webster vergelijkt die prestatie van de melkkoe met een mens die elke dag zes uur zou hardlopen.

Er wordt in de podcast niets gezegd over het doden van de melkkoeien. De natuurlijke levensverwachting van een koe is twintig jaar, maar ze wordt al binnen de zes jaar naar het slachthuis gebracht.

En er wordt niets gezegd over het mentaal welzijn van de moederkoe en haar kalf wanneer het kalf van haar moeder wordt gescheiden. Een melkkoe wordt elk jaar zwanger gemaakt en na de geboorte neemt men het kalfje weg van de moederkoe. Net zoals baby’s krijgen kalfjes emotionele en gezondheidsproblemen als ze op jonge leeftijd gescheiden worden van hun moeder. Recent onderzoek van professor Daniel Weary toont aan dat melkkoeien depressie en stress kunnen ervaren. Als wij depressief zijn of veel stress of pijn hebben, gaan wij pessimistischer oordelen in onzekere situaties. Dergelijk pessimisme zien we ook bij kalfjes in de veeteelt. Professor Weary leerde kalfjes aan om naar een wit scherm te lopen voor een beloning en om weg te blijven van rode schermen. Maar hoe reageren de kalfjes op roze schermen? Verwachten ze eten te krijgen in dergelijke onzekere situatie? Optimistische kalfjes zullen snel geneigd zijn naar het roze scherm te lopen. Maar kalfjes die zoals in de veeteelt weggenomen werden van de moederkoe[15], gingen pessimistischer oordelen en bleven vaker weg van de roze schermen. Deze pessimismeneiging is een aanwijzing van een negatieve gemoedstoestand bij kalfjes.


[1] Twine, R. (2021). Emissions from animal agriculture—16.5% is the new minimum figure. Sustainability13(11), 6276.

[2] Poore J. & Nemecek T. (2018). Reducing food’s environmental impacts through producers and consumers. Science 360(6392):987-992.

[3] Hayek, M. N., Harwatt, H., Ripple, W. J., & Mueller, N. D. (2021). The carbon opportunity cost of animal-sourced food production on land. Nature Sustainability, 4(1), 21-24.

Searchinger, T. D., Wirsenius, S., Beringer, T., & Dumas, P. (2018). Assessing the efficiency of changes in land use for mitigating climate change. Nature, 564(7735), 249-253.

[4] Eisen, M. B., & Brown, P. O. (2022). Rapid global phaseout of animal agriculture has the potential to stabilize greenhouse gas levels for 30 years and offset 68 percent of CO2 emissions this century. PLoS Climate, 1(2), e0000010.

[5] Aleksandrowicz L, Green R, Joy EJM, Smith P, Haines A (2016). The Impacts of Dietary Change on Greenhouse Gas Emissions, Land Use, Water Use, and Health: A Systematic Review. PLoS ONE 11(11): e0165797.

Röös, E., Bajželj, B., Smith, P., Patel, M., Little, D., & Garnett, T. (2017). Greedy or needy? Land use and climate impacts of food in 2050 under different livestock futures. Global Environmental Change, 47, 1-12.

[6] Kim, B. F., Santo, R. E., Scatterday, A. P., Fry, J. P., Synk, C. M., Cebron, S. R., … & Neff, R. A. (2020). Country-specific dietary shifts to mitigate climate and water crises. Global environmental change62, 101926.

Poore J. & Nemecek T. (2018). Reducing food’s environmental impacts through producers and consumers. Science 360(6392):987-992.

Röös, E., Bajželj, B., Smith, P., Patel, M., Little, D., & Garnett, T. (2017). Greedy or needy? Land use and climate impacts of food in 2050 under different livestock futures. Global Environmental Change47, 1-12.

Aleksandrowicz L, Green R, Joy EJM, Smith P, Haines A (2016). The Impacts of Dietary Change on Greenhouse Gas Emissions, Land Use, Water Use, and Health: A Systematic Review. PLoS ONE 11(11): e0165797.

Springmann M. e.a. (2016). Analysis and valuation of the health and climate change cobenefits of dietary change. Proc Natl Acad Sci. 113(15):4146-51.

Erb K.-H. e.a. (2016). Exploring the biophysical option space for feeding the world without deforestation. Nature Communications 7:11382 doi:10.1038/ncomms11382.

Peters, C. J., Picardy, J., Wilkins, J. L., Griffin, T. S., Fick, G. W., & Darrouzet-Nardi, A. F. (2016). Carrying capacity of US agricultural land: Ten diet scenarios. Elementa: Science of the Anthropocene4(1), 1.

Hallström, E., Carlsson-Kanyama, A., & Börjesson, P. (2015). Environmental impact of dietary change: a systematic review. Journal of Cleaner Production91, 1-11.

Van Dooren C. e.a. (2014). Exploring dietary guidelines based on ecological and nutritional values: A comparison of six dietary patterns. Food Policy 44:36–46.

Westhoek H. e.a. (2014). Food choices, health and environment: Effects of cutting Europe’s meat and dairy intake. Global Environmental Change 26:196–205.

Scarborough P. e.a. (2014). Dietary greenhouse gas emissions of meat-eaters, fish-eaters, vegetarians and vegans in the UK. Climatic Change 125:179–192.

Meier, T. e.a. (2014). Balancing virtual land imports by a shift in the diet. Using a land balance approach to assess the sustainability of food consumption.Germany as an example. Appetite 74: 20–34.

CE Delft (2012). Milieueffecten van verbeteropties voor de Nederlandse eiwitconsumptie. Delft.

Risku-Norja H. e.a. (2009). Dietary choices and greenhouse gas emissions – assessment of impact of vegetarian and organic options at national scale. Progress in Industrial Ecology 6(4):340-354.

Baroni L. e.a. (2007). Evaluating the environmental impact of various dietary patterns combined with different food production systems. European Journal of Clinical Nutrition 61:279–286.

Stehfest E. e.a. (2009). Climate benefits of changing diet. Climatic Change 95:83–102.

Stehfest E. e.a. (2008). Vleesconsumptie en klimaatbeleid. Nederlands Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).

PBL (2010). Rethinking Global Biodiversity Strategies: Exploring structural changes in production and consumption to reduce biodiversity loss. Netherlands Environmental Assessment Agency (PBL), The Hague/Bilthoven.

[7] Sandström, V., Valin, H., Krisztin, T., Havlík, P., Herrero, M., & Kastner, T. (2018). The role of trade in the greenhouse gas footprints of EU diets. Global food security19, 48-55.

Li, M., Jia, N., Lenzen, M., Malik, A., Wei, L., Jin, Y., & Raubenheimer, D. (2022). Global food-miles account for nearly 20% of total food-systems emissions. Nature Food, 1-9.

[8] Blonk Consultants (2011). Milieuanalyse van dranken in Nederland. Blonk Milieu Advies, Gouda.

[9] Searchinger, T. D., Wirsenius, S., Beringer, T., & Dumas, P. (2018). Assessing the efficiency of changes in land use for mitigating climate change. Nature, 564(7735), 249-253.

[10] Poore J. & Nemecek T. (2018). Reducing food’s environmental impacts through producers and consumers. Science 360(6392):987-992.

[11] Peeters, Y. (2014). Literatuurstudie over de behandeling van klinische uierontsteking bij melkvee. Masterproef Faculteit Diergeneeskunde Universiteit Gent

https://www.rundveeloket.be/kenniscentrum/mastitis_enquete

M-team UGent (2013). Klinische mastitis op Vlaamse melkveebedrijven. M-news, September 2013.

[12] Van Aert, Marcel (2019) De voornaamste klauwaandoeningen en ziekteverloop. https://www.rundveeloket.be/sites/default/files/inline-files/De%20voornaamse%20klauwaandoeningen%20en%20ziekteverloop.pdf

[13] Béke Nivelle, Anneleen Bulens, Els Stevens, Marcel Van Aert, Sanne Van Beirendonck, Jos Van Thielen en Bert Driessen (2017). Gezonde klauwen op stal, p82.

http://www.buitenpraktijk.ugent.be/v2/singlepages/artikelenarchief/artikelenrund/klauwproblemen.pdf

[14] https://www.virbac.nl/producten/rund/algemene-gezondheidsinformatie/vruchtbaarheidsproblemen

https://www.wakkerdier.nl/vee-industrie/dieren/melkkoeien/

[15] Daros, R.R., Cost, J.H.C., von Keyserlingk, M.A.G., Hötzel, M.J., and Weary, D.M. (2014). Separation from the Dam Causes Negative Judgement Bias in Dairy Calves. PLoS ONE 9(5): e98429.

http://journals.plos.org/plosone/article/authors?id=10.1371/journal.pone.0098429

Geplaatst in Blog | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Het ongegronde GGO-verzet van VELT

VELT, Voedsel Anders en andere Europese milieuorganisaties zijn een petitie gestart tegen het voorstel van de Europese Commissie om nieuwe genbewerkingstechnieken voor gewasveredeling minder strikt te reguleren dan de bestaande wetgeving rond genetische manipulatie. Volgens de milieuorganisaties vallen gewassen die bekomen worden met nieuwe genbewerkingstechnieken ook onder de noemer genetisch gemanipuleerde organismen (GGO’s) en moeten ze daarom net als GGO’s strenger gereguleerd worden dan gewassen bekomen met andere veredelingsmethoden.

Het verzet tegen gewassen die veredeld worden met nieuwe genbewerkingstechnieken is irrationeel, want dergelijke gewassen kunnen veel voordelen bieden op vlak van duurzame landbouw en gezonde voeding. De argumenten die VELT, Voedsel Anders en andere organisaties geven tegen GGO’s in het algemeen en nieuwe genbewerking in het bijzonder, zijn ongeldig.

Op haar website geeft VELT een definitie van GGO’s en vat ze kort samen wat de problemen met GGO’s zijn. Laten we eerst de definitie kritisch onder de loep nemen.

  • “GGO’s zijn organismen waarbij het DNA op een kunstmatige manier veranderd is. Dat leidt tot nieuwe eigenschappen van plant of dier.”

De moeilijkheid zit in het woordje “kunstmatig”. Hier volgt een greep uit de vele gewasveredelingstechnieken: introgressie, hybridisatie, homologe recombinatie, genoomverdubbeling, moleculaire merker-ondersteunde selectie, protoplast fusie, cisgenese, transgenese, insertiemutagenese, chemische mutagenese, radiatieveredeling, transposon mutagenese, TALEN-gemedieerde genoombewerking en CRISPR-Cas genoombewerking. Dit zijn gewasveredelingstechnieken die ervoor zorgen dat een plant of dier nieuwe eigenschappen verwerft. Het verwerven van nieuwe eigenschappen gaat altijd gepaard met veranderingen in het DNA van het organisme. De vraag is dan: bij welke van deze technieken wordt het DNA kunstmatig veranderd? Kun je aangeven welke van deze technieken moeten vallen onder de noemer genetische manipulatie? Welk van de bekomen gewassen moeten worden aangeduid als GGO?

Volgens mij zijn al die gewasveredelingstechnieken vormen van kunstmatige verandering van DNA. Er komen bijvoorbeeld telkens onderzoekers bij te pas die doelbewust gewassen veredelen en daarbij vaak gespecialiseerde apparatuur gebruiken in een redelijk kunstmatige omgeving zoals een laboratorium of een serre. Ze maken doorgaans gerichte keuzes over welk DNA te vermengen of te wijzigen. De natuur krijgt hier letterlijk een helpende hand. Sommige van die technieken worden door milieuorganisaties aangeduid als genetische manipulatie. Het is moeilijk te zeggen wat die genetische manipulatietechnieken met elkaar gemeen hebben en wat ze onderscheidt van de andere technieken. Het heeft waarschijnlijk iets met doelgerichtheid te maken: bij genetische manipulatie gaan onderzoekers iets doelgerichter te werk dan bij klassieke veredelingsmethoden. Die klassieke methoden zijn eerder trial-and-error. Maar het is moeilijk te bepalen wanneer iets doelgericht is.

Dus we moeten nog een stap verder nadenken over de definitie of de kenmerkende eigenschap van genetische manipulatie. Volgens de meeste, gangbare definities van genetische manipulatie vallen enkel cisgenese en transgenese (en daaronder bijvoorbeeld agrobacterium-gemedieerde recombinatie) onder genetische manipulatie. Een gangbare definitie van genetische manipulatie is bijvoorbeeld het inbrengen van soortvreemde genen op een manier die niet via klassieke kruising mogelijk is. Maar als nieuwe genbewerkingstechnieken ook onder genetische manipulatie moeten vallen, dan moeten we de definitie verbreden. We zoeken dus een definitie van genetische manipulatie waar milieuorganisaties zoals VELT zich in kunnen vinden.

Een eerste poging: alle veredelingstechnieken in ontwikkeling of in gebruik vanaf de jaren ’70 van de vorige eeuw, gelden als genetische manipulatie. Transgenese werd in de jaren ’70 ontwikkeld en is het voorbeeld van genetische manipulatie. Met deze definitie vallen de nieuwe genbewerkingstechnieken natuurlijk ook onder genetische manipulatie, wat de milieuorganisaties willen. Maar deze definitie is niet geschikt voor wetgeving, want ze bevat pure willekeur. Wat zou er zo bijzonder zijn aan de jaren ’70? Het zou wel heel toevallig zijn dat alle en alleen de technieken die later dan een bepaalde datum werden ontwikkeld, gevaarlijker of onduurzamer zijn.

Het beste wat ik kan bedenken om kunstmatigheid en genetische manipulatie te definiëren, heeft te maken met wat onderzoekers op voorhand weten, voordat ze het genoom van het veredelde gewas bekijken. Bij al die technieken weten onderzoekers op voorhand wel dat er iets in het genoom wordt gewijzigd. Maar bij veel technieken, bijvoorbeeld bij chemische mutagenese, weten ze helemaal niet wat er wordt gewijzigd. Als ze het niet op voorhand weten, is het geen genetische manipulatie. Soms, bijvoorbeeld bij hybridisatie, weten de onderzoekers wel op voorhand wat er wordt gewijzigd op chromosomaal niveau. Ook dan is er nog geen sprake van genetische manipulatie. Enkel wanneer een onderzoeker op voorhand, voor de analyse van het DNA, minstens enig idee heeft wat er op genetisch niveau wordt gewijzigd, bijvoorbeeld dat ergens in het genoom een gekend gen zit dat er eerst niet was, is er sprake van genetische manipulatie. Dan is die genetische verandering kunstmatig, kun je zeggen.

Genetische manipulatie kunnen we dan definiëren als gewasveredeling waarbij een onderzoeker zonder het DNA te hebben geanalyseerd al minstens enig idee heeft van wat er op genetisch niveau in het genoom is veranderd. Ook deze definitie is nog niet heel accuraat, maar ze slaagt er toch al redelijk goed in om het kaf van het koren te scheiden, om de genetische manipulatietechnieken (inclusief de nieuwe genbewerkingstechnieken) te onderscheiden van de andere gewasveredelingstechnieken.

Maar als we deze definitie nemen om GGO’s aan te duiden, wat is dan het probleem met GGO’s? Is het hebben van dergelijke kennis bij onderzoekers dan een goede reden om GGO’s zoveel strenger te reguleren of te verbieden? Wat heeft het hebben van dergelijke kennis bij onderzoekers, of de doelgerichtheid van de onderzoekers, of de kunstmatigheid, nu met de gezondheid of duurzaamheid van het veredelde gewas te maken?

Nieuwe genbewerkingstechnieken vallen volgens deze definitie ook onder genetische manipulatie. Maar wat is dan het verschil tussen deze nieuwe vormen en de oude vormen van genetische manipulatie? Wel, de nieuwe vormen laten geen sporen van de gebruikte veredelingstechniek na in het genoom. Stel ik geef je een nieuw veredeld gewas, ik vertel je alles over de eigenschappen van de plant en geef je het volledig in kaart gebrachte genoom, zodat je echt werkelijk alles weet over die plant. Kun je mij dan zeggen of dit nieuwe gewas bekomen werd met een nieuwe genbewerkingstechniek of met een klassieke veredelingsmethode? Nee, als ik je niet vertel hoe ik het gewas heb veredeld, ga je dat niet kunnen weten. Je kunt de veranderingen in het genoom wel zien, maar die veranderingen hadden ook tot stand kunnen komen met sommige conventionele gewasveredelingsmethoden zoals willekeurige mutagenese.

Dat heeft natuurlijk gevolgen op vlak van wetgeving. Stel Europa importeert een gewas, maar de exporteur zegt er niet bij welke veredelingsmethode werd gebruikt. Dan kunnen we niet weten of dat gewas een GGO is. Zelfs niet als we het volledige genoom analyseren. Dan kunnen we dus ook niet weten of dat gewas strenger moet gereguleerd worden.

Na de definitie is het tijd om te kijken naar de vermeende problemen van GGO’s. Hierbij geeft VELT verschillende foute of misleidende argumenten.

  • “GGO’s die gebruikt worden in de landbouw komen in de omgeving terecht. Wilde kruiden kunnen de nieuwe eigenschappen overnemen met een negatieve impact op de biodiversiteit als gevolg.”

Dit geldt voor alle veredelde gewassen die gebruikt worden in de landbouw. Veredelde gewassen hebben nieuwe eigenschappen, en wilde kruiden kunnen die eigenschappen overnemen. De impact op de biodiversiteit is dan hetzelfde als bij genetisch gemanipuleerde gewassen. Het is ongewenste willekeur om GGO’s strenger te reguleren omwille van dit probleem.

  • “Gebruik van GGO’s in de landbouw maakt het quasi onmogelijk voor biologisch boeren om GGO’s uit hun velden te houden. Ook al zaaien ze zelf geen GGO-gewassen, door de bestuiving vanuit nabijgelegen GGO’s-akkers komen GGO’s ongewenst in biologische voeding terecht.”

Dit is best een vreemd argument. Stel je bent een boer die volgens bepaalde principes aan landbouw wil doen. Je bent tegen, ik zeg maar wat, chemische mutagenese. Dus je bedrijft een productiesysteem dat het gebruik van chemische gemutageneerde gewassen of CGG’s verbiedt. Je giet dat verbod in regels voor een label “CGG-vrij”. Maar als een naburige boer wel chemisch gemutageneerde gewassen gebruikt, kunnen die gewassen via bestuiving ongewenst op jouw akkers komen. Het is quasi onmogelijk om CGG’s van je velden te houden. Is dat dan een reden voor de overheid om CGG’s te verbieden? Wat als een andere boer gekant is tegen het gebruik van introgressiegekweekte gewassen? Zo gaan we alles moeten verbieden.

  • “Op GGO-zaden zullen patenten rusten. Dat maakt eigen zaadteelt voor biologische boeren erg lastig, want ongewenste inkruising kan tot schadeclaims van de patenthouders leiden. Agrochemische bedrijven die GGO’s inzetten in de landbouw om hun winsten te verhogen op kap van gezondheid en milieu.”

Ook in de biolandbouw worden gepatenteerde zaden gebruikt. Ook op niet-GGO-zaden kunnen patenten rusten. Patenten op zaden vormen geen reden om GGO’s strenger te reguleren of verbieden. En het zijn niet de ongewenste inkruisingen die tot schadeclaims leiden, maar wel het doelbewust gebruiken (selecteren, zaaien) van gewassen die gepatenteerde eigenschappen hebben. Dus als een boer merkt dat enkele planten op zijn veld gepatenteerde eigenschappen hebben door inkruising, en die boer gaat de zaden van die planten dan doelbewust selecteren en zaaien om zo te profiteren van die gepatenteerde eigenschappen, dan kan hij een rechtszaak verwachten.   

Bij hun petitie en in hun standpunt geven VELT en Voedsel Anders enkele foute beweringen. (Voor een uitvoerige weerlegging van enkele foute beweringen, zie het joint statement van Give Genes a Chance.)

  • “Bedrijven die GGO’s maken lobbyen al jarenlang bij de Europese Commissie om nieuwe GGO’s uit te sluiten van de Europese regelgeving en verschuilen zich achter ongefundeerde uitspraken over de schijnbare voordelen van deze GGO’s, zoals duurzaamheid, verminderd pesticidengebruik en klimaatadapatie.”

Het is pijnlijk dat milieuorganisaties nog steeds beweren dat er geen verminderd pesticidengebruik is bij GGO-landbouw, want reeds in 2014 verscheen een meta-analyse volgens dewelke GGO-landbouw in vergelijking met gangbare landbouw het pesticidegebruik met 37% verminderde. Een recentere studie, die het mondiale GGO-gebruik over meer dan twee decennia bestudeerde, spreekt van een 8% daling in pesticidengebruik volgens gewicht en een 18% daling volgens ecotoxiciteit. Dus het verminderd pesticidengebruik is geen ongefundeerde uitspraak. Volgens die studies is er bij het gebruik van GGO’s minder landbouwgrond nodig en worden er minder broeikasgassen uitgestoten. En er zijn GGO’s in ontwikkeling die beter bestand zijn tegen de gevolgen van klimaatverandering. Dus ook de uitspraken over duurzaamheid en klimaatadaptatie zijn wel gefundeerd.

  • “Bovendien werd de eerste generatie GGO’s meer dan 20 jaar geleden gepromoot op basis van beweringen dat het gebruik van bestrijdingsmiddelen zou worden teruggedrongen, maar deze beloften zijn nooit nagekomen. Integendeel, zij hebben de afhankelijkheid van bestrijdingsmiddelen vergroot.”

Er zijn GGO’s zoals Bt-katoen en Bt-aubergine die zelf insecticiden aanmaken, waardoor afhankelijkheid van insecticiden (in bijvoorbeeld India en Bangladesh) verminderde.

  • “Bovendien bevindt de overgrote meerderheid van potentiële nieuwe GGO-producten zich nog in de onderzoeks- en ontwikkelingsfase en zullen zij wellicht nooit het daglicht zien.”

Dit is een vreemd argument, want hetzelfde moet natuurlijk gezegd worden van alle potentiële nieuwe producten. Als milieuorganisaties meer willen inzetten op klassieke veredeling, dan gaan er veel potentieel nieuwe veredelde gewassen nog in de onderzoeks- en ontwikkelingsfase zitten. Gewasveredeling is moeilijk en de meeste pogingen, ook die bij klassieke veredeling, mislukken. Dat die potentiële gewassen niet het daglicht zien is geen reden om alle klassieke veredeling strenger te reguleren.

  • “De ontwikkeling van nieuwe GGO’s die bestand zijn tegen abiotische stress wordt gemotiveerd als onderdeel van de strijd tegen de gevolgen van de klimaatverandering. Deze eigenschappen, waaronder bijvoorbeeld droogteresistente, zijn vaak het resultaat van een complexe interactie tussen vele genen (polygene eigenschappen), cellulaire mechanismen en het milieu. Daarom zijn conventionele veredelingstechnieken zonder GGO’s doeltreffender gebleken bij het produceren van planten met dergelijke complexe eigenschappen.”

Opnieuw een vreemd argument. Ten eerste volgt uit de complexiteit van interacties nog niet dat conventionele veredeling doeltreffender is. Ten tweede, en meer in het bijzonder: als conventionele veredeling toch doeltreffender is, waarom doen die zaadbedrijven dan nog onderzoek in de moeilijkere veredeling met genetische manipulatie? Zijn de managers en aandeelhouders van die bedrijven te dom om in te zien dat een eigenschap zoals droogteresistentie het resultaat is van complexe interacties waardoor ze geld verspillen aan ondoeltreffende veredelingsmethoden? Als onderzoek en ontwikkeling van GGO’s toch minder doeltreffend is, dan kan de milieubeweging die zaadbedrijven toch gewoon hun gang laten gaan met die genetische manipulatie? Laat ze maar doen; die zaadbedrijven worden dan uiteindelijk toch weggeconcurreerd door de bedrijven die werken met doeltreffendere conventionele veredeling. Ten derde: de petitie gaat in het bijzonder over nieuwe genbewerkingstechnieken. Die zijn alvast veel doeltreffender dan de oudere genetische manipulatietechnieken. Dus het is nog niet zo duidelijk of conventionele veredeling wel doeltreffender is dan die nieuwe genbewerkingstechnieken. Ten vierde: genetische manipulatie is minder doeltreffend gemaakt door de strengere regelgeving. Als men conventionele veredelingstechnieken even streng zou reguleren als genetische manipulatie, dan worden die ook moeilijker, duurder en minder doeltreffend.

  • “Genoombewerkingstechnieken kunnen mutaties van één stikstofbase in het DNA veroorzaken die ook in de natuur kunnen voorkomen. Maar zij kunnen ook genetische fouten veroorzaken (of-target of on-target inserties), ongeacht of vreemd DNA in het genoom van de gastheer wordt ingebracht, die in de natuur of bij conventionele kweek niet voorkomen, vooral omdat gen-editing toegang kan krijgen tot delen van het genoom die “natuurlijk” tegen mutaties beschermd zijn.”

Er zijn gewasveredelingstechnieken zoals mutagenese die niet onder genetische manipulatie vallen maar waarbij er wel overal in het genoom mutaties en genetische fouten kunnen optreden.

  • “Gebleken is echter dat de overgrote meerderheid van de studies over nieuwe GGO’s gebruik maakt van bevooroordeelde methoden om te zoeken naar off-target-effecten.”

Er wordt (door de strengere regulering) bij GGO’s tenminste nog wel gezocht naar off-target-effecten. Bij veel conventioneel veredelde gewassen, waar het aantal off-target-effecten doorgaans veel hoger is, worden helemaal geen methoden gebruikt om te zoeken naar dergelijke effecten.

  • “De Commissie beweert, net als de biotech-lobby, ten onrechte dat de nieuwe GGO’s in kwestie niet kunnen worden opgespoord […] De conventionele plantenveredelingsindustrie heeft bewezen dat de identificatie van haar plantenrassen reeds gebeurt met behulp van biochemische en moleculaire technieken.”

Diezelfde technieken kunnen ook gebruikt worden voor identificatie van nieuwe GGO-plantenrassen. Maar hier wordt identificatie verward met het kunnen opsporen van nieuwe GGO’s. Zoals hierboven aangehaald, laten nieuwe genbewerkingstechnieken geen sporen van de gebruikte techniek na in het genoom. Zelfs al breng je met biochemische en moleculaire technieken het hele genoom van een plant in kaart, dan nog kun je niet zeggen of er bij de ontwikkeling van dat gewas gebruik werd gemaakt van een nieuwe genbewerkingstechniek of van een andere veredelingstechniek zoals chemische mutagenese. In die zin kunnen nieuwe GGO’s niet worden opgespoord.

Om af te sluiten kunnen we ons nog de vraag stellen naar de zinnigheid van etikettering van GGO’s. Volgens de Europese regelgeving moeten producten die GGO’s bevatten een duidelijk zichtbaar label dragen. Voorstanders van die etikettering zeggen dat consumenten het recht hebben om te weten wat er in de producten zitten die ze kopen. Maar wat moeten consumenten dan allemaal weten? Moeten ze echt weten welke gewasveredelingstechniek werd gebruikt bij de ontwikkeling van een gewas dat gebruikt wordt als ingrediënt in een voedingsproduct? Indien ja, hoe specifiek moeten ze dat dan weten? Moeten ze weten of het genetische manipulatie was? Of moeten ze iets preciezer weten dat het cisgenese was? Of nog preciezer dat het agrobacterium-gemedieerde recombinatie betrof? Of nog preciezer welk gen gebruikt werd? Moeten consumenten nog meer weten over het wat, wanneer, waar, hoe, door wie en door wat van de gewasveredeling? En moet dan voor elk ingrediënt aangegeven worden hoe het veredeld werd? In plaats van de consumenten te informeren over de gewasveredelingstechnieken die gebruikt werden voor de ingrediënten, kan de consument beter geïnformeerd worden over de gezondheids- en milieu-impact van de ingrediënten. Die informatie kan worden samengevat in bijvoorbeeld een nutriscore en ecoscore. Dat zegt veel meer dan de gewasveredelingstechnieken. Milieuorganisaties hebben jarenlang campagnes gevoerd om GGO’s in een slecht daglicht te brengen, waardoor veel consumenten nu GGO’s associëren met slechte dingen. Als je dan GGO-producten gaat labelen, dan gaan veel consumenten die producten niet meer willen kopen. Dat is de reden waarom milieuorganisaties voor dergelijke etikettering van GGO’s zijn. Maar dat is geen correcte informatie, want die consumenten werden misleid over de schadelijkheid van GGO’s. Milieuorganisaties hadden evengoed een willekeurige andere veredelingstechniek, bijvoorbeeld chemische mutagenese, in een slecht daglicht kunnen plaatsen, en dan eisen dat producten die CGG’s bevatten gelabeld moeten worden. Dan gaan consumenten die producten vermijden, maar dat is dan geen echte keuzevrijheid, want het is geen goed geïnformeerde keuze.

Geplaatst in Artikels | Tags: , | Een reactie plaatsen

Mild welfarism: avoiding the demandingness of total(itarian) welfarism

This is a simplified explanation – without the philosophical jargon and with more concrete examples – of the moral theory that goes under the names of rights-based discounted welfarism, complaint-free discounted utilitarianism and person-affecting neutral-range utilitarianism, and a part of dual moral theory.

The demandingness of total welfarism

Welfare measures of how good a situation is for an individual. According to the moral theory of total welfarism, we should choose the option that maximizes the total welfare, i.e. the sum of the welfare levels of everyone who exists, existed or will exist. Total welfare is the objective that we have to maximize. The more welfare the world contains, the better that world is. So we value welfare, and everyone’s welfare counts equally in this theory.

Probably the biggest objection to total welfarism, is its demandingness. The theory entails huge sacrifices: we have to give away our money and resources to the poorest people until we become as miserable as the poorest person and live lives at the subsistence level, we have to donate our kidneys and other organs for transplantation until an organ shortage in the hospitals is eliminated, we have to donate blood until we become anemic, we have to have more children than we would like until an extra child gets a zero or negative welfare, we have to prioritize helping the poorest children instead of our own children, we have to sacrifice everything in order to cause the existence of huge numbers of extra people in the far future even when those extra people will have lives barely worth living, we have to help all present and future animals and other sentient beings as much as we would help our closest friends and family members, we have to perform medical experiments on our bodies to find cures for other people, we have to save and invest almost all of our income for the benefit of future generations, we have to spend most of our time figuring out how to improve total welfare, and so forth. It is clear that no-one lives according to the demands of total welfarism. This moral theory, which we can rather call totalitarian welfarism, is too counter-intuitive. Can we change this theory to avoid its demandingness?

A modified theory: mild welfarism

Why is total welfarism so demanding? Because we have to take into consideration the welfare of everyone else. If the welfare of other people matters, we may have to sacrifice ourselves to increase the welfare of others. If only we could exclude the welfare of others, we avoid the sacrificial demandingness problems of total welfarism. So what if we could say that someone else’s welfare gain doesn’t count? Of course, if I may say that your welfare doesn’t matter, than you may do the same for my welfare. Hence, what if everyone has a right to discount the welfare of other people? Discounting someone’s welfare means that that person’s welfare is not fully counted in the sum of welfare. A discounted welfare means that its value is closer to zero. A fully discounted welfare is excluded from the sum of welfare, because it gets the value zero.  

If you don’t want to make a sacrifice for a welfare gain of someone else, you can simply discount that welfare gain. Of course, in many cases, a person whose welfare is discounted by you, can reasonably object to that discounting. If your welfare is discounted, you are likely getting a lower welfare compared to the total welfarist choice for the situation that maximizes the sum of undiscounted welfare. As you do not want your welfare being discounted, we should not simply give everyone the right to discount the welfare of others. A restriction of this right is needed.

As a restriction, we can say that everyone has the right to discount the welfare of people (including oneself) as long as those discounted people cannot validly object or complain against their welfare being discounted. But what counts as a valid objection or complaint? When is a complaint invalid? The right to discount welfare always involves two parties: the person who discounts someone’s welfare and the person whose welfare is being discounted. The fact that a right involves a relationship between two individuals means that there are two ways in which a complaint becomes invalid. To check the validity of a complaint, we have to ask the question: what if either of these two individuals did not exist? Would the person whose welfare is discounted be better-off?

Suppose there are two people, An, the agent who makes a choice to benefit Ben, and Ben, the beneficiary who may be benefitted by An. And there are two possible options for An, called Sacrifice and Non-Sacrifice. In Sacrifice, An sacrifices part of her welfare for the benefit of Ben. If Sacrifice generates the highest total welfare, this option is chosen by total welfarism. To avoid this selection of Sacrifice, An discounts the welfare of Ben in option Sacrifice. The welfare of An plus the discounted welfare of Ben is lower in Sacrifice than in Non-Sacrifice.

So An chooses Non-Sacrifice, as this maximizes the total discounted welfare. In Non-Sacrifice, Ben is not benefitted. Can he complain, and is his complaint valid? Ben’s complaint is valid only if first, he exists, and second, his welfare gain could also be achieved if An did not exist. Hence, two conditions need to be satisfied: the existence of Ben is necessary and the existence of An is not necessary for Ben’s welfare gain.

If everyone has the right to discount welfare under the restriction that no-one can validly complain against the discounting, then instead of choosing the option that maximizes the total welfare, we can choose the option that maximizes the total discounted welfare. Choosing the latter option is less demanding than choosing the option that maximizes the total welfare. Hence, this modified version of total welfarism can be called ‘mild welfarism’, as it is less demanding then total welfarism.

The next two sections discuss why mild welfarism is less demanding. The two sections refer to the two conditions of validity of complaints.

The first condition becomes important in cases where our choices determine the existence of future people. If we can choose whether or not someone will exist in the future, that person is a possible person, i.e. someone who does not exist in all possible futures that we can choose. Here we enter population ethics, that studies which situation is the best when different situations contain different existing people. Which future state of the world should we choose when our choice determines who will exist in the future? How should we treat the welfare of possible or future people who may not come into existence?

The second condition relates to a right not to be abused, i.e. a right not to be used as a means against one’s will for the benefit of someone else.

Population ethics

The first condition seems trivial: if Ben does not exist, of course he cannot complain. But this condition has interesting consequences. The case becomes interesting when Ben does not exist in either Sacrifice or Non-Sacrifice. If Ben exists in only one of those two possible options, then the choice of An to sacrifice herself determines the existence of Ben. An can choose to bring Ben into existence, which means that before An decides to bring Ben into existence, Ben is a possible person: there are futures in which Ben does not exist.

Suppose An causes the existence of Ben, in the sense that she chooses the situation where Ben exists. Without An, Ben would not exist. And suppose in that situation, Ben gets a negative welfare in the sense that Ben values his life as being not worth living. Ben, when he is alive, would rather prefer not having been born. An prefers that situation, however, and to select that situation, she can discount the negative welfare of Ben. Ben does not want that and he complains. That complaint is valid, because first Ben exists, and if An did not exist, Ben would not exist and hence would not have a negative welfare. Hence, as the complaint against discounting is valid, the negative welfare of possible or future people should not be discounted. We do not have the right to discount the negative welfare of possible people who may exist in the future.

Now suppose Ben does not exist in the option Non-Sacrifice, but he exists and lives a life with a positive welfare in Sacrifice. An does not want to sacrifice herself to bring Ben into existence. So An can decide to discount the welfare of Ben in Sacrifice. That means option Non-Sacrifice is selected. Can Ben complain against his welfare being discounted? No, because in Sacrifice, Ben achieves the highest welfare, which is positive. There is no other available option where Ben would be better-off. His life is worth living, so he has no reason to complain against the selection of Sacrifice. And in the option Non-Sacrifice, Ben cannot complain because he does not exist. Hence, the positive welfare of possible or future people can be fully discounted.

If Ben has a positive welfare in option Sacrifice and does not exist in option Non-Sacrifice, then there exists no-one in option Non-Sacrifice who can say that Non-Sacrifice is a worse option than Sacrifice. In that sense, we can say that Non-Sacrifice is not worse than Sacrifice. If it is not worse, then An is allowed to choose option Non-Sacrifice.

There is an asymmetry regarding the welfare of possible people. When a possible person has a positive welfare, that welfare may be discounted, but if the welfare is negative, it should be fully included in the sum of welfares. With this asymmetry, it is always bad to bring into existence a person with a negative welfare (all else equal), but it is not always good to bring into existence a person with a positive welfare (all else equal). We have a reason not to bring into existence people with a negative welfare but do not have a reason to bring into existence people with a positive welfare. We have a duty not to bring into existence unhappy people, but no duty to bring into existence happy people. This basically means that the welfare of a possible person does not count when that welfare is positive, and does count when the welfare is negative.

With the right to discount the positive welfare of possible people, we can avoid some demandingness issues of total welfarism. For example, we do not have to give birth to more children than we would like and we do not have to sacrifice everything in order to cause the existence of huge numbers of extra people in the far future even when those extra people have lives barely worth living, with a positive but very small welfare.

This theory of mild welfarism has important implications for our consideration of future generations. Consider an existential catastrophe that kills everyone. Such a disaster is bad for the existing people who experience the catastrophe, but it is not bad for the quadrillions of non-existing future people who could have had extremely satisfying lives if the catastrophe did not occur. If we could avoid the catastrophe but choose not to, the non-existent future generations cannot complain against us letting the catastrophe occur. In the theory of mild welfarism, such an existential catastrophe is bad, but it is less bad than in the theory of total welfarism, because the latter theory includes the huge welfare loss of the non-existing future happy people.

There is a subtlety with this idea to discount the welfare of possible people. Once an option is chosen in which a possible person comes into existence, that person is no longer a possible person but becomes a real existing person. From that moment on, that person’s welfare can no longer be discounted. Once An causes the existence of Ben, An can no longer discount Ben’s welfare. It is possible that once Ben exists, An faces another choice that influences Ben’s welfare. Perhaps there is a new option available, in which Ben gains welfare at the cost of the welfare of An. This new option might have the highest total welfare (the sum of the welfare of An and Ben), so An should choose this new option. But what if the welfare of An in this new option is lower than her welfare in the situation where Ben did not exist? If An knows in advance that bringing Ben into existence results in the selection of a new optimal option in which An has a lower welfare, it would be rational for An not to bring Ben into existence in the first place. To do so, An will discount the welfare gain of Ben in that new option as well, and she will discount her own welfare gains resulting from bringing Ben into existence. Doing so, An can avoid the option to create Ben that would eventually result in the irrational selection of a suboptimal outcome for herself.

As a concrete example of the latter issue, consider happy animal farming. Is it permissible to bring into existence farm animals that are overall happy, but are prematurely killed for their meat? The human consumer who enjoys eating meat gains welfare, and the farm animal has a positive (but perhaps small) welfare. But once the farm animal is brought into existence, it also becomes possible not to kill that animal, but to take care of that animal for example at an animal sanctuary. Choosing that option, the human can no longer enjoy eating the meat of that animal, but instead has to sacrifice time and resources to help the animal at the cost of her own welfare. In the animal sanctuary option, the human may have a lower welfare than in the situation where the animal was never brought into existence. To avoid the conclusion that the human should breed many animals and give up time and resources to take care of those animals on an animal sanctuary, the human can discount the welfare gains from the animal and also her own welfare gain from eating meat. As a result, the human can select the option where the farm animals don’t exist. Neither the human nor the non-existing farm animals can complain against this choice. Hence, with this mild welfarism theory, animal farming is not permissible, not even when the farm animals would have a positive welfare (unless they would have such a high welfare that they would never complain against being used for their meat). And of course unhappy animal farming is definitely not permissible, because the farm animal has a negative welfare and is used against her will as a means to someone else’s ends. The latter brings us to cases where the second condition is violated: cases where the existence of a person (e.g. the animal) is not necessary for the welfare gain of someone else (e.g. the meat eater).

The right not to be used as a means against one’s will

There is a correspondence between the right to discount the welfare of others and the right not to be used as a means against one’s will. We can see this by considering some examples.

As a first example, suppose An and Ben are on an island and they find some food. An takes all the food. If An does not give some food to Ben, Ben will die from starvation. An can make a sacrifice by giving some food to Ben. But An wants to keep all the food for herself: no sacrifices. To justify her choice for the option Non-Sacrifice, she fully discounts the welfare gain that Ben can get by giving him some food. Ben’s welfare is discounted, and he complains. That complaint is valid, because Ben exists (first condition), and the existence of An is not necessary for Ben having access to food (second condition). On the contrary, if An did not exist, Ben could have all the food. As Ben’s complaint is valid, An is not allowed to discount Ben’s welfare and hence she should not take all the food for herself.

Another example: suppose Ben has a kidney disease and needs a kidney of An in order for him to survive. An does not want to sacrifice her kidney and discounts the welfare gain that Ben can get from an organ transplantation. Can Ben complain against this discounting? The first condition for a valid complaint is satisfied: Ben exists. But the second condition is not satisfied. Ben would die if An did not exist, because if she did not exist, there is no kidney available for transplantation to save Ben. The presence of An is necessary for the welfare gain (the survival) of Ben. It is this welfare gain that can be validly discounted by An. If An would discount this welfare gain of Ben, Ben cannot validly complain against that discounting, because Ben could not have gained that welfare in the absence of An. If Ben says to An: “You should give me your kidney”, An can respond by saying: “No, I do not have a duty to give you my kidney, because if I did not exist, you would not have my kidney either, so you would not have been better-off.” Note that such a response is not valid in the previous example of the island. If Ben says to An: “You should give me some food”, An cannot respond by saying: “No, I do not have a duty to give you food, because if I did not exist, you would not have the food either.” The fact that the existence of An is necessary for the welfare gain of Ben in the organ transplantation example, makes this example different from the island example.

To save Ben in the organ transplantation case, An has to exist. Or in other words: to choose option Sacrifice, An has to exist. If An did not exist, she cannot sacrifice herself. If in the absence (or non-existence) of An it is not possible to make Ben better-off than in option Non-Sacrifice, it means that the existence of An is necessary to improve the welfare of Ben. The welfare that Ben gains when switching from Non-Sacrifice to Sacrifice can only be achieved if An exists. When Ben could not be made better-off in the absence of An, the right of An to discount the welfare gain of Ben is valid, because Ben cannot validly complain against his welfare gain being discounted.

If the presence or existence of An is necessary for the benefit of Ben, we can say that An is a means for the benefit of Ben. If An benefits Ben, then Ben uses An as a means. A hammer is a means to hit a nail, because if the hammer did not exist, you could not hit the nail with it. If the use of An as a means involves an unwanted sacrifice of An, i.e. she does not want to get a lower welfare, then she does not want to be used as a means. In that case, using her is against her will. It is abusing her. To protect An against abuse, we can say that An has the right not to be used as a means against her will for the benefit of someone else. Or, in the example of organ transplantation, An has the right to bodily autonomy, that her body is not used as a means against her will. This right is actually a consequence of her more fundamental right to discount the welfare gains of other people if those people cannot validly complain.

More ideas follow from this fundamental right. For example the idea that ‘Do no harm’ is more important than ‘offer help’: your existence is not necessary for you not to cause harm, whereas you can only offer help if you exist. Resulting from this, doing harm is worse than allowing harm or not offering help. And when we offer help, we are allowed to be partial and prioritize those who are most dear to us, because if we have to help strangers when we prefer to help our friends or family instead, those strangers use us as merely a means.

As an example of the latter issue, consider a burning house dilemma where you can save either your child locked up in one room or two other, unknown children locked up in another room. You only have time to open one door. Total welfarism says that you should save the two unknown children. You do not want that, so you discount the welfare gains that those two children would get of you save them. The children cannot validly complain against their welfare gains being discounted, because if you did not exist, those children could not have been saved and would not have been better-off than when you decide to save your own child. So it is permissible for you to save your own child. It is permissible to be partial towards people you hold dear. You are allowed to spend your money on a birthday gift for your child instead of donating that money to a charity that saves children in a poor country.

An upper bound on the amount of discounting

Without the right to discount welfare, we have total welfarism that is too extreme in the sense of being too demanding. However, if the right to discount the welfare of people is absolute or infinite in strength, we have no duties at all to help others and we can completely neglect the positive welfare of possible or future people. This may be too extreme in the other direction. The pendulum swings too far in the opposite direction of non-demandingness.

In an intermediate position, everyone has a bounded right to discount the welfare gains of others if the discounting cannot be validly objected. The right is finite in strength. There is an upper-bound on the amount of permissible discounting. That means we do have some duty to help others if it is at a sufficiently large benefit for the beneficiaries and a sufficiently small cost of our own welfare. We do have to be altruistic (and impartial) to some degree. And we do have non-zero duties to guarantee the existence of (larger populations of) happy future generations.

With this cap on the right to discount the positive welfare of possible people, we get a neutral-range welfarism. According to this population ethical theory, we have to choose the option that maximizes the sum of everyone’s welfare, excluding the welfare values of possible people that lie in a neutral range between zero and some positive threshold level (and subtracting this threshold level from the welfare values of possible people who have a welfare above this threshold, and avoiding options to create people that eventually result in the irrational selection of suboptimal outcomes for the decision maker).

This theory of mild welfarism has a free parameter, the maximum amount of permissible discounting, that measures the maximum strength of the right to discount welfare. When the parameter is zero, we end up with total welfarism (no discounting is permissible), and when it is infinite, we end up with unbounded discounted welfarism. For a non-zero but finite parameter, we get neutral-range welfarism in population ethics: the welfare of possible people who have positive welfare levels in a neutral range between zero and some positive threshold level can be fully discounted.

So how strong is this discounting right? We can make it simple, by maximizing the autonomy of moral agents. For individual choices, moral agents or decision-makers are free to choose for themselves how high they set the bar (e.g. how high they set the threshold level in neutral-range welfarism). They can even choose different upper-bounds in different contexts, dilemmas or situations. And when it comes to collective choices, a democratic consensus procedure could be applied to determine the upper-bound on permissible discounting.

Summary

I proposed a modification of total welfarism that completely avoids the demandingness problem in a manner that causes the least amount of complaints. According to mild welfarism, we should choose the option that maximizes the sum of everyone’s validly discounted welfare. Everyone has a bounded or limited right to discount the welfare or the welfare gains of people if the welfare discounted people cannot validly complain against their welfare being discounted. The discounting is valid only if the complaints are invalid. A complaint made by a welfare discounted person is valid only if that person exists and the welfare gain of that person could also be achieved if the people who discount that person’s welfare did not exist. For individual choices, people can freely choose for themselves an upper-bound on the amount of discounting. For collective choices, this upper-bound can be decided democratically.

Geplaatst in English texts | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Avoiding the demandingness of total welfarism with rights-based discounted welfarism

The demandingness of total welfarism

According to the moral theory of total welfarism (or utilitarianism), we should choose the option that maximizes the total welfare (or utility), where total welfare is the sum of expected welfare. The sum runs over all past, present and future individuals that existed, exist or will exist in the world history of chosen option. The welfare is a measure of how good a situation is for an individual.

Probably the biggest objection to total welfarism, is its demandingness. The theory entails huge sacrifices: we have to give away our money and resources to the poorest people until we become as miserable as the poorest person and live lives at the subsistence level, we have to donate our kidneys and other organs for transplantation until an organ shortage in the hospitals is eliminated, we have to donate blood until we become anemic, we have to have more children than we would like until an extra child gets a zero or negative welfare, we have to prioritize helping the poorest children instead of our own children, we have to sacrifice everything in order to cause the existence of huge numbers of extra people in the far future even when those extra people will have lives barely worth living, we have to help all present and future animals and other sentient beings as much as we would help our closest friends and family members, we have to perform medical experiments on our bodies to find cures for other people, we have to save and invest almost all of our income for the benefit of future generations, we have to spend most of our time figuring out how to improve total welfare, and so forth. It is clear that no-one lives according to the demands of total welfarism. This moral theory is too counter-intuitive. Basically, all other proposed moral theories are attempts to avoid the demandingness of total welfarism.

A modified theory: rights-based discounted welfarism

Here I propose a modification of total welfarism that completely avoids the demandingness problem in a manner that causes the least amount of complaints. It starts with the introduction of a basic right: everyone has the right to discount the welfare of other people. Discounting someone’s welfare means that that person’s welfare is not fully counted in the sum of welfare. The discounted welfare is (in absolute terms) lower (closer to zero) than the real welfare of the person. Of course, in many cases, a person whose welfare is discounted by you, can reasonably object to that discounting. If your welfare is discounted, you are likely getting a lower welfare compared to the total welfarist situation that maximizes the sum of undiscounted welfare. As you do not want your welfare being discounted, we should not simply give everyone the right to discount the welfare of others. A restriction of this basic right is needed.

A restricted basic right is: everyone has the right to discount the welfare of people (including oneself) as long as those discounted people cannot reasonably object or complain against their welfare being discounted. But what counts as a reasonable objection or valid complaint? There are two ways in which a complaint becomes invalid, because the right to discount welfare always involves two individuals: the person who discounts someone’s welfare and the person whose welfare is being discounted. To check the validity of a complaint, we have to ask the question: what if either of these two individuals did not exist? Would the person whose welfare is discounted be better-off?

Suppose there are two people, An (the agent) and Ben (the beneficiary), and two possible options called Sacrifice and Non-Sacrifice. In Sacrifice, An sacrifices part of her welfare for the benefit of Ben. If Sacrifice generates the highest total welfare, this option is chosen by total welfarism. To avoid this selection of Sacrifice, An discounts the welfare of Ben in option Sacrifice. The welfare of An plus the discounted welfare of Ben is lower in Sacrifice than in Non-Sacrifice.

Deontological ethics

As a first case, consider a situation where An does not exist. If in this situation it is not possible to make Ben better-off than in option Non-Sacrifice, it means that the existence of An is necessary to improve the welfare of Ben. The welfare that Ben gains when switching from Non-Sacrifice to Sacrifice can only be achieved if An exists. For example, in the case of organ transplantation, where Ben needs an organ of An in order to survive, Ben would die if An did not exist. The presence of An is necessary for the welfare gain (the survival) of Ben. It is this welfare gain that can be validly discounted by An. If An would discount this welfare gain of Ben, Ben cannot reasonably complain against that discounting, because Ben could not have gained that welfare in the absence of An.

When Ben could not be made better-off in the absence of An, the right of An to discount the welfare gain of Ben is valid, because Ben cannot validly complain against his welfare gain being discounted. This case captures almost all of deontological ethics. There are many deontological principles that do not follow from and conflict with total welfarism. Consider the ‘mere means’ principle which says that we should not use someone as merely a means to someone else’s ends. Someone is used as merely a means when that person has to make an unwanted sacrifice (get a lower welfare against one’s will) and the existence and presence of that person is necessary to achieve the ends. In our example, Ben would use An as merely a means in situation Sacrifice, when An has to be present and has to make the sacrifice against her will. Related to the mere means principle is the right to bodily autonomy: An has the right that her body is not used against her will as a means for the benefit of Ben. For example, Ben may not sacrifice An to use her organs or to use her in medical experiments against her will. That also means that An does not have a duty to help Ben by donating her organs. The mere means principle also entails the deontological principle that negative duties not to harm others get priority over positive duties to help others. ‘Do no harm’ is more important than ‘offer help’, because your existence is not necessary for you not to cause harm whereas you can only offer help if you exist. Resulting from this, doing harm is worse than allowing harm or not offering help. And when we offer help, we are allowed to be partial and prioritize those who are most dear to us, because if we have to help strangers when we prefer to help our friends or family instead, those strangers use us as merely a means.

Population ethics

As a second case, consider a situation where Ben does not exist. Of course, if he does not exist, his welfare cannot be discounted because it is already zero. And Ben cannot complain against his welfare being discounted when he does not exist. This does not yet mean that our second case is trivial. The case becomes interesting when Ben does not exist in either Sacrifice or Non-Sacrifice. If Ben exists in only one of those two possible options, then the choice of An to sacrifice herself determines the existence of Ben. An can choose to bring Ben into existence, which means that before An decides to bring Ben into existence, Ben is a possible person. A possible person is a person who does not exist in all possible futures that one can choose.

Here we enter population ethics: how should we treat the welfare of possible or future people? Which situation is the best when different situations contain different existing people? Which option should we choose when our choice determines the existence of some people?

Suppose An causes the existence of Ben, in the sense that she chooses the situation where Ben exists. And suppose in that situation, Ben gets a negative welfare in the sense that Ben values his life as being not worth living. Ben, when he is alive, would rather prefer not having been born. An prefers that situation, however, and to select that situation, she can discount the negative welfare of Ben. Ben does not want that and has a valid reason to complain. Hence, the negative welfare of possible or future people cannot be discounted.

Now suppose Ben does not exist in the option Non-Sacrifice, but he exists and lives a life with a positive welfare in Sacrifice. An does not want to sacrifice herself to bring Ben into existence. So An can decide to discount the welfare of Ben in Sacrifice. That means option Non-Sacrifice is selected. Can Ben complain against his welfare being discounted? No, because in Sacrifice, Ben achieves the highest welfare, which is positive. There is no other available option where Ben would be better-off. His life is worth living, so he has no reason to complain against the selection of Sacrifice. And in the option Non-Sacrifice, Ben cannot complain because he does not exist. Hence, the positive welfare of possible or future people can be fully discounted.

In population ethics, this conclusion is known as the asymmetric person-affecting view. The person-affecting view says that a situation can only be better (or worse) than another situation, if it is better (or worse) for at least some person who exists in both situations. This basically means that the welfare of a possible person, who does not exist in both situations, does not count. The asymmetry adds a restriction to this person-affecting view. It says that it is always bad to bring into existence a person with a negative welfare (all else equal), but it is not always good to bring into existence a person with a positive welfare (all else equal). We have a reason not to bring into existence people with a negative welfare but do not have a reason to bring into existence people with a positive welfare. We have a duty not to bring into existence unhappy people, but no duty to bring into existence happy people. This basically means that the welfare of a possible person does not count when that welfare is positive, and does count when the welfare is negative.

With the asymmetric person-affecting view, some demandingness issues of total welfarism are avoided. For example, we do not have to give birth to more children than we would like and we do not have to sacrifice everything in order to cause the existence of huge numbers of extra people in the far future even when those extra people have lives barely worth living, with a positive but very small welfare.

This theory of discounted welfarism, with its asymmetric person-affecting view, has important implications for our consideration of future generations. Consider an existential catastrophe that kills everyone. Such a disaster is bad for the persons who experience the catastrophe, but according to the person-affecting view, it is not bad for the quadrillions of non-existing future people who could have had extremely satisfying lives if the catastrophe did not occur. In the theory of discounted welfarism, such an existential catastrophe is bad, but it is less bad than in the theory of total welfarism, because the latter theory includes the huge welfare loss of the non-existing future happy people.

There is a subtlety with this idea to discount the welfare of possible people. Once an option is chosen in which a possible person comes into existence, that person is no longer a possible person but becomes a real existing person. From that moment on, that person’s welfare can no longer be discounted. Once An causes the existence of Ben, An can no longer discount Ben’s welfare. It is possible that once Ben exists, An faces another choice that influences Ben’s welfare. Perhaps there is a new option available, in which Ben gains welfare at the cost of the welfare of An. This new option might have the highest total welfare (the sum of the welfare of An and Ben), so An should choose this new option. But what if the welfare of An in this new option is lower than her welfare in the situation where Ben did not exist? If An knows in advance that bringing Ben into existence results in the selection of a new optimal option in which An has a lower welfare, it would be rational for An not to bring Ben into existence in the first place. To do so, An will discount the welfare gain of Ben in that new option as well, and she will discount her own welfare gains resulting from bringing Ben into existence. Doing so, An can avoid the option to create Ben that would eventually result in the irrational selection of a suboptimal outcome for herself.

As a concrete example of the latter issue, consider happy animal farming. Is it permissible to bring into existence farm animals that are overall happy, but are prematurely killed for their meat? The human consumer who enjoys eating meat gains welfare, and the farm animal has a positive (but perhaps small) welfare. But once the farm animal is brought into existence, it is also possible not to kill that animal, but to take care of that animal for example at an animal sanctuary. Now the human can no longer enjoy eating the meat of that animal, but instead has to give up time and resources to help the animal at the cost of her own welfare. In the animal sanctuary option, the human may have a lower welfare than in the situation where the animal was never brought into existence. To avoid the conclusion that the human should breed many animals and sacrifice time and resources to take care of those animals on an animal sanctuary, the human can discount the welfare gains from the animal and also her own welfare gain from eating meat. As a result, the human can select the option where the farm animals don’t exist. Neither the human nor the non-existing farm animals can complain against this choice. Hence, with this discounted welfarism theory, animal farming is not permissible. And unhappy animal farming is definitely not permissible, because the farm animal has a negative welfare and is used as merely a means to someone else’s ends.

A bounded basic right to discount welfare

Without the basic right to discount welfare, we have total welfarism that is too extreme in the sense of being too demanding. However, if the basic right to discount the welfare of people is absolute or infinite in strength, we have no duties at all to help others and we can completely neglect the positive welfare of possible or future people. This may be too extreme in the other direction. The pendulum swings too far in the opposite direction of non-demandingness.

In an intermediate position, everyone has a bounded right to discount the welfare gains of others if the discounting cannot be reasonably objected. The right is finite in strength. There is an upper-bound on the amount of permissible discounting. That means we do have positive duties to help others if it is at a sufficiently large benefit for the beneficiaries and a sufficiently small cost of our own welfare. We do have to be altruistic (and impartial) to some degree. And we do have non-zero duties to guarantee the existence of (larger populations of) happy future generations.

With this cap on the basic right to discount the positive welfare of possible people, the asymmetric person-affecting population ethical theory turns into a neutral-range welfarist theory. According to neutral-range welfarism, we have to choose the option that maximizes the sum of everyone’s welfare, excluding the welfare of possible people that lies in a neutral range between zero and some positive threshold level (and subtracting this threshold level from the welfare of possible people who have a welfare above this threshold, and avoiding options to create people that eventually result in the irrational selection of suboptimal outcomes for the decision maker).

The theory of discounted welfarism has a free parameter, the maximum amount of discounting, that measures the maximum strength of the basic right to discount welfare. When the parameter is zero, we end up with total welfarism (no discounting is permissible), and when it is infinite, we end up with unbounded discounted welfarism with its asymmetric person-affecting population ethics. For a non-zero but finite parameter, we get neutral-range welfarism in population ethics.

So how strong is this basic right? We can make it simple, by maximizing the autonomy of moral agents. For individual choices, moral agents or decision-makers are free to choose for themselves how high they set the bar (e.g. how high they set the threshold level in neutral-range welfarism). They can even choose different upper-bounds in different contexts or situations. And when it comes to collective choices, a democratic consensus procedure could be applied to determine the strength of the basic right.

Summary

According to discounted welfarism, we should choose the option that maximizes the sum of everyone’s discounted welfare. Everyone has a bounded or limited right to discount the welfare or the welfare gains of people if the welfare discounted people cannot reasonably object or validly complain against their welfare being discounted. A complaint of a welfare discounted person is valid only if that person exists and the welfare gain of that person could be achieved if the people who discount that person’s welfare did not exist. For individual choices, people can freely choose for themselves an upper-bound on the amount of discounting. For collective choices, this upper-bound can be decided democratically.

Geplaatst in English texts | Tags: , , , | 1 reactie

Schadelijkheid van goedbedoelde acties

Dit artikel verscheen ook in het SKEPP-magazine Wonder en is gheen Wonder 2, 2022.

Sociale rechtvaardigheid, ecologische duurzaamheid, dierenwelzijn. Dat zijn de waarden waarvoor ik me zowat twintig jaar geleden begon in te zetten. Van manifestaties voor mensenrechten tot petities voor dierenrechten. Van lezingen over duurzame voeding tot studiewerk over de ecologische voetafdruk. Van vrijwilligerswerk voor ontwikkeling in Afrika tot directe acties tegen walvisjacht in Antarctica. Na jaren van actievoeren, vroeg ik me af: “Wat waren nu de effectiefste acties, goede doelen en maatregelen die ik steunde?”

Zo kwam ik in contact met de effectief-altruïsmebeweging: een groep van kritisch denkende wereldverbeteraars die met grondige analyses en wetenschappelijk bewijs op zoek gaan naar de beste maatregelen om goed te doen in de wereld. Het altruïsme verwijst naar het helpen van anderen. Daar zijn activisten mee vertrouwd. Maar ik besefte dat veel van mijn activisme helemaal niet zo effectief was. Dat veroorzaakte een ware revolutie in mijn denken. Ik ben de afgelopen jaren op vele vlakken van mening veranderd.

Hier volgen een tiental voorbeelden van acties die ik deed voor menselijke ontwikkeling, milieu en dierenwelzijn, waarvan de kans groot is dat ze niet enkel ineffectief, maar zelfs contraproductief waren. Het zijn goedbedoelde acties die misschien wel meer kwaad dan goed kunnen doen. Ze tonen aan dat wereldverbeteraars er goed aan doen om kritisch te denken en te luisteren naar wetenschappelijk onderzoek in plaats van buikgevoelens. Voor een uitgebreider overzicht, met verwijzingen naar wetenschappelijke literatuur, zie “My mistakes and failures”.

Fondsenwerven voor een mediaan goed doel

Een vrij recent, revolutionair inzicht binnen het effectief altruïsme, is dat een kleine minderheid van maatregelen veel effectiever blijkt te zijn dan de grote meerderheid. De meeste goede doelen en acties hebben weinig positieve impact, sommige kunnen zelfs negatief zijn, maar een kleine minderheid is supereffectief. Dan gaat het al gauw over tien tot duizend keer effectiever. Alsof de bevolking bestaat uit allemaal dwergen en een paar superreuzen. Bijvoorbeeld, met het geld nodig om een blinde een tiental jaar te helpen met een blindengeleide hond, kunnen we chirurgen betalen om in arme landen een duizendtal goedkope ingrepen tegen ooglidinfecties uit te voeren, waardoor een duizendtal kinderen niet meer langzaamaan blind worden.

Je mag zeker nog veel geld geven om een blinde te helpen als je met die persoon een persoonlijke band hebt. Effectief altruïsme is zeker niet tegen partijdig altruïsme waarbij hulp gebonden is aan een interpersoonlijke band. Dergelijk altruïsme is niet irrationeel. Maar een effectief altruïst heeft ook een potje van geld, tijd of middelen ter beschikking voor onpartijdig altruïsme, waarbij effectiviteit cruciaal is. Kiezen voor de maatregel die minder goeds oplevert, is dan irrationeel.

Ik heb in het verleden geld ingezameld voor verschillende goede doelen. Doordat ik toen weinig oog had voor effectiviteit, zou het best kunnen dat ik in sommige gevallen meer kwaad dan goed deed, ondanks mijn goedbedoelde inzet. Rangschik alle goede doelen van lage naar hoge effectiviteit. Het zou best kunnen dat een van de goede doelen waar ik me voor inzette ergens in de middenmoot behoort, dus met een mediaan effectiviteit. Doordat de meeste goede doelen een lage effectiviteit hebben die rond de mediaan zit, maar een kleine minderheid een zeer hoge effectiviteit hebben, is de gemiddelde effectiviteit hoger dan de mediaan effectiviteit. Dat zien we ook bij een scheve inkomensverdeling: de meeste mensen hebben een inkomen ver onder het gemiddelde inkomen, omdat een kleine minderheid van superrijken het gemiddelde inkomen omhoog trekt. Als ik op straat mensen aansprak om geld te doneren aan een goed doel, dan gaan mensen misschien ietsje meer geld doneren aan goede doelen, maar ze gaan vooral verschuiven tussen goede doelen. Ze gaan meer aan mijn goede doel doneren en minder aan andere. Maar die verzameling van andere goede doelen heeft een gemiddelde effectiviteit, en die is hoger dan de effectiviteit van mijn mediaan goed doel. Dus globaal genomen komt dat geld dan terecht bij goede doelen met een lagere effectiviteit. We eindigen met een wereld waarin minder goeds wordt gedaan dan de wereld waarin ik me helemaal niet inzette voor dat mediaan goed doel. Fondsenwerven voor een goed doel kan dus soms meer kwaad dan goed doen. Dergelijke contra-intuïtieve conclusies komen we vaak tegen binnen het effectief altruïsme. Dus als je geld inzamelt voor een goed doel, denk dan goed na of dat goede doel een effectiviteit heeft hoger dan het gemiddelde. En wees je ervan bewust dat er organisaties zijn die met eenzelfde bedrag dat ze van je krijgen, misschien wel honderd keer meer goeds realiseren. Hoeveel zou je willen betalen om te weten te komen wat die supereffectieve goede doelen zijn? Hoe waardevol is die informatie over de effectiviteit van goede doelen?

Fair-trade

Ik kocht vroeger veel fair-trade producten. Maar toen ik me verdiepte in de economie, kwam ik tot nieuwe inzichten. Minder dan een vijfde van het fair-trade premium (de meerkost die we als consument betalen voor een product van eerlijke handel) komt terecht bij de boeren. De rest komt terecht bij mensen die niet zo heel arm zijn. Die boeren zijn ook niet de allerarmste mensen, want ze hebben grond en ze kunnen een duur een fair-tradelabel betalen. Vanuit rechtvaardigheidsoogpunt is het beter als geld gaat naar de armsten. Om het nog erger te maken: als de fair-tradeboeren extra geld krijgen voor hun producten, bovenop de vrije-marktprijs, dan kan dat leiden tot overproductie. De armere niet-fair-tradeboeren gaan dan de prijzen van hun producten moeten drukken, waardoor ze nog lagere inkomens krijgen. Dit is duidelijk niet de effectiefste manier om extreme armoede te bestrijden.

In de plaats van fair-trade, koop ik nu de goedkoopste producten, en het uitgespaarde geld – dat al gauw oploopt tot enkele honderden euro’s per jaar – geef ik aan goede doelen aanbevolen door GiveWell. Dat zijn de effectiefste goede doelen om extreme armoede uit te roeien. GiveWell wordt hoog aangeschreven binnen het effectief altruïsme omdat ze zich zo sterk baseert op wetenschappelijk onderzoek, van randomized controlled trials tot meta-analyses. GiveWell heeft voor ons het studiewerk verricht en heeft enkele supereffectieve goede doelen gevonden.

Antiglobalisering en sweatshopboycots

Mijn activisme begon bij de antiglobaliseringsbetogingen zo’n twintig jaar geleden. Ik voerde actie tegen het mondiale kapitalistische systeem van vrije handel. Ik boycotte vele multinationals en kocht geen producten gemaakt in sweatshops in het Zuiden. Maar dergelijke boycots kunnen averechts werken. Als niemand nog zulke producten koopt, dan gaan sweatshops de deuren sluiten, dan gaan multinationals niet meer investeren in fabrieken in arme landen. Wat gebeurt er dan met die lokale arbeiders die hun job verliezen? Die worden ofwel werkloos (zonder sociaal opvangnet), of ze moeten noodgedwongen gaan werken in bijvoorbeeld de landbouw, mijnbouw of prostitutie. Dat zijn sectoren met slechtere arbeidsomstandigheden, want als die arbeidsomstandigheden beter waren geweest, dan besloten die mensen wel om in die sectoren te gaan werken. Een boycot kan dus meer kwaad dan goed doen (met uitzondering de boycot van producten gemaakt met slavernij, want slaven worden gedwongen tot werk in slechte omstandigheden en zijn er wel beter af wanneer ze dat slavenwerk niet meer kunnen doen). Er is een consensus bij economen dat mondiale vrije handel een sociale welvaartswinst oplevert doordat het wederzijds voordelige handelstransacties oplevert waar alle partijen baat bij hebben.

In plaats van me te verzetten tegen de kapitalistische globalisering, pleit ik nu voor een andere vorm van economische vrijheid: vrije internationale migratie. Door het effectief altruïsme ben ik economie gaan studeren, omdat de economische wetenschap zich sterk bezighoudt met effectiviteit van maatregelen. Zo heb ik economisch onderzoek gedaan naar vrije migratie, samengevat in mijn boek Open Grenzen. Arme landen hebben gebrekkige instituties (economische spelregels). Door een gebrekkig rechtssysteem (denk aan contractrecht, eigendomsrecht, kwaliteitsstandaarden,…) is er minder vertrouwen en dus minder productiviteit in die economie. Mochten wij verhuizen naar een arm land, dan zou onze arbeidsproductiviteit er veel lager zijn, zelfs als we de lokale taal perfect machtig zijn. Ons loon zou er gemiddeld vier keer lager liggen, voor gelijkaardig werk. Een beleid van gesloten grenzen betekent dat mensen niet mogen migreren naar de plaatsen waar hun arbeid het productiefst is. Die grenzen veroorzaken een enorme mondiale loonkloof van 75%, en een verlies van productiviteit. Bij vrije migratie kan het bruto mondiaal product (het totale wereldinkomen) verdubbelen. De mensheid wordt dan dubbel zo rijk. Het mondiaal jaarinkomen stijgt met 30.000 euro per migrant die toegelaten wordt op de arbeidsmarkt in een hoog-inkomensland. Vrije migratie is daarmee de effectiefste maatregel om extreme armoede uit te roeien en mondiale inkomensongelijkheid te verkleinen.

GGO-verbod

Laten we naar het milieu-activisme gaan. Toen ik begon na te denken over de effectiviteit van mijn acties, was mijn verzet tegen genetisch gemanipuleerde gewassen (GGO’s) het eerste sterke voorbeeld waarvan ik van mening ben veranderd (en waarvoor ik in 2016 de Zesde Vijs Skepp-prijs ontving). Ik trok op onderzoek uit, en mijn argumenten tegen genetische manipulatie smolten als sneeuw voor de zon. Er bleek namelijk een duidelijke wetenschappelijke consensus te zijn dat GGO’s veilig en doeltreffend zijn. Een meta-analyse gaf aan dat GGO-landbouw resulteerde in 37% lager pesticidengebruik, 20% lager landgebruik (door hogere opbrengsten) en bijna 70% hogere inkomens voor de (veelal armere) boeren. GGO’s bieden veel potentieel in termen van resistentie (tegen ziektes, overstromingen, droogtes, insecten,…), bodemvruchtbaarheid, biodiversiteit, voedingswaarde en houdbaarheid. De huidige overdadig strenge regelgeving rond GGO’s – die er kwam onder druk van de milieubeweging – zet een rem op innovaties van levensreddende gewassen (denk aan gouden rijst) en versterkt de monopoliemacht van grote zaadmultinationals.

Biovoeding

Vroeger kocht ik veel producten van biologische landbouw. Maar ook biovoeding is een irrationeel kantje van de milieubeweging. Meerdere meta-analyses geven aan dat biovoeding (per kilogram product) een hogere ecologische voetafdruk (landgebruik door lagere opbrengsten) en een hogere stikstofvoetafdruk (vermestings- en verzuringsgraad) heeft. De Environmental Impact Quotient van pesticiden toegelaten in de biolandbouw is soms hoger dan van synthetische pesticiden. Op velden met genetisch gemanipuleerde gewassen die Bt-insectengif (een biologische pesticide) aanmaken is er vaak een hogere biodiversiteit van onschadelijke ongewervelde dieren dan op biolandbouwvelden waar Bt-insectengif gebruikt wordt. Al bij al heeft biolandbouw mogelijks een hogere impact op de biodiversiteit. En er zijn geen duidelijke gezondheidsvoordelen voor de consument. Biovoeding is wel 30% duurder. Die meerkost is pakweg tien keer hoger dan de externe milieukosten van niet-biologische voeding die niet in de prijs verrekend zijn, en veel hoger dan de gemiddelde betalingsbereidheid om gezondheidsrisico’s van pesticidenresidu’s te verminderen. De giftigheid van pesticidenresidu’s in gangbare voeding is lager dan van de consumptie van een alcoholische drank om de paar jaar. Mochten consumenten rationeel hun gezondheidsrisico’s inschatten, dan zouden ze niet zoveel extra geld neerleggen voor biovoeding die niet bepaald gezonder is. Biovoeding kan hogere niveaus van giftige mycotoxines bevatten, omwille van een minder effectieve schimmelbestrijding. En voor de armste landen in Afrika is biolandbouw (onder de noemer agro-ecologie of conservatielandbouw) ook geen oplossing: volgens een meta-analyse biedt het geen verbetering op vlak van voedselproductiviteit, voedselzekerheid en gendergelijkheid van boeren.

In plaats van biovoeding, kies ik voor plantaardige (veganistische) voeding. Veganisme is duidelijk veruit de effectiefste maatregel voor duurzame voeding: de totale mondiale broeikasgasemissie daalt met 10%, landgebruik met 50%, vermesting en verzuring met 25%, pesticidengebruik met 10%, biodiversiteitsverlies met 50%, antibioticagebruik met 75%, nieuwe infectieziektes (zoönoses zoals vogelgriep) met 15%, luchtvervuiling met 13%, voedselveiligheidsrisico’s (bv. bacteriële contaminatie) met 40%, arbeidsongevallen met 3% en antropogeen (door mensen veroorzaakt) dierenleed met 99%. Geen enkele andere persoonlijke gedragsmaatregel biedt zoveel winsten op zoveel vlakken.

Door te kiezen voor goedkopere niet-biovoeding in plaats van bio, spaar ik jaarlijks meer dan 500 euro uit. Dat geld doneer ik aan organisaties die technologische innovatie van diervrije voeding (alternatieve eiwitten of clean protein) versnellen, zoals het Good Food Institute, New Harvest, Clean Research, Modern Agriculture Foundation en Cellular Agriculture Society. Deze organisaties focussen op onderzoek en ontwikkeling van cellulaire landbouw voor de productie van celkweekvlees, en fermentatielandbouw voor de productie van melk zonder koe en ei zonder kip. Op die manier wordt een diervrije voeding voor iedereen makkelijker haalbaar.

Glyfosaatverbod

Stickers met doodskoppen plakken op Roundup-producten, een goed idee? Met deze actie voerde ik met de milieubeweging campagne voor een verbod op glyfosaat, het ingrediënt van de onkruidverdelger Roundup. Glyfosaat wordt geviseerd, omdat het de meest gebruikte herbicide is. Maar nu blijkt glyfosaat een van de veiligste herbiciden te zijn. Andere herbiciden zijn al snel honderd tot duizend keer giftiger. Dus als glyfosaat in de landbouw verboden wordt, dan mogen landbouwers echt niet overschakelen – zelfs niet een klein beetje – op andere herbiciden. Als ze in de plaats van glyfosaat slechts een tikkeltje andere herbiciden gebruiken, neemt de vergiftiging van het milieu toe. Dus we moeten eerst de giftigere herbiciden volledig bannen. En andere vormen van onkruidbestrijding (afbranden, ploegen,…) hebben ook een negatieve milieu-impact. Mocht glyfosaat wereldwijd verboden worden, dan daalt het jaarinkomen van boeren met 7 miljard dollar, stijgt de milieu-impactquotiënt van herbiciden met 12%, de jaarlijkse CO2-uitstoot met 2,6 miljoen ton, en is er bijna 800.000 hectare landbouwgrond extra nodig.

In plaats van acties voor het verbieden van glyfosaat kunnen we beter werk maken van verticale landbouw (indoor farming). Bij dergelijke voedselproductie hebben we geen problemen meer met onkruid, en ook niet met insectenvraat, extreme weersfenomenen, bodemerosie, landgebruik en watergebruik. Dat is dus veel milieuvriendelijker, en het effectiefste om pesticidengebruik te verminderen. Daarom steun ik nu de Association for Vertical Farming, om onderzoek en ontwikkeling van verticale landbouw te versnellen. Helaas zie ik binnen de milieubeweging redelijk wat weerstand tegen verticale landbouw, wat net zo irrationeel is als hun weerstand tegen GGO’s.

Kernuitstap

Kernenergie kan niet ontbreken in het lijstje van irrationele milieucampagnes. Ik ben verschillende keren gearresteerd geweest voor blokkadeacties aan kerncentrales. Maar het afstappen van kernenergie doet waarschijnlijk meer kwaad dan goed. Kijken we naar het aantal doden door ongevallen en vervuiling, of de naar de CO2-uitstoot, per kilowattuur opgewekte elektriciteit, dan blijkt dat kernenergie vergelijkbaar is met hernieuwbare energie (wind- en zonne-energie) en 10 tot 1000 keer veiliger en klimaatvriendelijker is dan fossiele energie (gas en steenkool). Met andere woorden: als we van kernenergie afstappen, dan mag niet meer dan een paar procent van die energie vervangen worden door fossiele energie, of er vallen meer doden en er is meer klimaatverandering. Meer dan 90% van de kernenergie zou moeten vervangen worden door hernieuwbare energie. Dat is erg onwaarschijnlijk. Vandaar dat de meerderheid van wetenschappers voorstander is van het behouden van kernenergie en het bouwen van meer kerncentrales. Een ander voorbeeld van een contraproductieve maatregel, was de evacuatie van Fukushima na de kernramp door een tsunami. In vergelijking met de situatie dat de bevolking thuis bleef wonen, leidde die evacuatie tot naar schatting 1600 extra vroegtijdige overlijdens de eerste drie jaren na de ramp. En het sluiten van de Japanse kerncentrales na die ramp leidde mogelijks tot 20.000 extra doden, door de hogere energieprijzen in de winter (sterftes door de kou) en de hogere luchtvervuiling door steenkoolcentrales.

Kunststofban

Milieubewuste consumenten proberen zoveel mogelijk plastic te vermijden, en verkiezen natuurlijke materialen. Maar de milieu-impact (in termen van landgebruik, toxiciteit en broeikasgasuitstoot) van katoen is telkens hoger dan van kunststofvezels. En dierlijke producten (wol, bont en leder) zijn nog schadelijker. Volgens levenscyclusanalyses zijn glazen flessen meer dan dubbel zo slecht als plastic flessen. En plastic (wegwerp)zakken vervangen door papieren (wegwerp)zakken doet meer kwaad dan goed, want de milieu-impact van papier is groter. Een herbruikbare plastic boodschappentas is ook pakweg honderd keer beter dan een katoenen boodschappentas. In plaats van campagnes tegen plastic te voeren, kunnen milieu-activisten beter zwerfvuil verzamelen of meedoen met een beach clean actie. 

Palmolieboycot

Op een pot chocopasta in de biowinkel staat “palm oil free”. Palmolie wordt geassocieerd met ontbossing in Zuidoost Azië, het leefgebied van de orang-oetan. Onduurzame palmolie, waarvoor biodiverse wouden en veenmoerassen worden afgebrand, is inderdaad heel slecht voor het klimaat en de biodiversiteit. Maar dat is nog geen reden om alle palmolie te boycotten. Want duurzame palmolie is zowat de milieuvriendelijkste olie, omdat die de hoogste opbrengsten heeft. Die biologische chocopasta bevat bijvoorbeeld zonnebloemolie in de plaats van palmolie, en zonnebloemolie heeft een hogere ecologische voetafdruk door de lagere opbrengsten. Als we massaal palmolie vermijden en evenveel oliën blijven consumeren, dan hebben we veel meer land nodig. Maïsolie en duurzame palmolie hebben de laagste voetafdruk, maar zijn niet zo gezond. Lijnzaadolie is de gezondste olie, maar zoek je een olie die zowel voor het milieu als je gezondheid goed scoort, dan kan ik je koolzaadolie aanraden. Dierlijke vetten zoals boter zijn het sterkst af te raden, want die scoren het slechtste op zowel milieu als gezondheid.

Ovovegetarische producten

Laten we tot slot kijken naar enkele contraproductieve maatregelen op vlak van dierenwelzijn. Om dierenleed te verminderen, verving ik vlees door vegetarische vleesvervangers. Dat is meestal effectief, behalve in een geval: ik heb in het verleden rood vlees (rund- en varkensvlees) vervangen door ovovegetarische producten die kippenei-eiwit bevatten. Nu kunnen we het aantal uren leed uitrekenen die veedieren moeten ondergaan voor de productie van een portie (100 gram) van een dierlijk product. Voor een portie rood vlees moeten runderen en varkens ongeveer vijf uur negatieve ervaringen ondergaan die je je hond of kat niet zou toewensen. Maar de productie van een ovovegetarische vleesvervanger met kippenei-eiwit gaat al gauw gepaard met dubbel zoveel leed: pakweg tien uur leed per portie. Dat komt omdat er veel eieren nodig zijn voor dat eiwit, en legkippen in de gangbare pluimveeteelt ondergaan veel leed. Mensen die bezorgd zijn om dierenleed doen er goed aan om veganistische vleesvervangers te kiezen in plaats van vegetarische.

Omdat rood vlees een slechtere reputatie heeft dan kippenvlees op vlak van zowel het milieu als de gezondheid, gaan milieubewuste consumenten rood vlees vervangen door kip. Helaas, daardoor stijgt het dierenleed heel sterk. Voor de productie van een portie kippenvlees of eieren, moeten kippen in de pluimveeteelt wel twee dagen afzien, dus tien keer langer dan voor een even grote portie rood vlees of kaas. Het is moeilijk om het leed van een kip te vergelijken met dat van een mens, maar volgens zowat alle schattingen neemt het totale leed op aarde toe als rood vlees wordt vervangen door kippenvlees. Tenzij je gelooft dat kippen zowat gevoelloos zijn, telt het extra leed van de kippen in de pluimveeteelt zwaarder door dan het extra leed van mensen ten gevolge van de extra klimaatverandering en ziektes door de consumptie van rood vlees. En de risico’s op zoönotische infectieziektes, zoals vogelgriep, neemt ook sterk toe als mensen meer kippenvlees en eieren gaan eten. Met andere woorden: wil je dierenleed of volksgezondheidsrisico’s van infectieziektes verminderen, dan is minder kippenvlees en eieren kopen pakweg tien keer effectiever dan minder rund- en varkensvlees kopen. Een beetje minder kippenvlees en eieren kopen bespaart al meer dierenleed dan het schrappen van alle rood vlees en kaas van je menu.

Roofdieren

Omwille van mijn bekommernis voor dierenwelzijn heb ik jarenlang vrijwilligerswerk gedaan in een opvangcentrum voor wilde dieren. Daar heb ik ook roofdieren verzorgd, eten gegeven en vrijgelaten in de natuur. Maar het is allesbehalve duidelijk of dat wel ten goede kwam aan het totale dierenwelzijn in de wereld. Want een roofdier doodt en eet al gauw meerdere prooien. Ik heb levende muizen gevoederd aan een uil. Ik redde dan een dier, waarna meerdere dieren gedood worden. Soms zijn die prooidieren zelf ook carnivoren of omnivoren die andere dieren doden, dus het wordt heel ingewikkeld om uit te rekenen hoeveel dieren er gered dan wel gedood worden bij het vrijlaten van een roofdier. We zien ook dat dierenliefhebbers het meeste geld doneren aan honden- en kattenasielen. Dat zijn ook vleeseters, dus voor die honden en katten moeten dan weer veel andere dieren gedood worden.

In plaats van zomaar wat wilde dieren te helpen, verkies ik nu om eerst wat meer wetenschappelijk onderzoek te steunen naar veilige en effectieve maatregelen om het welzijn van alle wilde dieren – zowel roofdieren als prooidieren – te bevorderen. Daarom steun ik Wild Animal Initiative, een organisatie die wetenschappelijk onderzoek doet in welzijnsbiologie (welfare biology), een nieuwe onderzoeksdiscipline die het welzijn van dieren in de natuur evalueert. En ik steun onderzoek naar alternatieve eiwitten zoals celkweekvlees, waardoor we onze geliefkoosde honden en katten ook volwaardige, gezonde diervrije voeding kunnen geven.

Is het niet opmerkelijk dat ik meer dan tien goedbedoelde acties deed die mogelijks meer kwaad dan goed doen? Als mij dat kan overkomen, dan kan dat bij alle mensen met goedbedoelde intenties. Dit artikel is dus een oproep aan alle wereldverbeteraars: denk rationeel, analytisch en kritisch na over de effectiviteit van je acties. Dan vermijd je contraproductieve acties, en verhoog je je positieve impact met een factor tien of meer.


Geplaatst in Blog | Tags: | Een reactie plaatsen

Blank of wit? Bedenkingen bij de politieke correctheid van woke

De woke-beweging is een deel van de links-progressieve antiracismebeweging die een sterke nadruk legt op politieke correctheid en censuur van vermeende racistische of kolonialistische woorden en gebruiken. Woke-activisten (of pejoratief ‘social justice warriors’) zijn wakker geworden of bewust geworden van het feit dat er verdoken racisme kan zitten in ons taalgebruik. Woorden zijn niet altijd onschuldig of neutraal, maar dragen soms bepaalde historische ladingen. Volgens de woke-filosofie zijn mensen die de politiek incorrecte woorden gebruiken nog niet woke en dragen die mensen door hun foutieve, politiek incorrecte woordkeuze bij aan racisme.

De vraag is of dat streven naar politieke correctheid haar doel niet mist. Een bekend voorbeeld van door woke-activisten gepropageerde politieke correctheid in de Nederlandse taal, is het gebruik van de term ‘wit’ in plaats van ‘blank’ voor de aanduiding van een persoon met een lichte huidskleur. Maar als we dieper graven, dan blijkt er weinig logica te zitten in de argumenten van woke-activisten voor de keuze van het woord ‘wit’. Die woordkeuze kan zelfs contraproductief zijn.

Om terechte kritiek te geven, moeten we eerst proberen de argumenten van woke-activisten voor het gebruik van het woord ‘wit’ zo goed mogelijk weer te geven. We moeten die argumenten zo verwoorden, dat woke-activisten denken dat het de woorden zijn van een goede woordvoerder van de woke-beweging. We moeten de woorden en argumenten dus zo sterk mogelijk maken, vooraleer we ze mogen bekritiseren. Deze aanpak staat bekend als ‘de staalman’ (‘steelmanning’, het tegendeel van de stroman drogredenering) of de door Bryan Caplan benoemde ‘ideologische Turing test’. Hier volgt een poging.

Een eerste argument: het woord ‘blanke’ is politiek incorrect (volgens woke), omdat het een racistische of neokoloniale lading draagt. Het heeft de connotatie van reinheid, onbevlektheid, zuiverheid en superioriteit, waarmee de tegenpool, het antoniem ‘zwarte’, de associatie oproept met vuil, onrein, slecht of minderwaardig. Een van de betekenissen van ‘blank’ is ‘ongekleurd’, waardoor geïnsinueerd wordt dat een blanke persoon objectief en neutraal is, namelijk ongekleurd door de eigen ervaringen. Als ‘blank’ verwijst naar ongekleurd, kan het symbolisch verwijzen naar onzichtbaar, en dan kunnen blanke racisten het woord ‘blanke’ gebruiken om hun machtspositie onzichtbaar te maken.

Na deze poging tot staalman-formulering van het woke-argument, volgt de kritiek. Wat vreemd is aan het argument, is dat het voorgestelde politiek correcte woord ‘wit’ eigenlijk dezelfde betekenis en lading kan dragen als ‘blank’. Wit kan evengoed reinheid en zuiverheid betekenen. Als ‘zwart’ de connotatie ‘slecht’ heeft, dan heeft ‘wit’ de connotatie ‘goed’. Als iemand met een blanke huidskleur niet neutraal en objectief kan zijn omdat het hebben van een blanke huidskleur diens ervaringen kan beïnvloeden, dan geldt hetzelfde voor iemand met een witte huidskleur.

Nog vreemder: woke-activisten duiden ‘zwarten’ en andere niet-blanken graag aan als ‘gekleurde mensen’ (in het Engels: ‘people of color’ of PoC). Daarmee geven ze zelf nog eens expliciet de boodschap mee dat wit ongekleurd is. Het is inconsistent, want ze zeggen dat zwart gekleurd is en dat wit het tegendeel is van zwart. Daaruit volgt logischerwijs dat wit niet gekleurd is. Maar ze waren tegen het gebruik van de term ‘blank’ omdat dat verwees naar kleurloosheid. Woke-activisten maken het best verwarrend, want strikt genomen is zwart ongekleurd. Zwart is namelijk geen kleur, want kleuren komen precies overeen met frequenties van lichtstralen en bij zwart zijn er geen lichtstralen en dus geen frequenties. Wit is wel een kleur, namelijk de mengeling van de kleuren van de regenboog, waarvan de frequenties gekend zijn. Wit heeft alle kleuren van de regenboog, zwart geen enkele. In die zin is wit het volledige tegendeel van zwart: wit heeft alle kleuren. Wit is daarom dus ook niet de huidskleur van een blanke. De huid van een blanke straalt licht uit met andere frequenties dan bijvoorbeeld sneeuw. Een naakte blanke persoon kan zichzelf niet perfect camoufleren in de sneeuw. Om te verwijzen naar de huidskleur van een blanke, is het woord ‘blank’ beter dan ‘wit’, want wit heeft de betekenis van de kleur van sneeuw en ‘blank’ heeft de betekenis van de huidskleur van een blanke (of accurater: van een persoon wiens voorouders duizend jaar geleden allemaal in Europa woonden).

Een tweede staalman argument: het woord ‘blanke’ draagt (volgens woke-activisten) een racistische betekenis omwille van het koloniale verleden. Blanke kolonisten noemden zichzelf blanken. Daarmee wordt ‘blank’ geassocieerd met het superieure ras. ‘Wit’ heeft niet die koloniale connotatie.

Wat daarbij vreemd is, is dat het woord wit in het verleden ook gebruikt werd als synoniem voor blank. In het Engels is dat heel duidelijk: ‘wit’ is hetzelfde als het Engelse ‘white’, en Engelse kolonisten noemden zichzelf ‘white’. Huidige Engelstalige blanke racisten noemen zichzelf ‘white supremacists’ en noemen hun beweging ‘white power’. Misschien heeft het Nederlandse ‘wit’ toch niet dezelfde betekenis als het Engelse ‘white’? Dat is dan wel verwarrend. En stel nu dat geschiedkundigen ontdekken dat een aantal Nederlandstalige kolonisten in het verleden zichzelf als ‘wit’ aanduidden. Zou dan door die bevinding plots het woord ‘wit’ een andere betekenis krijgen en politiek incorrect worden volgens woke? Moeten woke-activisten dan plots op zoek gaan naar een nieuw woord? Waren ze te snel en roekeloos met het propageren van het woord ‘wit’?  

Als het woord ‘blank’ ongepast is omwille van het koloniale verleden, omdat dat woord gebruikt werd door racistische kolonisten en daardoor een betekenis van superioriteit kreeg, dan geldt hetzelfde voor het woord ‘kolonie’. Kolonisten noemden zichzelf kolonisten, en noemden hun kolonies kolonies. Slachtoffers van kolonialisme hebben negatieve associaties met het woord ‘kolonie’. Dus moeten woke-activisten dan op zoek naar politiek correcte woorden voor ‘kolonie’ en ‘kolonialisme’?

Bij politieke correctheid zie je een continue wedloop van nieuwe termen. Van ‘neger’ naar ‘zwarte’ naar ‘zwarte persoon’ naar ‘mens met een donkere huidskleur”. Van ‘kleurling’ naar ‘persoon van kleur’. Van ‘kreupel’ naar ‘invalide’ naar ‘gehandicapte’ naar ‘persoon met een fysieke beperking’. Van ‘vreemdeling’ naar ‘buitenlander’ naar ‘allochtoon’ naar ‘persoon met een migratieachtergrond’. Dit staat bekend als de eufemisme-tredmolen of de inflatie van woorden. Nieuwe woorden gaan de negatieve connotaties van de oude woorden overnemen, waardoor er weer nieuwe politiek correcte woorden nodig zijn.

Er schuilt een gevaar achter die wedloop van nieuwe politiek correcte termen. Politiek correcte woorden kunnen namelijk gebruikt worden als social signaling, waarbij mensen aan andere leden van hun groep willen tonen dat ze tot de groep behoren.[1] Het is zoals bij modetrends, waarbij mensen de nieuwste mode volgen om aan anderen van hun sociale groep te tonen dat ze mee zijn. Mode heeft een signaalfunctie, namelijk de boodschap: “Ik ben mee”. Zo ook zijn nieuwe politiek correcte woorden een modeverschijnsel en vertonen ze een modegedrag. Diegenen die nog het woord ‘blanke’ gebruiken, zijn volgens woke-activisten nog niet woke, ze zijn nog niet mee met de nieuwste modetrend.

De hypothese dat politieke correctheid een vorm van social signaling kan zijn, kunnen we testen door voorspellingen van die hypothese na te gaan. Een voorspelling van de social signaling hypothese is dat het signaal kostelijk moet zijn. Want als het signaal om tot de sociale groep te behoren moeilijker te geven is, en je geeft het signaal, dan is dat een sterker bewijs dat je echt tot de groep behoort of wil behoren. Daarom is nieuwe modekleding vaak duurder en onpraktischer (lastiger te dragen, moeilijker te wassen). Als je de moeite neemt om onpraktischere kledij te dragen, en de hogere kostprijs ervoor over hebt, dan toon je echt wel dat je mee bent met je groepsgenoten, dat je tot je geprefereerde sociale groep behoort. Het wachtwoord om binnen te mogen, mag niet te simpel zijn.

Als politieke correctheid een vorm van signaling is, dan voorspellen we een toename van kost. En ja, wat opvalt, is dat de nieuwe politiek correctere termen kostelijker zijn, in de zin dat ze bijvoorbeeld vaak langer zijn. Een journalist die een artikel moet schrijven met een beperkt aantal letters en woorden, zal vloeken bij het politiek correcte ‘persoon met een migratieachtergrond’ (35 tekens) in plaats van ‘allochtoon’ (10 tekens). Als je in gesprekken met je vrienden telkens de moeite toont om de moeilijker uit te spreken termen te gebruiken, toon je dat je echt wel begaan bent met antiracisme.

Misschien is het tijd voor de genadeslag. Als woke-activisten toch niet verlegen zitten om lange termen, dan kunnen ze beter de stap van het politiek incorrecte ‘blanke’ naar het weldra politiek incorrecte ‘witte’ overslaan en meteen naar de eindhalte springen, met de ultieme politiek correcte term ‘huidpigmentarmere persoon’ (of iets moeilijker: ‘melanineschaarsere persoon’). Dat woke-activisten na vele jaren nog steeds niet deze stap hebben gezet, maakt de woke-argumenten verdacht. De term ‘huidpigmentarmere persoon’ heeft namelijk veel voordelen ten opzichte van ‘witte mens’.

Ten eerste verwijst het hier heel duidelijk naar waar het om gaat: huidskleur, door de verwijzing naar huidpigment. Huidpigment heeft een neutrale betekenis. ‘Huidpigmentarmer’ roept geen associaties op met reinheid of zuiverheid, wat niet kan gezegd worden van het woord ‘wit’.

Ten tweede hebben blanke personen minder huidpigment (melanine), dus zijn ze armer aan huidpigment. Zwarten zijn dus rijker aan huidpigment, en dat woordje ‘rijker’ roept positieve associaties op. Rijkdom wordt geassocieerd met hogere status. ‘Huidpigmentarmer’ kan daarom niet misbruikt worden om superioriteit ten opzichte van huidpigmentrijker weer te geven. Huidpigmentrijkere personen kunnen klagen tegen hun aanduiding als zwarten, omdat zwart een negatieve connotatie heeft. En ze kunnen klagen tegen hun aanduiding als persoon van kleur, omdat wit of blank ook een kleur is. Maar ze kunnen niet klagen tegen hun aanduiding als huidpigmentrijkere persoon, behalve dat het een nogal lange term is.

Ten derde, en dit is belangrijk: de woorden ‘huidpigmentrijker’ en ‘huidpigmentarmer’ laten gradaties of nuance toe. Het politiek correcte woke gebruik van ‘wit’ en ‘zwart’ getuigt van een ongenuanceerd zwart-wit denken. Dat zwart-wit denken kan polariserend werken, alsof zwarte personen en witte personen twee scherp af te bakenen groepen zijn. Die polarisering of verdeeldheid zou een ‘wij-versus-zij’ mentaliteit kunnen versterken. Woke-activisten bestendigen met hun ongenuanceerde termen ‘wit’ en ‘zwart’ het idee dat er geen overlap is tussen sociale groepen. Ze bestendigen daarmee het eigen-groep denken, alsof de eigen groep duidelijk af te bakenen is van de andere groep. In werkelijkheid zijn er wittere (of beter lichtere) en zwartere (of beter donkerdere) mensen, met alle gradaties ertussen. In plaats van ‘witte’, kunnen woke-activisten beter ‘lichtere’ gebruiken, en nog beter ‘huidpigmentarmere’.

De politiek correcte woke voorkeur voor ‘wit’ boven ‘blank’ is irrationeel, in de zin dat het op drie vlakken contraproductief kan werken. Het eerste vlak sluit aan bij de vermelde hypothese van social signaling. Woke-antiracisten kunnen aan de hand van iemands woordkeuze bepalen wie er tot de eigen groep van woke-antiracisten behoort. Diegenen die ‘wit’ gebruiken, zijn voldoende woke, diegenen die ‘blank’ gebruiken, zijn nog niet mee. Maar wat met diegenen die een hekel hebben aan politiek correcte taalspelletjes met inflatie van woorden? Wat met diegenen die de argumenten voor het gebruik van het woord ‘wit’ te zwak vinden en een voorkeur hebben voor gangbare woorden? Wat met diegenen die daarom weigeren het woord ‘wit’ te gebruiken en blijven klampen aan het gangbare woord ‘blank’? Die mensen zijn racisten in de ogen van veel woke-mensen. Zo dreigen mensen die ‘blank’ blijven zeggen uitgesloten te worden van de woke-gemeenschap, en nog breder van de antiracismegemeenschap. En dat kan averechts werken. Dat is niet bevorderlijk voor de strijd tegen racisme. Het zaait verdeeldheid in eigen rangen.

Op het tweede vlak is de keuze van de term ‘wit’ contraproductief in de zin dat het nog steeds een tweedeling creëert tussen witten en zwarten. Daardoor kunnen witte mensen ten onrechte beschuldigd worden van racisme. Het is alsof er twee groepen zijn, en de leden van de groep van ‘witten’ zijn allemaal schuldig aan racisme of neokolonialisme. Woke-activisten kunnen ‘de witte mens’ als pejoratief gaan gebruiken en daarmee mensen met een lichtere huidskleur gaan beschuldigen. Witte mensen worden dan sneller verdacht van het hebben van privileges en worden daardoor sneller gewantrouwd, zelfs al zijn die mensen antiracisten.

Een derde reden van contraproductiviteit, is simpelweg dat de discussie over de woorden ‘wit’ versus ‘blank’ ons afleidt van belangrijkere zaken, van echte problemen van racisme. En je zou ook kunnen zeggen dat een slechte onderbouwing van antiracistische voorstellen extreemrechts racisme in de hand kan werken. Als antiracisten slechte argumenten geven voor hun standpunten, dan maken ze het extreemrechtse racisten gemakkelijker om antiracisme te bekritiseren.

Wat kunnen antiracistische woke-activisten dan beter doen? Ze kunnen in de eerste plaats tolerant zijn tegenover antiracisten die het woord ‘blanke’ blijven gebruiken, en die tolerantie uiten door zelf ook vaker ‘blanke’ te gebruiken. Ofwel kunnen ze overschakelen op de term ‘huispigmentarmere’, maar daarmee blijven ze wel in die wedloop van politieke correctheid waar veel antiracisten een hekel aan hebben.

Ook belangrijk is dat ze aandacht blijven besteden aan de invloed van woordkeuze op ons denken. Woke-activisten hebben gelijk dat sommige woorden niet neutraal zijn. Woorden kunnen subtiele onderliggende betekenissen hebben. Het woord ‘blanke’ is niet problematisch, maar de term ‘de blanke’ is dat wel. Bij ‘de blanke’ wordt de indruk gewekt dat alle blanken behoren tot een homogene groep. Alsof alle en alleen blanken iets met elkaar gemeen hebben. Alsof alle en alleen blanken bijvoorbeeld geprivilegieerd zijn en daarom te wantrouwen zijn. De groep van blanken wordt namelijk aangeduid met een woord in het enkelvoud. Het gebruik van ‘wit’ in plaats van ‘blank’ zal dit probleem niet verhelpen. Integendeel, sommige woke-activisten spreken expliciet van ‘de witte mens’, waarbij ze de groep van witten homogeniseren.

Dat ‘de blanke’ problematisch is, valt eenvoudig in te zien door die term te vergelijken met bijvoorbeeld ‘de zwarte’ of ‘de Afrikaan’. Iemand die zegt: ‘De zwarte is…’, maakt al snel een racistische uitspraak. En wie is ‘de zwarte’? Die bestaat eigenlijk niet. Er bestaan wel zwarte individuen, maar van niemand kunnen we zeggen: ‘Deze persoon is de zwarte.” Net zoals ‘de zwarte’ niet bestaat, zo bestaat ‘de witte’ niet. Er zijn wel veel huidpigmentarmere mensen, maar die groep kan je niet aanduiden met een enkelvoud. Het gebruik van een enkelvoud om een groep van diverse mensen aan te duiden, wijst op een essentialistisch denken, alsof alle en alleen individuen van die groep een bepaalde essentie hebben. Dat is een soort van homogenisering of stereotypering van een groep van diverse mensen. In dit geval doet het bijvoorbeeld uitschijnen dat alle en alleen witte mensen racisten, neokolonialisten of geprivilegieerden zijn, en dat is niet het geval.

Dat essentialistisch denken ligt aan de grondslag van vele vormen van discriminatie. Niet enkel van racisme, maar ook van bijvoorbeeld seksisme en speciesisme. Een seksist durft al snel te zeggen: ‘De man is…”. En een speciesist die discrimineert op basis van soort, hoor je vaak spreken over ‘de mens’. Dan hoor je bijvoorbeeld: “De mens is de enige soort die moreel kan nadenken en daarom de enige soort die rechten krijgt.” Deze uitspraak is filosofische nonsens. Een soort is namelijk net zoals een groep een abstracte verzameling van individuen, en zo’n verzameling kan niet denken. De meeste mensen kunnen wel moreel denken, maar er zijn ook mensen die dat niet kunnen. Aangezien mensen primaten zijn, en het aantal primaten die moreel kunnen denken groter is dan het aantal primaten die dat niet kunnen, kunnen we evengoed zeggen: “De primaat is de enige biologische orde die moreel kan denken en daarom de enige orde die rechten krijgt.” Of we kunnen kijken naar de infraorde van smalneusapen en dan hetzelfde zeggen van smalneusapen. Ja, jij en ik, wij zijn smalneusapen en wij kunnen moreel denken. Dus wie moeten we nu rechten geven: enkel de mensen, enkel de primaten, of enkel de smalneusapen? Mensen kunnen we niet beschrijven aan de hand van een verborgen essentie, net zoals we dat niet kunnen voor primaten of smalneusapen. Er is geen verborgen eigenschap die alle en alleen mensen hebben, net zoals er zo geen essentiële eigenschap is voor alle en alleen primaten. Dan wordt de keuze voor de mensen willekeurig. En zo ook wordt de keuze voor ‘de witte mens’ willekeurig. Dergelijke willekeur, gebaseerd op een foutief essentialistisch denken, is gevaarlijk, want het gaat al snel gepaard met discriminatie zoals speciesisme of racisme.


[1] Simler, K., & Hanson, R. (2017). The elephant in the brain: Hidden motives in everyday life. Oxford University Press.

Geplaatst in Artikels | Tags: , , | 4 reacties

Kennis van drogredenen maakt je nog geen kritisch denker

Kritisch denken is moeilijk. En het leren is misschien nog moeilijker. Er is zelfs een beetje anekdotisch bewijs dat het aanleren van drogredenen en logische denkfouten averechts kan werken. Mensen leren dan vooral de denkfouten van de tegenpartij op te sporen, waardoor ze een groter risico lopen om nog sterker te geloven in hun eigen gelijk. Ze riskeren daarbij een denkfout te maken: als een conclusie gebaseerd is op een drogreden, dan is de conclusie fout. Dus als de tegenpartij een denkfout maakt, dan is diens standpunt fout. Dit is een denkfout, want het is natuurlijk mogelijk dat een conclusie wel juist is in de zin dat er wel geldige argumenten voor zijn, maar dat iemand gewoon slechte argumenten geeft voor die juiste conclusie.

Ook intelligentie helpt niet altijd bij kritisch denken, en kan averechts werken: des te intelligenter men is, des te sneller men denkfouten van de tegenpartij kan opsporen. Het probleem is dat men niet zo snel de kennis van drogredenen toepast op de eigen standpunten en argumenten.

Het klinkt contra-intuïtief dat een sterke kennis van drogredenen ons juist meer vatbaar kan maken voor onkritisch denken. Recent kwam ik een artikel tegen van De Vrijdenker, dat naar mijn mening een heel duidelijk voorbeeld is van dit contra-intuïtieve fenomeen. Het artikel analyseert een TV-debat op De Afspraak over de vraag of het terecht is dat de controversiële documentairereeks Tegenwind de Vlaamse Ultimas Publieksprijs won. In Tegenwind komen mensen aan het woord (o.a. Sam Brokken, Mattias Desmet) die felle kritiek uitten op de coronamaatregelen van de afgelopen twee jaar. We kunnen dat debat ruw gezegd voorstellen als een strijd tussen twee kampen. Aan de ene kant zijn er de verdedigers van de wetenschappelijke visie waarop het Belgische coronabeleid is gebaseerd, vertegenwoordigd door o.a. Dirk Draulans. Volgens deze partij komen er in Tegenwind teveel uitspraken voor die indruisen tegen die wetenschappelijke visie, en daardoor beoordeeld worden als onwaarheden en desinformatie. Omwille van die desinformatie mocht Tegenwind niet de Ultimasprijs winnen. Aan de andere kant zijn er de verdedigers van Tegenwind en van de mensen die kritiek uiten op het coronabeleid, vertegenwoordigd door Rik Torfs in het debat op De Afspraak.

De positie van de auteur van het artikel – ik zal hem De Vrijdenker noemen – is duidelijk: hij staat aan de kant van Rik Torfs en de verdedigers van Tegenwind. Op het eerste zicht lijkt het alsof De Vrijdenker beslagen is in kritisch denken, door zoveel te verwijzen naar drogredenen en te verwijzen naar onder andere de podcast Kritisch Denken. Hij bespreekt wel vijftien verschillende drogredenen. Zoveel drogredenen kunnen destilleren uit een debat van slechts vijftien minuten, is bijzonder.

Maar, De Vrijdenker maakt zelf talrijke denkfouten in zijn artikel. En hij bekijkt het debat eenzijdig, door de drogredenen van Rik Torfs bijna allemaal (met een uitzondering) te negeren. De analyse van de Vrijdenker lijkt me dan ook een uitstekend voorbeeld van hoe men op een foute manier aan kritisch denken doet. Laten we eens even kijken naar de drogredenen die De Vrijdenker aanhaalt in zijn artikel (hieronder in het vet aangeduid). Hier volgen enkele citaten van De Vrijdenker, die erop wijzen dat hij diezelfde drogredeneringen maakt waarvan hij de tegenpartij beschuldigt.

  1. “Een ware oorlog”, “héél grof geschut”, “zelfs onze zesjarigen”, “maandenlang verplicht een belangrijk deel van hun expressie en eigenheid te verbergen”, “en veroordeeld om”, “leven werd platgelegd”, “kwalijk riekende coronapotje”, “Voortdurend werd de angstpropaganda aangezwengeld”. Deze woordkeuzes zijn ook vormen van appeleren aan emotie en angst.
  2. “Ik wil graag het ‘debat’ op De Afspraak nemen als illustratie van…”, “met enkele van de opmerkelijkste denkfouten op een rijtje.”, “Het is zelfs redelijk makkelijk uit te vissen dat landen en regio’s waar geen harde coronamaatregelen werden getroffen, meestal niet een veel hoger sterftecijfer hadden (geregeld integendeel).” Dit zijn voorbeelden van kersenplukken, een beschuldiging die De Vrijdenker maakt aan het adres van Dirk Draulans. De Vrijdenker doet hier zelf aan kersenplukken, want hij selecteert als kers een debat waarin men gemakkelijk de argumenten van de tegenpartij kan ontmaskeren als drogredenen. Hij selecteert in dat debat als kersen de denkfouten van de tegenpartij (bv. van Dirk Draulans en Tom Lanoye maar niet van Rik Torfs). En hij selecteert als kersen die regio’s waar coronamaatregelen minder effectief bleken, zonder te verwijzen naar de regio’s waar coronamaatregelen wel goed werkten. Dit kersenplukken is een aanwijzing van de confirmatieneiging, een denkfout waar De Vrijdenker ook even naar verwijst.
  3. “Kerkjurist en scherpe pen Rik Torfs, gepokt en gemazeld in het blootleggen van Logische Denkfouten”. Dit is een autoriteitsargument, een drogreden die meermaals wordt aangehaald door De Vrijdenker.
  4. “Maar de argumenten zijn daar over het algemeen zo zwak, zo doorzichtig en barstensvol Logische Denkfouten, dat ik daar voorlopig verder geen tijd ga aan besteden.” “Hier vinden we bij Lanoye een glashelder voorbeeld van Valse Analogie (homoseksualiteit medicaliseren = kritiek uiten op het coronabeleid).”, “Vlaamse ‘influencers’ die hun status de laatste twee jaar hard hebben verbonden met bovenstaand verhaal van de Angst”. Dit zijn argumentaties zonder enige feitelijke grond. Of eigenlijk gewoon beweringen zonder argumentatie. Er wordt bijvoorbeeld niet beargumenteerd waarom Lanoye’s analogie fout zou zijn. Ik zou zeggen dat die analogie geldig is, want de twee relevante gemeenschappelijke kenmerken van het medicaliseren van homoseksualiteit en het kritiek uiten op het coronabeleid, zijn dat ze indruisen tegen een wetenschappelijke consensus en dat ze nadelige gevolgen kunnen hebben voor kwetsbare groepen (respectievelijk homoseksuelen en mensen die ernstig ziek worden van covid). Er wordt ook geen bewijs geleverd dat die Vlaamse influencers hun status hebben verbonden met een bepaald verhaal.
  5. “een klein groepje ‘opinieleiders’”, “verliest de laatste maanden echter steeds meer terrein.”, “een klein clubje ‘influencers’”, “sijpelen de laatste tijd steeds meer andere perspectieven door”, “méér stemmen dan de rest van de top twaalf van genomineerden samen; een overdonderend succes dus.” Dit is van dezelfde snee als het appelleren aan het algemeen geloof en ‘bandwagon’. Bij bandwagon beroept men op de populariteit van een mening om de juistheid van die mening te onderbouwen. Alsof men denkt dat een mening juist is omdat die breed gedragen wordt in de samenleving. In deze citaten van De Vrijdenker gaat het om het spiegelbeeld van de bandwagon: het beroep doen op de onpopulariteit van een mening (bv. door te zeggen dat die mening aangehangen wordt door slechts een klein clubje), of op het minder populair worden van een mening (bv. door te zeggen dat die mening terrein verliest) om die mening in diskrediet te brengen.
  6. “gewichtige ambitieuze politica’s, misnoegde biologen, of vermoeide schrijvers met mening-diarree.” In het begin van zijn artikel maakt De Vrijdenker enkele ad hominems tegenover de tegenpartij in het debat (zijnde de politica Stefanie D’Hose, de bioloog Dirk Draulans en de schrijver Tom Lanoye). Voor Rik Torfs volgt daarentegen geen ad hominem, maar wel de lovende woorden ‘scherpe pen’ en ‘gepokt en gemazeld in het blootleggen van Logische Denkfouten’.
  7. “hoe een klein clubje […] het kwalijk riekende coronapotje gesloten wil houden”. Dit is duidelijk een variant van de samenzweringsdenkfout. De Vrijdenker insinueert dat de wetenschappers en verdedigers van het coronabeleid een verborgen agenda hebben, een drijfveer om iets gesloten te houden. Alsof de mensen in dat kleine clubje samenzweren om dingen geheim te houden.
  8. “In dit stukje haalt Rik Torfs een aantoonbaar Autoriteitsargument naar boven, dat meteen geridiculiseerd lijkt te worden door Draulans (Ad Hominem). Het dédain die hij hier lijkt tentoon te spreiden, lijkt ook een constante doorheen het debat.” Rik Torfs maakt een niet-naast-te-kijken autoriteitsargument, door in het debat te zeggen: “Dit zijn wel allemaal, of de meeste toch, gerenommeerde wetenschappers, dus mensen die ook aan een universiteit werken. […] die een heel grote reputatie heeft in het buitenland.” Het maken van een autoriteitsargument is geen klein bier volgens De Vrijdenker, want in zijn artikel beschuldigt hij de tegenpartij wel vier keer van het maken van dergelijk autoriteitsargument. Zelfs een verwijzing naar een journalist (Tim Verheyden) die in de media expliciete voorbeelden gaf van de desinformatie in Tegenwind, wordt door De Vrijdenker afgedaan als een autoriteitsargument. Het wordt dus duidelijk heet onder de voeten van De Vrijdenker, wanneer iemand van zijn eigen zijde zo’n grote misstap zet. Wat is dan zijn reactie? Een afleiding, een Rode Haring, door meteen te verwijzen naar de reactie van Draulans op Torfs. De woorden van Draulans, namelijk een “Bwah” en “dat is iets anders dan een gerenommeerde wetenschapper”, worden ten onrechte geïnterpreteerd als een ad hominem. Zo zouden we de woorden van De Vrijdenker ook kunnen interpreteren als een ad hominem aan Draulans, wanneer hij schrijft “Bioloog en wetenschapsjournalist Dirk Draulans brengt in het begin van het debat al zijn eigen wetenschappelijke autoriteit in (Autoriteitsargument).” Deze woorden kunnen insinueren dat Draulans geen gerenommeerde wetenschapper is. De Vrijdenker doet er nog een schep bovenop, door te spreken van het dédain van Draulans. Dat is eigenlijk een ad hominem: iemands standpunt wordt minderwaardig geacht omwille van diens communicatiestijl.

Niet alleen maakt De Vrijdenker veel van dezelfde drogredenen die hij de tegenpartij verwijt. Hij ontziet ook enkele drogredenen van de eigen partij, vertegenwoordigd door Rik Torfs (op die kleine erkenning van Torfs’ autoriteitsargument na).

  1. “Lanoye lanceert het Argument van Samenzwering, met name dat Putin misschien wel achter de coronakritiek zit. Vervolgens legt hij de Burden of Proof bij Torfs om dat eerst te moeten ontkrachten.” Maar ook Torfs plaatst de bewijslast bij zijn tegenpartij. In het debat zegt Lanoye: “dat manipulatie doelbewust kan gebeuren”, waarop Torfs letterlijk antwoordt: “Maar dat moet u eerst bewijzen.”
  2. Torfs zegt: “Er zijn ook experts die zeggen, als we vaccins hebben, dan zijn we niet meer besmettelijk.” Dit kan met hetzelfde gemak als toegepast door De Vrijdenker geïnterpreteerd worden als een non-sequitur en stroman-redenering. Men maakt een karikatuur van de tegenpartij, namelijk de experten wiens opvattingen de basis vormden van het gevoerde coronabeleid. Voordat de vaccins er kwamen, was er helemaal geen consensus bij die experten dat de vaccins zo doeltreffend gaan zijn dat ze besmettingen zullen vermijden. Het is hard zoeken naar een expert die toen echt stellig durfde te beweren dat de vaccins zo doeltreffend zullen zijn. En nadat de vaccins ontwikkeld werden, deden de experten wetenschappelijk onderzoek naar de besmettingskans door gevaccineerden. De bevinding dat ook gevaccineerden nog besmettelijk kunnen zijn, komt van diezelfde experten wiens opvattingen de basis vormden van het gevoerde coronabeleid.

Het zelf maken van denkfouten die men de tegenpartij verwijt, en het ontzien of minimaliseren van denkfouten van mensen van de eigen partij, zijn sterke aanwijzingen van onkritisch denken. Daarenboven zijn sommige beschuldigingen van denkfouten onterecht. Draulans maakte bijvoorbeeld geen ad hominem denkfout door te reageren met “bwah” op het autoriteitsargument van Torfs. En sommige van de aangehaalde drogredenen zijn eigenlijk niet echt fout: ze hebben hun geldigheid afhankelijk van de context. Bijvoorbeeld het argument van herhaling: het vaak herhalen van een bewering zegt niets over de betrouwbaarheid of het waarheidsgehalte van die bewering. Iemand die dus vaak een bewering herhaalt gaan beschuldigen van het maken van de drogreden van herhaling, is wel erg gemakkelijk. Ook het door De Vrijdenker zo verguisde autoriteitsargument is niet altijd verkeerd. Verwijzen naar een autoriteit, zoals bijvoorbeeld een consensus bij wetenschappelijke experts, is geldig, want dergelijke autoriteit correleert positief met de betrouwbaarheid of het waarheidsgehalte van de bewering. Des te sterker de wetenschappelijke consensus achter een bewering, des te groter de kans is dat die bewering juist is. Des te gerenommeerder een expert is, des te groter de kans is dat die expert juiste dingen zegt over zijn expertisedomein.

Tot slot lijkt de strategie van De Vrijdenker erin te bestaan om het eigen gelijk aan te tonen door te wijzen op denkfouten van de tegenpartij.  Deze strategie is dan gebaseerd op twee denkfouten die aangehaald worden door De Vrijdenker. Ten eerste de non sequitur. Waarom zoveel moeite doen om drogredenen van de tegenpartij te ontmaskeren? Omdat men zo probeert aan te tonen dat het standpunt van die tegenpartij fout is. De redenering lijkt te zijn: “Als een denkfout wordt gemaakt bij het onderbouwen van een standpunt, dan is dat standpunt fout. Dit argument is een denkfout, dus het standpunt is fout.” Punt is dus dat de eerste aanname in deze redenering fout is. Dan trekt men dus de foute conclusie, dat het standpunt ook fout moet zijn. Zelfs al geeft de tegenpartij niets anders dan drogredenen, dan nog kan diens standpunt wel juist zijn. Ten tweede is de strategie gebaseerd op een valse dichotomie. Waarom zoveel moeite doen om het standpunt van de tegenpartij onderuit te halen, in plaats van rechtstreeks aan te tonen dat het eigen standpunt juist is? De foute tegenstelling waarvan men vertrekt, is: ofwel zijn de belangrijkste standpunten en argumenten van de ene partij fout, ofwel die van de andere partij. Met deze aanname kan men dan argumenteren dat als de argumenten van de tegenpartij fout zijn, de argumenten en conclusies van de eigen partij wel juist moeten zijn. Kort gezegd: “Als een partij denkfouten maakt, heeft die het mis. Mijn tegenpartij maakt denkfouten, dus heeft het mis. Als de tegenpartij het mis heeft, dan heeft de andere partij, mijn partij, het juist. Dus de mijn partij heeft het juist.”

Wat kon De Vrijdenker dan wel doen op vlak van kritisch denken? Proberen de eigen standpunten onderuit te halen. Proberen drogredenen bij zichzelf op te sporen. Proberen meer kritiek te geven op de eigen argumenten dan op die van de tegenpartij. Proberen te doen alsof men zelf tot de tegenpartij behoort die op zoek gaat naar de denkfouten van de ander. En tot slot: proberen de eigen mening bij te stellen en durven van mening te veranderen.

Dat brengt me bij een laatste opmerking. Tijdens het lezen van het artikel van de Vrijdenker, wist ik nog niet wie hij was. Achteraf ontdekte ik dat hij me bekend is, onder andere als tegenstander van ggo’s. Hij was een goede tien jaar geleden trekker van het Field Liberation Movement, die directe acties uitvoerde tegen veldproeven met genetisch gemanipuleerde gewassen. In die tijd was ik ook tegenstander van ggo’s, totdat ik in 2015 daarover van mening veranderde. Sindsdien ben ik nog van meer dan twintig opvattingen sterk van mening veranderd.

Geplaatst in Blog | 2 reacties

The next innovation: clean protein (infographic)

Geplaatst in Blog | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Why speciesism is a moral illusion (infographic)

Geplaatst in Blog | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

How to reduce the duration of animal suffering (infographic)

Geplaatst in Blog | Een reactie plaatsen